Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHDHA:2024:2379 ECLI:NL:GHDHA:2024:2379 AI generated

ECLI:NL:GHDHA:2024:2379 · Gerechtshof Den Haag

Case Number ECLI:NL:GHDHA:2024:2379
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-24/47 en BK 24/48 Uitspraak van 10 december 2024 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 28 november 2023, nummers SGR 23/1352 en SGR 23/3619. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2018 en 2019 aanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.977 respectievelijk € 21.591 (de aanslagen). 1.2.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:GHDHA:2024:2379 · Gerechtshof Den Haag: Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “7. Volgens vaste jurisprudentie moet voor een bron van inkomen worden voldaan aan drie voorwaarde: deelname aan het economisch verkeer, het subjectieve oogmerk om voordeel te behalen en de objectieve verwachting dat ook redelijkerwijs (in de toekomst) voordeel kan worden behaald.[1] 8. Eiser stelt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2012:BW8348
Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende zijn over de jaren 1999 tot en met 2002 (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede over het jaar 2001 een navorderingsaanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, welke (navorderings)aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd. De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/7165 tot en met AWB 07/7169) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHDHA:2018:1457
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-17/00769 Uitspraak van 18 april 2018 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, de Inspecteur, (vertegenwoordigers: J.C. Rodermond-Japin, Z.C. Hidding en H.J. Vos), op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 juli 2017, nummer SGR 16/10294 betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag. Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.828. 1.2.
ECLI:NL:HR:2018:2128
16 november 2018 Nr. 18/02362 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 18 april 2018, nr. BK‑17/00769, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 16/10294) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
ECLI:NL:GHDHA:2021:670
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-20/00763 Uitspraak van 8 april 2021 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 16 oktober 2020, nummer SGR 20/1443. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.148 (de aanslag).
ECLI:NL:HR:2023:447
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/02147 Datum 24 maart 2023 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 april 2021, nr. BK-20/00763, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 20/1443) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
ECLI:NL:GHDHA:2023:573
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummer BK-22/00520 Uitspraak van 15 maart 2023 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 april 2022, nummer SGR 21/2188. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.354 (de aanslag).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-24/47 en BK 24/48 Uitspraak van 10 december 2024 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 28 november 2023, nummers SGR 23/1352 en SGR 23/3619. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2018 en 2019 aanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.977 respectievelijk € 21.591 (de aanslagen). 1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 138. De Inspecteur heeft een als nader stuk aangemerkt verweerschrift ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 oktober 2024.

Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. 1.6. Na sluiting van het onderzoek heeft het Hof op 4 december 2024 een e-mail van belanghebbende ontvangen met het verzoek tot heropening van het onderzoek. Hetgeen belanghebbende aanvoert geeft het Hof echter geen aanleiding om tot heropening van het onderzoek over te gaan. De e-mail zal daarom niet tot de gedingstukken worden gerekend en buiten beschouwing worden gelaten. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft een eenmanszaak met de handelsnaam [naam eenmanszaak] .

De bedrijfsactiviteiten bestaan uit de verkoop van computers en ICT-advisering (ICT-activiteiten). Daarnaast schrijft belanghebbende een boek. De bedrijfsactiviteiten van [naam eenmanszaak] staan bij de Kamer van Koophandel als volgt omschreven: “Verkoop, lease en installatie van hard- en software, beheer op afstand van server en netwerk, alsmede consultancy en het op schrift zetten en in boekvorm uitgeven van gebeurtenissen uit het leven van de ondernemer.” 2.2. De activiteiten van belanghebbende zijn sinds 2006 verliesgevend. Belanghebbende heeft over de jaren 2011 tot en met 2022 voor de IB/PVV aangifte gedaan van de navolgende verliezen uit onderneming (vóór toepassing van de ondernemersaftrek):

Jaar Omzet Kosten Winst 2011 € 2.672 € 14.818 -/- € 12.146 2012 € 2.542 € 13.944 -/- € 11.402 2013 € 7.543 € 14.197 -/- € 6.654 2014 € 4.606 € 13.704 -/- € 9.098 2015 € 7.061 € 16.361 -/- € 9.300 2016 € 3.688 € 15.732 -/- € 12.044 2017 € 764 € 14.529 -/- € 13.765 2018 € 220 € 14.377 -/- € 14.157 2019 € 0 € 15.351 -/- € 15.351 2020 € 0 € 13.868 -/- € 13.868 2021 € 0 € 14.575 -/- € 14.575 2022 € 0 € 9.962 -/- € 9.962 2.3. Voor het jaar 2018 heeft belanghebbende aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.822, bestaande uit belastbare pensioen-, lijfrente- en andere uitkeringen van € 23.592, winst uit onderneming van € 12.155 negatief en resultaat uit overige werkzaamheden van € 2.615 negatief. 2.4.

Voor het jaar 2019 heeft belanghebbende aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.404, bestaande uit belastbare pensioen-, lijfrente- en andere uitkeringen van € 24.131, winst uit onderneming van € 13.187 negatief en resultaat uit overige werkzaamheden van € 2.567 negatief, en inkomsten uit eigen woning van € 27. 2.5. Bij het opleggen van de aanslagen heeft de Inspecteur het verlies uit onderneming gecorrigeerd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning voor de jaren 2018 en 2019 is vastgesteld op € 20.977 respectievelijk € 21.591.

Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “7. Volgens vaste jurisprudentie moet voor een bron van inkomen worden voldaan aan drie voorwaarde: deelname aan het economisch verkeer, het subjectieve oogmerk om voordeel te behalen en de objectieve verwachting dat ook redelijkerwijs (in de toekomst) voordeel kan worden behaald.[1] 8. Eiser stelt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

9. De bewijslast rust op eiser om aannemelijk te maken dat er een bron van inkomen is. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de structurele verliezen vanaf 2011 er geen sprake is van een objectief te verwachten voordeel. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Hoge Raad en het gerechtshof Den Haag reeds over voorgaande jaren hebben geoordeeld dat er geen sprake is van een bron van inkomen en dat eiser geen feiten en omstandigheden met betrekking tot de onderhavige jaren heeft aangedragen die een ander licht op de objectieve voordeelsverwachting werpen.[2] Dat eiser subjectief wel een voordeel verwacht ten aanzien van zijn boek dat nog uitgegeven moet gaan worden, maakt dat niet anders.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen is, zijn de aanslagen tot de juiste hoogte vastgesteld en zijn de beroepen ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. (…) [1] HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR: 2011:BP5707, BNB 2011/246, en HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8348, BNB 2012/241 [2] ECLI:NL:GHDHA:2018:1457 en ECLI:NL:HR:2018:2128 (2014), ECLI:NL:GHDHA:2021:670 en ECLI:NL:HR:2023:447 (2016) en ECLI:NL:GHDHA:2023:573 (2017)” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. Tussen partijen is in geschil of de activiteiten van belanghebbende een bron van inkomen vormen, en zo ja, of het daarmee behaalde negatieve resultaat als verlies uit onderneming in aanmerking kan worden genomen. 4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslagen tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.822 voor het jaar 2018 en € 8.404 voor het jaar 2019. 4.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep ICT-activiteiten 5.1. Wat betreft de ICT-activiteiten is tussen partijen uitsluitend in geschil of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, die nodig is voor het bestaan van een bron van inkomen.

Niet in geschil is dat belanghebbende met zijn activiteiten deelneemt aan het economische verkeer en het oogmerk heeft daarmee voordeel te behalen. 5.2. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting dient in beginsel te worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR: 2011:BP5707, BNB 2011/246, en HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8348, BNB 2012/241). 5.3.

Aangezien belanghebbende een negatief resultaat in aanmerking wil nemen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het door belanghebbende beoogde voordeel ook, objectief beoordeeld, kon worden verwacht. 5.4. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Het Hof overweegt hiertoe als volgt. Belanghebbende heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waaraan in 2018 en 2019, objectief bezien, de verwachting kon worden ontleend dat met de onderhavige activiteiten, in weerwil van een reeks negatieve resultaten, positieve opbrengsten konden worden behaald.

De activiteiten van belanghebbende hebben vanaf het jaar 2006 tot en met 2022 geen positief resultaat opgeleverd. Over de jaren 2019 tot en met 2022 is zelfs geen omzet meer behaald. Belanghebbende heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat voor de jaren 2018 en 2019 met deze werkzaamheden een positieve opbrengst was te verwachten. 5.5. Het Hof komt tot de conclusie dat belanghebbendes positieve verwachting ten aanzien van het te behalen voordeel objectief bezien niet gerechtvaardigd was. Dat oordeel brengt mee dat de ICT-activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen.

De verliezen uit die activiteiten hebben daarom geen invloed op het inkomen uit werk en woning. Schrijven boek 5.6. Wat betreft de werkzaamheden met betrekking tot het schrijven van het boek over de juridische afwikkeling van een erfenis overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat met het schrijven van het boek wordt deelgenomen aan het economische verkeer. Feitelijk is namelijk niet komen vast te staan dat belanghebbende - na al die jaren waarin hij ter zake verliezen opvoert - überhaupt een aanvang heeft gemaakt met het schrijven van een boek, laat staan dat zicht bestaat op publicatie daarvan.

Als al moet worden aangenomen dat belanghebbende een boek schrijft en daarmee dan sprake zou zijn van deelname aan het economische verkeer, heeft hij met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat met deze activiteit redelijkerwijs een voordeel kan worden verwacht. Deze activiteit kan daarom evenmin worden aangemerkt als een bron van inkomen. Slotsom 5.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hoger beroep ongegrond. Proceskosten 6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, Chr.Th.P.M. Zandhuis en L.D.M.A Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout. De beslissing is op 10 december 2024 in het openbaar uitgesproken. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen.

Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.