Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHDHA:2024:2864 ECLI:NL:GHDHA:2024:2864 AI generated

ECLI:NL:GHDHA:2024:2864 · Gerechtshof Den Haag

Case Number ECLI:NL:GHDHA:2024:2864
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

BESLISSING GERECHTSHOF DEN HAAG Zaaknummer: 200.348.017/01 Wrakingsnummer rechtbank: 2024-35 Zaaknummer hoofdprocedure rechtbank: 11001473 / RL EXPL 24-6180 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken d.d. 29 november 2024 in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker. Het geding In een bij de kantonrechter bij de rechtbank Den Haag aanhangige procedure met nummer 11001473 / RL EXPL 24-6180 tussen verzoeker en i) de Staat der Nederlanden en ii) [naam], heeft verzoeker op 16 april 2024 wraking van kantonrechter mr.

Legislator headnote

AI generated

art. 6 EVRM, art. 39 lid 5 Rv, art. 337 lid 2 Rv, art. 426 lid 4 Rv, art. 130 lid 2 Rv; ECLI:NL:GHDHA:2024:2864 · Gerechtshof Den Haag: Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek stelt de wrakingskamer voorop dat ingevolge art. 39 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen de beslissing op een verzoek tot wraking geen voorziening openstaat (hierna: het rechtsmiddelenverbod). De Hoge Raad heeft in eerdere rechtspraak geoordeeld dat het rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken indien wordt aangevoerd dat de rechter de regeling met betrekking tot de wraking ten onrechte niet heeft toegepast of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek tot wraking niet kan worden gesproken.

Keywords

AI generated
art. 6 EVRM art. 39 lid 5 Rv art. 337 lid 2 Rv art. 426 lid 4 Rv art. 130 lid 2 Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 6 EVRM
4.1.].6 Ook art. 6 EVRM noodzaakt niet tot het handhaven van die mogelijkheid.
art. 39 lid 5 Rv
In de totstandkomingsgeschiedenis van art. 39 lid 5 Rv is in dit verband opgemerkt dat de toetsing van de bezwaren met betrekking tot de rechterlijke onpartijdigheid opgaat in de toetsing van de bestreden uitspraak.
art. 337 lid 2 Rv
art. 337 lid 2 Rv en art.
art. 426 lid 4 Rv
337 lid 2 Rv en art. 426 lid 4 Rv in verbinding met art.
art. 130 lid 2 Rv
art. 130 lid 2 Rv HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2914 en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2599, rov.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2024:918
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 23/04892 Datum 21 juni 2024 BESLISSING In de zaak van IRAN NATIONAL IRANIAN OIL COMPANY, gevestigd te Teheran, Iran, VERZOEKSTER tot cassatie, hierna: NIOC, advocaat: J.
ECLI:NL:HR:2015:3633
18 december 2015 Eerste Kamer 15/03869 RM/LZ Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [de man],wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr.
ECLI:NL:HR:2018:2263
7 december 2018 Eerste Kamer 18/02825 TT/EE Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [de vrouw] ,wonende te [woonplaats] , VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr.
ECLI:NL:HR:2022:1738
Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: de vonnissen in de zaak C/08/187568 / HA ZA 16-251 van de rechtbank Overijssel van 12 oktober 2016 en 1 maart 2017; de arresten in de zaak 200.211.929/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 oktober 2017, 30 oktober 2018, 23 juli 2019, 7 juli 2020 en 24 november 2020. Het Waterschap c.s. hebben tegen de arresten van het hof van 7 juli 2020 en 24 november 2020 beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
ECLI:NL:HR:2009:BH3664
Het geding in feitelijke instanties Met een op 21 november 2006 ter griffie van de rechtbank Rotterdam ingediend verzoekschrift heeft de vader zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, een bijzonder curator te benoemen over [de minderjarige] (hierna: de minderjarige) in verband met het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning van de minderjarige en aan de vader vervangende toestemming te verlenen tot het erkennen van de minderjarige. Nadat bij beschikking mr. A.P.T. Posthuma is benoemd tot bijzonder curator over de minderjarige heeft de grootmoeder tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen het verzoek tot vervangende toestemming.
ECLI:NL:HR:2012:BX0598
Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

BESLISSING GERECHTSHOF DEN HAAG Zaaknummer: 200.348.017/01 Wrakingsnummer rechtbank: 2024-35 Zaaknummer hoofdprocedure rechtbank: 11001473 / RL EXPL 24-6180 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken d.d. 29 november 2024 in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker. Het geding In een bij de kantonrechter bij de rechtbank Den Haag aanhangige procedure met nummer 11001473 / RL EXPL 24-6180 tussen verzoeker en i) de Staat der Nederlanden en ii) [naam], heeft verzoeker op 16 april 2024 wraking van kantonrechter mr.

D. Nobel verzocht. Bij beslissing van de meervoudige kamer voor wrakingszaken van de rechtbank Den Haag (hierna: de wrakingskamer van de rechtbank) van 30 april 2024 is het verzoek tot wraking, zonder behandeling van het verzoek ter terechtzitting, afgewezen. Op 5 mei 2024 is verzoeker van deze beslissing in hoger beroep gekomen. Bij beslissing van 4 juli 2024 heeft de wrakingskamer van het hof de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen naar de wrakingskamer voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting.

Die zitting is gehouden op 14 oktober 2024. Hierbij is niemand verschenen. Bij beslissing van 28 oktober 2024 heeft de wrakingskamer van de rechtbank het wrakingsverzoek afgewezen. Bij brief (met bijlagen 1 t/m 3) van 11 november 2024 is verzoeker van die beslissing in hoger beroep gekomen. Bij e-mail van 18 november 2024 heeft verzoeker zijn verhinderdata voor een mondelinge behandeling toegestuurd. Diezelfde dag heeft verzoeker de wrakingskamer per e­ mail geïnformeerd over de stand van zaken van de hoofdprocedure bij de rechtbank. De beoordeling van de ontvankelijkheid 1.

Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek stelt de wrakingskamer voorop dat ingevolge art. 39 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen de beslissing op een verzoek tot wraking geen voorziening openstaat (hierna: het rechtsmiddelenverbod). De Hoge Raad heeft in eerdere rechtspraak geoordeeld dat het rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken indien wordt aangevoerd dat de rechter de regeling met betrekking tot de wraking ten onrechte niet heeft toegepast of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek tot wraking niet kan worden gesproken.

2. De Hoge Raad is in zijn arrest van 21 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:918) teruggekomen van zijn eerdere rechtspraak. In dit arrest heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: "3.3 Een partij die een verzoek tot wraking heeft gedaan dat is afgewezen of ten onrechte niet in behandeling is genomen, heeft de mogelijkheid in de hoofdprocedure in een hogere instantie aan te voeren dat de aangevochten rechterlijke beslissing niet in stand kan blijven omdat wegens het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter(s) geen sprake is geweest van een eerlijke procedure (fair trial) als bedoeld in art. 6 EVRM.4 De grond waarop het verzoek tot ·wraking berustte, kan dus in hoger beroep of beroep in cassatie van een einduitspraak- of. met verlof. van een na de beslissing op het verzoek tot wraking gedane tussenuitspraak- aan de orde ·worden gesteld.

Een rechtsmiddelenverbod staat daaraan niet in de weg. De verzoeker tot wraking heeft in zoverre geen belang hij een zelfstandig beroep tegen de beslissing op zijn verzoek. In de totstandkomingsgeschiedenis van art. 39 lid 5 Rv is in dit verband opgemerkt dat de toetsing van de bezwaren met betrekking tot de rechterlijke onpartijdigheid opgaat in de toetsing van de bestreden uitspraak. 5 3.4 Hoewel in de totstandkomingsgeschiedenis van art. 39 lid 5 Rv is gewezen op de mogelijkheid van doorbreking van het daarin opgenomen rechtsmiddelenverbod, kan daaruit niet worden afgeleid dat de mogelijkheid van een zelfstandig beroep van een beslissing op een verzoek tot wraking op een doorbrekingsgrond nodig of wenselijk is geacht.

De verwijzing naar die mogelijkheid berust enkel op de hiervoor in 3.2 bedoelde rechtspraak van de Hoge Raad [Hof. lees: HR 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999,ZC2824, rov. 3.3; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3633, rov. 3.4 en HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2263, rov. 4.1.].6 Ook art. 6 EVRM noodzaakt niet tot het handhaven van die mogelijkheid. De vraag of sprake is van een eerlijk proces moet immers worden beantwoord ten aanzien van de procedure als geheel.7 De mogelijkheid de onpartijdigheid van de rechter aan de orde te stellen in een beroep van de door die rechter gedane uitspraak volstaat daartoe.

Daarbij dient te worden bedacht dat als zich in het vervolg van de procedure nieuwe omstandigheden voordoen waaruit (vrees voor) vooringenomenheid kan worden afgeleid, opnieuw een verzoek tot wraking kan worden ingediend. Gelet op een en ander ontneemt het rechtsmiddelenverbod de partij die het aangaat geen rechten.8 3.5 Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3-3../ is overwogen, legt het belang van een partij om een beslissing op een verzoek tot wraking afzonderlijk aan een hogere rechter te kunnen voorleggen tegenover het belang bij voortgang van de procedure ( ...) onvoldoende gewicht in de schaal, ook al berust het rechtsmiddel op doorbrekingsgronden.

Daarom kan niet langer op doorbrekingsgronden hoger beroep of beroep in cassatie worden ingesteld van een beslissing op een verzoek tot wraking. Daarmee kan het antwoord op de vraag of zodanige beslissing moet worden aangemerkt als een einduitspraak in het wrakingsgeding, of als een tussenuitspraak in een incident in de hoofdprocedure, in het midden blijven. 3.6. Nu de Hoge Raad terugkomt van zijn eerdere rechtspraak, zal de uitsluiting van de doorbrekingsleer in wrakingszaken niet gelden voor gevallen waarin reeds voor de datum van deze uitspraak een rechtsmiddel is aangewend tegen een beslissing op een verzoek tot wraking. " 4 HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1738, rov. 3.2, met verwijzing naar eerdere rechtspraak. 5 Aldus de verantwoordelijke bewindslieden, zie Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. B, p. 8. 6 Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. B. p. 8 en Parl.

Gesch. Herz. Rv 2002, p. 191. 7 Vgl. EHRM 23 oktober 1996, nr. 17748/91 (Ankerl/Switzerland), punt 38 EHRM 7 juni 2012, nr. 38433/09 (Centro Europa 7 S.r.l. and Di Stefano/ltaly), punt 197; EHRM 19 september 2017, nr. 35289/11 (Regner/the Czech Republic), punt 151 en 161. 8 Vgl. bijv. t.a.v. art. 337 lid 2 Rv en art. 426 lid 4 Rv in verbinding met art. 40la lid 2 Rv HR 8 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3664, rov. 3.1-3.2 en HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0598, rov. 4.5 en t.a.v. art. 130 lid 2 Rv HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2914 en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2599, rov. 3.6.

3. Het voorgaande, waaronder het door de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.6 van voormeld arrest geformuleerde overgangsrecht, leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek tot wraking. De wrakingskamer heeft afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek ter zitting (art. 4 lid 2, aanhef en onder a, Wrakingsprotocol). Beslissing De wrakingskamer van het hof: - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking; - bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, de wrakingskamer van de rechtbank, mr. D. Nobel en aan de wederpartijen in de hoofdprocedure. Deze beslissing is gegeven door mrs. M.E. Honée, Chr.Th.P.M. Zandhuis en W.A.G.J.W. Ferenschild, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 november 2024 in aanwezigheid van de griffier.