Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHDHA:2023:17 ECLI:NL:GHDHA:2023:17 AI generated

ECLI:NL:GHDHA:2023:17 · Gerechtshof Den Haag

Case Number ECLI:NL:GHDHA:2023:17
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.319.144/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/635720/ KG ZA 22/869 Arrest in kort geding van 10 januari 2023 in de zaak van [appellant] , thans gedetineerd in […], appellant, advocaat: mr. L.J. Woltring, kantoorhoudend in Haarlem, tegen De Staat der Nederlanden, zetelend in Den Haag, verweerder, advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof zal partijen hierna noemen [appellant] en de Staat. 1De zaak in het kort 1.1 De Argentijnse autoriteiten hebben de uitlevering verzocht van [appellant], met het oog op zijn strafvervolging wegens verdenking van een zedenmisdrijf.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6 EVRM, art. 3 EVRM, artikel 3 EVRM, artikel 6:119 BW; ECLI:NL:GHDHA:2023:17 · Gerechtshof Den Haag: Verder neemt het hof als uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat gebaseerd is op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM zal respecteren. Op dat vertrouwensbeginsel kan, wat betreft artikel 6 EVRM een uitzondering worden gemaakt indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een ernstige (flagrante) inbreuk op zijn rechten ingevolge dat artikel (vgl. onder meer Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

Keywords

AI generated
artikel 6 EVRM art. 3 EVRM artikel 3 EVRM artikel 6:119 BW

Cited Legislation

AI generated
artikel 6 EVRM
Op dat vertrouwensbeginsel kan, wat betreft artikel 6 EVRM een uitzondering worden gemaakt indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een ernstige (flagrante) inbreuk op zijn rechten ingevolge dat artikel (vgl.
art. 3 EVRM
Daarnaast kan uitlevering een schending van art. 3 EVRM opleveren indien de uitgeleverde persoon een reëel gevaar loopt om in het ontvangende land gefolterd te worden of anderszins een onmenselijke of vernederende behandeling te ondergaan (Hoge Raad 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387).
artikel 3 EVRM
Naar het oordeel van het hof is deze toezegging voldoende concreet om te kunnen concluderen dat er geen sprake is van een reëel gevaar dat inbreuk zal worden gemaakt op de rechten van [appellant] ingevolge artikel 3 EVRM, zodat dit niet aan uitlevering in de weg staat.
artikel 6:119 BW

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1990:AD7494
NJ 1991/249
ECLI:NL:HR:2003:AE5288
8 juli 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U ABG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De procesgang 1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 20 mei 2003. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage vernietigd voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment, afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998, omschreven klacht ontoelaabaar is verklaard. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. 1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 is de opgeëiste persoon verschenen en is hij gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Wladimiroff, advocaat te 's-Gravenhage, die voor hem het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities. Ook heeft de opgeëiste persoon zelf het woord ter verdediging gevoerd. Zijn pleitnotities zijn eveneens aan voornoemd proces-verbaal gehecht. De Advocaat-Generaal Jörg heeft een schriftelijke samenvatting gegeven die ertoe strekt de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 toelaatbaar te verklaren. 2. Het verzoek tot uitlevering 2.1. Het hernieuwde verzoek tot uitlevering, verder aan te duiden als het verzoek, is gedaan bij nota no. 15 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 6 februari 2001, gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In dit verzoek wordt verwezen naar het hieronder onder 2.3 (i) nog te noemen, reeds eerder gedane, doch ingetrokken, verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon voor dezelfde strafbare feiten. 2.2. Het verzoek, voorzover thans nog aan de orde, strekt tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten 2 en 3, aangeduid als "prohibited foreign trade practices" en omschreven in de hieronder onder 2.3 (v) vermelde "affidavit in support of request for extradition" op p. 3 onder a t/m o. 2.3. De verzoekende staat heeft bij het verzoek de navolgende stukken overgelegd: (i) een nota no. 24 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 4 mei 2000 inhoudende een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging; (ii) een door de Assistant Authentication Officer, Department of State, gecertificeerde verklaring van Madeleine K. Albright, Secretary of State van 20 april 2000 dat het hierna onder (iii) genoemde document het zegel van het Department of Justice van de Verenigde Staten van Amerika draagt; (iii) een door de Director/Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division of the United States Department of Justice gecertificeerde verklaring van 19 april 2000 van Janet Reno, Attorney General of the United States, dat Russel Bikoff zowel ten tijde van de ondertekening van het daaraan gehechte document als ten tijde van het opmaken van de onderhavige verklaring Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division, U.S. Department of Justice, Washington DC, was; (iv) een verklaring van 19 april 2000 houdende de certificering door voornoemde Russel Bikoff van de onder (v) genoemde verklaring en onder (vi) genoemde bijlagen; (v) een door John M. Facciola, United States Magistrate Judge, beëdigd en door Philip Urofsky, employed by the United States Department of Justice as a Trial Attorney in the Criminal Division, op 31 maart 2000 afgelegde verklaring tot staving van het verzoek om uitlevering waarin is opgenomen de identiteit van de opgeëiste persoon, de nationaliteit, de vermoedelijke verblijfplaats, een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht met vermelding van plaats en tijd ervan, het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, de wettelijke omschrijving en de toepasselijke Amerikaanse strafbepalingen; (vi) de bijlagen, gevoegd bij de onder (v) genoemde verklaring: a. een gewaarmerkt afschrift van een Superseding Indictment van de United States District Court for the District of New Jersey, van 11 september 1998, houdende een nader overzicht van de feiten en het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, ondertekend door Nicholas R. Abitante, foreperson van de Grand Jury, en Faith S. Hochberg, United States Attorney; b. een gewaarmerkt afschrift van een door Anne E. Thompson, Chief, United States District Judge, te Trenton, New Jersey, gegeven Warrant for Arrest betreffende de opgeëiste persoon, inhoudende een korte aanduiding van de feiten (zonder datering); c. de tekst van de toepasselijke strafbepalingen van de desbetreffende Amerikaanse wet waarvoor uitlevering wordt verzocht en van de wetsbepalingen houdende de straf die op de feiten is gesteld; d. een foto van drie personen onder wie de opgeëiste persoon. Voorts bevinden zich bij de stukken de vertaling in het Nederlands van de hierboven onder (ii) t/m (vi) a t/m c aangeduide stukken. 3. Beoordeling van de gevoerde verweren 3.1.1. Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de bijzonderheden van de onderhavige zaak een inbreuk rechtvaardigen op het vertrouwensbeginsel dat de relatie tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden beheerst, aangezien de opgeëiste persoon het risico loopt te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op aan de opgeëiste persoon ingevolge het EVRM toekomende rechten. In het bijzonder wordt gesteld dat een plea agreement in strijd is met art. 6 EVRM. In dit verband wordt aangevoerd dat de verwachte duur van de procedure indien geen plea agreement wordt gesloten (full trial) onevenredig lang zal zijn in verhouding tot de situatie dat wel een plea agreement wordt gesloten. De opgeëiste persoon zou aldus in redelijkheid geen vrije keus hebben. Verder wordt gesteld dat gelet op de beschikbare gegevens de afdoening van de zaak, in geval van een full trial, vermoedelijk niet binnen een naar Nederlandse maatstaven redelijk te achten termijn zal plaatsvinden. Tot slot wordt betoogd dat de eventuele toepassing van de terugkeerregeling en omzettingsprocedure illusoir zal zijn, omdat de te verwachten vrijheidsstraf waarschijnlijk zodanig zal zijn dat deze reeds zal zijn ondergaan voordat terugkeer naar Nederland zal zijn geëffectueerd vanwege de procedurele complicaties en doorlooptijden. 3.1.2. Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (Trb. 1980, 111) heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika. De Hoge Raad neemt derhalve als uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren. Dat brengt mee dat evenzeer van dat vertrouwen uitgegaan moet worden bij toepassing in de Verenigde Staten van Amerika van het aldaar tot de strafprocessuele mogelijkheden behorende systeem dat een verdachte in voorkomend geval een plea agreement kan aangaan. Die mogelijkheid bestond immers ook reeds ten tijde van de bilaterale onderhandelingen die tot het onderhavige uitleveringsverdrag hebben geleid. Dit vertrouwensbeginsel kan uitzondering lijden, voor wat betreft art. 6 EVRM, indien blijkt dat de op-geëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het vermelde uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat. 3.1.3. Gelet op de door de raadsman hiervoor onder 3.1.1 gestelde omstandigheden, welke alle betrekking hebben op toekomstige gebeurtenissen waaromtrent nog niets met zekerheid is vast te stellen noch ten nadele noch ten voordele van de opgeëiste persoon, kan mede in het licht van het voorgaande niet worden gezegd, dat tussen de mogelijkheden waaruit de opgeëiste persoon zal moeten kiezen - het ondergaan van een full trial dan wel het aangaan van een plea agreement - gelet op de duur van de onderscheiden procedures en de mogelijke verschillen in uitkomst een zodanige flagrante wanverhouding bestaat, dat de opgeëiste persoon wordt gedwongen een plea agreement aan te gaan. Het verweer wordt derhalve verworpen. 3.1.4. Ten aanzien van het verweer dat, indien het tot een full trial in de Verenigde Staten van Amerika komt, er vermoedelijk geen sprake zal zijn van een berechting binnen een redelijke termijn, geldt dat dat enkele vermoeden niet dwingt tot het oordeel dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. 3.1.5. Het betoog tenslotte dat de terugkeerregeling illusoir kan blijken te zijn - gelet enerzijds op de te verwachten hoogte van de straf en anderzijds op de duur van de administratieve afhandeling van de terugkeer naar Nederland - wordt gevoerd met de kennelijke strekking dat op grond daarvan de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Dat betoog faalt, aangezien daarmee wordt miskend dat het de uitleveringsrechter niet vrijstaat bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering de vraag te betrekken of de opgeëiste persoon zal kunnen terugkeren naar Nederland teneinde aldaar de opgelegde vrijheidsstraf (verder) te ondergaan en of die terugkeer daartoe tijdig zal geschieden. 3.2.1. Verder is door de raadsman ten verwere aangevoerd dat het legaliteitsbeginsel wordt geschonden, indien de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika zou worden uitgeleverd. Nederland kan de opgeëiste persoon zelf niet vervolgen voor de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, aangezien deze feiten ten tijde van het begaan ervan niet strafbaar waren naar Nederlands recht, aldus de raadsman. 3.2.2. Met dit betoog wordt miskend dat de rechter de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft te beoordelen naar het tijdstip van de behandeling van het verzoek daartoe. In dit geval staat vast dat de feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht, inmiddels in Nederland strafbaar zijn gesteld. Derhalve faalt het betoog. 3.2.3. Voorzover het verweer tevens moet worden bezien in het verband van een te zijner tijd te nemen beslissing op een verzoek tot overdracht van de opgeëiste persoon naar Nederland teneinde hier de vrijheidsstraf (verder) te ondergaan, faalt het verweer op de door de Hoge Raad reeds in zijn te dezer zake gewezen tussenarrest van 20 mei 2003 gegeven gronden. 3.3.1. Tenslotte heeft de raadsman gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard, omdat niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 gehechte en daarvan deel uitmakende pleitnota heeft hij daartoe het volgende aangevoerd: "17. Overigens merk ik nog op dat de verdenkingen krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, aanvankelijk alleen de corrupte betaling van eigen onderdanen en van bedrijven gevestigd in de Verenigde Staten aan buitenlandse officials strafbaar stelde. Eerst sinds 1998 stelt deze wet dergelijk handelen van buitenlanders en buitenlandse bedrijven ook strafbaar. Kort en goed: hetgeen cliënt wordt verweten was ten tijde van de gedraging ook niet strafbaar in de Verenigde Staten (krachtens de FCPA)." 3.3.2. Uit de omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, blijkt dat de verdenking tegen de opgeëiste persoon bestaat ter zake van gedragingen van hem in zijn hoedanigheid van onder meer voorzitter van de raad van beheer van Saybolt North America Inc., een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde onderneming. De Foreign Corrupt Practices Act 1977 is derhalve ook op deze onderneming van toepassing. Het verweer mist dan ook feitelijke grondslag. 4. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering 4.1. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering ter strafvervolging als volgt. 4.2. De persoon die is gehoord ter zitting van 10 juni 2003 heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], de persoon op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft, en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. 4.3. De stukken voldoen aan de eisen die art. 9, tweede en derde lid, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika stellen. Ook is voldaan aan art. 18 Uitleveringswet. 4.4. De feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, zijn naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika strafbaar krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, United States Code, titel 15, art. 78DD-2 en titel 18, art. 2. Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.5. Naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar als het misdrijf van art. 177 Sr en/of het misdrijf van art. 177a Sr, in verbinding met art. 178a Sr (omkoping van buitenlandse ambtenaren). Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.6. Aan het in art. 2 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gestelde vereiste van dubbele strafbaarheid is derhalve voldaan. 5. Slotsom Aangezien de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg zouden staan, dient, gelet op het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, als volgt te worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad verklaart de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar voor de onder 2.2 bedoelde, in het verzoek onder 2 en 3 aangeduide, feiten. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 8 juli 2003. 20 mei 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/DAT Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het beroep en het middel zijn uitsluitend gericht tegen de weigering de verzochte uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de in het verzoek onder 2 en 3 genoemde feiten, te weten: - verboden buitenlandse handelspraktijken, in overtreding van titel 15, art. 78DD-2 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek; - reizen naar het buitenland en van Staat naar Staat ten behoeve van criminele ondernemingen, in overtreding van titel 18, art. 1952 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek. Namens de opgeëiste persoon is het cassatieberoep tegengesproken door mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep op grond dat de schriftuur niet is ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 2.2. Bij tussenarrest van 3 december 2002 heeft de Hoge Raad de Officier van Justitie ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Kort samengevat heeft de Hoge Raad geoordeeld: dat een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW meebrengt dat de officier van justitie in uitleveringszaken gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen, en dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak op 10 juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 2.3. De Hoge Raad gedraagt zich naar het tussenarrest. Weliswaar is nadien namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep op grond dat de uitspraak niet op 10 juni 2002, maar op 4 juni 2002 ter beschikking is gekomen, maar de juistheid van hetgeen aldus is aangevoerd kan in het midden blijven nu vaststaat dat het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank niet eerder dan eind juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen. 2.4. De Advocaat-Generaal Jörg heeft aanvullend geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en een dag zal bepalen waarop de zaak voor de Hoge Raad zal dienen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel komt met rechtsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 ontoelaatbaar dient te worden verklaard. 3.2. De Rechtbank heeft de uitlevering voor die feiten ontoelaatbaar verklaard en daartoe het volgende overwogen: "De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De Verenigde Staten van Amerika en Nederland zijn beide partij bij het op 21 maart 1983 gesloten Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. In verbinding met de exchange of letters of understanding, General Affairs Department DA2/J2-ISN-38245 No 81 van 11 juli 1991 zou dus technisch de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika ter zake van het feitencomplex sub 2 en sub 3, waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, teruglevering aan Nederland gegarandeerd kunnen worden om in Nederland tenuitvoerlegging van het gewijsde te ondergaan of verder te ondergaan. Ten tijde van de periode waarin het feitencomplex sub 2 en sub 3 volgens het uitleveringsverzoek zou zijn begaan, was dit complex als zodanig niet strafbaar naar Nederlands recht. De rechtbank zou door in casu uitlevering toe te laten, voorziend dat wegens het hierna te noemen legaliteitsbeginsel exequatur bij teruglevering in zoverre geweigerd zou moeten worden, inbreuk maken op het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht ongeclausuleerde en onvoorwaardelijk verbod tot berechting en bestraffing van iemand ter zake van feiten die ten tijde van begaan daarvan niet bij of krachtens de Nederlandse wet strafbaar waren gesteld. Immers, de opgeëiste persoon heeft, zoals overwogen, de Nederlandse nationaliteit en bij teruglevering van de opgeëiste persoon aan Nederland zou overneming en positieve erkenning van het veroordelend gewijsde een inbreuk inhouden van dit ongeclausuleerde verbod. Weliswaar kan het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 7 van het EVRM - waaraan Nederland als verdragsluitende partij gebonden is - vervatte legaliteitsbeginsel door verdragen of krachtens besluiten van volkenrechtelijke organisaties opzij worden gezet, zoals de Hoge Raad uitdrukkelijk overweegt in zijn arrest van 18 december 2001 in de zaak tegen [A] (de Hoge Raad leest: HR 18 september 2001, NJ 2002, 559), zulks op een voordracht tot cassatie in het belang der wet van een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 20 november 2000, maar in het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag is geen voorziening opgenomen waaruit deze terzijdestelling zou volgen. Derhalve staat vooralsnog vast dat aan enige veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika voor de sub 2 en 3 genoemde feiten als gekwalificeerd in het uitleveringsverzoek, bij teruglevering exequatur geweigerd zal moeten worden. De uitlevering dient mitsdien voor deze feiten op voornoemde gronden ontoelaatbaar verklaard te worden. Mochten de Verenigde Staten van Amerika slechts voornemens zijn geldboetes op te leggen, dan dient te gelden dat het te dezen toepasselijke verdrag niet voorziet in rechtshulp daartoe." 3.3. De eerste klacht van het middel, die in een aantal onderdelen uiteenvalt, is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat in geval van een veroordeling in de Verenigde Staten van Amerika ter zake van genoemde feiten het exequatur - waarmee de Rechtbank klaarblijkelijk doelt op het verlof tot tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) - geweigerd zou moeten worden. Het meest verstrekkende onderdeel van die klacht luidt dat de Rechtbank aldus ten onrechte is vooruitgelopen op de beslissing van de exequaturrechter. Dit onderdeel van de klacht treft doel. De beantwoording van de vraag of verlof dient te worden verleend tot tenuitvoerlegging van een vonnis van een buitenlandse rechter is voorbehouden aan de rechter die daaromtrent ingevolge de bepalingen van de WOTS heeft te oordelen. Het staat de uitleveringsrechter niet vrij de (te verwachten) beantwoording van die vraag bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering te betrekken. De gegrondheid van dit onderdeel van de klacht brengt mee dat de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven en de overige klachten geen bespreking behoeven. 3.4. Niettemin vindt de Hoge Raad aanleiding het middel nog te bespreken voorzover het kennelijk strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de exequaturrechter - na overdracht van de gevonniste persoon aan Nederland - het vereiste van strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht (art. 3, eerste lid onder c, WOTS) dient te beoordelen naar het moment waarop die feiten zijn gepleegd. Het middel bestrijdt dat oordeel terecht. De strekking van genoemd vereiste is immers te voorkomen dat Nederland medewerking zou moeten verlenen aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht. Voor de beantwoording van de vraag of aan dat vereiste is voldaan is daarom beslissend of de desbetreffende feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn ten tijde van de beslissing van de daartoe ingevolge de WOTS aangewezen rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging. Het verlenen door die rechter van een verlof tot tenuitvoerlegging kan niet worden aangemerkt als "berechting en bestraffing" van die feiten, zodat, anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, in geval van een dergelijk verlof ten aanzien van feiten die op het tijdstip waarop zij zijn gepleegd naar Nederlands recht nog niet strafbaar waren gesteld, van schending van het legaliteitsbeginsel geen sprake kan zijn. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998 omschreven aanklacht ontoelaatbaar is verklaard; Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 te 12:00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 mei 2003. ======================= 3 december 2002 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/SM Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De raadsvrouwe van de opgeëiste persoon, mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, heeft het cassatieberoep tegengesproken. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. In zijn verweerschrift tegen het cassatieberoep is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde beroep, aangezien de middelen niet zijn ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 3.2. Op grond van art. 31, derde lid, UW is de Officier van Justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie. 3.3. Het cassatieberoep is blijkens de daarvan opgemaakte akte ingesteld op 31 mei 2002. De schriftuur is blijkens een daarop geplaatst stempel op 9 juli 2002 bij de Hoge Raad ingekomen. De schriftuur is derhalve niet binnen de bij de wet bepaalde termijn ingediend. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter een schrijven van de Officier van Justitie van 19 juli 2002, inhoudende dat zij eerst op 10 juni 2002 kon beschikken over de uitgewerkte uitspraak. De Hoge Raad gaat uit van de juistheid van deze mededeling. Kennelijk heeft de Officier van Justitie aangenomen dat de wettelijke termijn van een maand voor het indienen van de schriftuur aanving op de datum van ontvangst van de uitgewerkte uitspraak waartegen het cassatieberoep was gericht. 3.4. In zijn beslissing van 16 april 1996, NJ 1996, 527, heeft de Hoge Raad in een strafzaak waarin het openbaar ministerie een van de kernstukken van het geding - het proces-verbaal van de terechtzitting - pas na verloop van de termijn voor het indienen van de schriftuur had ontvangen, beslist dat een redelijke toepassing van art. 433 (oud) Sv meebrengt dat die termijn pas begint te lopen na de ontvangst van het ontbrekende stuk. 3.5.1. Sedert de inwerkingtreding op 1 oktober 2000 van de wetswijziging van 28 oktober 1999, Stb. 467, is de regeling voor het indienen van de cassatieschriftuur in strafzaken neergelegd in art. 437 Sv. De termijn voor het indienen van de schriftuur van een maand vangt voor het openbaar ministerie thans aan nadat de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv aan hem is verzonden. Ook de verdachte is thans op straffe van niet-ontvankelijkheid gehouden zijn schriftuur binnen een termijn (twee maanden) nadat de aanzegging aan hem is betekend te doen indienen. 3.5.2. Voor de toepassing van art. 437 Sv heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 4 juli 2000, NJ 2000, 581, in een geval waarin de raadsman van een verdachte de kernstukken van het geding niet tijdig had ontvangen, beslist dat een dergelijk verzuim van de strafadministratie kan meebrengen dat de raadsman door de rolraadsheer (de enkelvoudige strafkamer van de Hoge Raad) desverzocht alsnog een termijn wordt gegund om een aanvullend middel in te dienen na toezending van de desbetreffende stukken voorzover kennisneming van die stukken onontbeerlijk is voor het formuleren van de middelen. Naar de stand van de huidige rechtspraak is het dan ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de officier van justitie onderscheidenlijk de verdachte een nadere termijn voor het indienen van de middelen wordt gegund en geldt niet meer de hiervoor onder 3.4 gegeven regel dat in ieder geval aanspraak kan worden gemaakt op de volle termijn vanaf de ontvangst van de kernstukken. 3.6. De te beantwoorden vraag is thans of het vorenstaande evenzeer geldt in uitleveringszaken. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. De regeling van art. 31, derde lid, UW wijkt in zoverre af van die van art. 437 Sv dat de termijn van een maand, waarbinnen de officier van justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid zijn schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad moet indienen, niet aanvangt na de verzending van een aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv, derhalve nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, maar nadat hij het beroep in cassatie heeft ingesteld. De opgeëiste persoon die beroep in cassatie instelt kan, anders dan de officier van justitie, een schriftuur indienen, en wel tot de dienende dag. 3.7. Dit verschil tussen de regeling van het Wetboek van Strafvordering en die van de Uitleveringswet heeft tot gevolg dat zaken waarin art. 437 Sv van toepassing is, reeds wel bij de Hoge Raad bekend zijn op het moment dat de termijn voor het indienen van de schriftuur begint te lopen, zodat de rolraadsheer dienaangaande in voorkomend geval kan beoordelen of er aanleiding is een nadere termijn te gunnen, terwijl de stukken van het geding in uitleveringszaken veelal nog niet bij de Hoge Raad ingekomen zijn in de fase waarin de wettelijke termijn voor het indienen van de schriftuur voor de officier van justitie loopt. De rolraadsheer zal in die gevallen dan ook niet in staat zijn een verzoek om verlenging van de termijn te beoordelen. 3.8. Gelet hierop brengt een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW mee dat de officier van justitie in uitleveringszaken, naar analogie van de hiervoor onder 3.4 weergegeven - voor strafzaken inmiddels achterhaalde - rechtspraak, gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen. 3.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 4. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat het door de Officier van Justitie ingestelde beroep in behandeling kan worden genomen. De zaak dient - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - te worden verwezen naar de rolzitting van de Hoge Raad voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel. 5. Beslissing De Hoge Raad: Verklaart de Officier van Justitie ontvankelijk in het cassatieberoep; Verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2003 voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel; Houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 december 2002.
ECLI:NL:HR:2006:AV7387
Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploot van 8 oktober 2004 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd de Staat te veroordelen om [verweerster] niet uit te leveren aan Turkije. De Staat heeft de vordering bestreden. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 8 november 2004 de Staat verboden [verweerster] aan Turkije uit te leveren. Tegen dit vonnis van de voorzieningenrechter heeft de Staat hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Verweerster] heeft (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 20 januari 2005 heeft het hof in het principaal appel het vonnis waarvan hoger beroep bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.319.144/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/635720/ KG ZA 22/869 Arrest in kort geding van 10 januari 2023 in de zaak van [appellant] , thans gedetineerd in […], appellant, advocaat: mr. L.J. Woltring, kantoorhoudend in Haarlem, tegen De Staat der Nederlanden, zetelend in Den Haag, verweerder, advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof zal partijen hierna noemen [appellant] en de Staat. 1De zaak in het kort 1.1 De Argentijnse autoriteiten hebben de uitlevering verzocht van [appellant], met het oog op zijn strafvervolging wegens verdenking van een zedenmisdrijf.

De rechtbank Noord-Holland heeft de uitlevering toelaatbaar geoordeeld, maar zij heeft de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) geadviseerd garanties te vragen van de Argentijnse autoriteiten met betrekking tot de duur van de strafprocedure en de voorlopige hechtenis. De minister heeft bepaalde toezeggingen verkregen en vervolgens de uitlevering toegestaan. [appellant] vordert in deze procedure dat zijn uitlevering wordt verboden. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. 1.2 Het hof komt in deze procedure tot hetzelfde oordeel als de voorzieningenrechter.

Naar het oordeel van het hof bestaat er, mede gelet op de toezeggingen van de Argentijnse autoriteiten, geen gegronde vrees dat [appellant] in Argentinië een onmenselijke behandeling zal ondergaan of dat de behandeling van de strafzaak tegen [appellant] niet binnen een redelijke termijn zal plaatsvinden, op grond waarvan uitlevering onrechtmatig jegens [appellant] zou zijn. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de spoedappeldagvaarding van 19 november 2022, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 4 november 2022 (hierna: het vonnis); de memorie van antwoord van de Staat van 13 december 2022. 3Feitelijke achtergrond 3.1 [appellant] is op 3 juli 2021 op Schiphol aangehouden naar aanleiding van een zogenoemde “red notice” van Argentinië, kort gezegd inhoudende dat [appellant] wordt verdacht van een zedenmisdrijf. [appellant] bezit de Amerikaanse en Italiaanse nationaliteit. 3.2 Op 6 juli 2021 is [appellant] voorgeleid bij de rechter-commissaris. [appellant] heeft daarbij verklaard onschuldig te zijn.

De rechter-commissaris heeft vervolgens bevel gegeven [appellant] voor 60 dagen in bewaring te stellen. 3.3 Op 2 september 2021 heeft Argentinië om de uitlevering van [appellant] gevraagd. [appellant] is daarop in uitleveringsdetentie gehouden. 3.4 De meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland heeft bij uitspraak van 10 december 2021 de uitlevering toelaatbaar geoordeeld. De voorzitter van de meervoudige strafkamer heeft deze uitspraak bij brief van 10 december 2021 aan de minister gestuurd. In die brief is de volgende passage opgenomen:

“Hierbij mogen wij u adviseren om garanties te vragen bij de Argentijnse autoriteiten, zodanig dat de strafprocedure binnen een redelijke termijn kan worden afgerond en dat de opgeëiste persoon niet langer dan strikt noodzakelijk in voorlopige hechtenis zal verblijven”. 3.5 De minister heeft vervolgens bij het ministerie van Buitenlandse Zaken informatie gevraagd over de detentieomstandigheden in Argentinië, specifiek voor personen verdacht van een zedenmisdrijf, en over de naleving van het recht op een proces binnen een redelijke termijn in Argentinië.

Deze informatie is op 1 februari 2022 ontvangen. In deze informatie is, samengevat, onder meer te lezen dat Argentinië meerdere systemen van gevangenisbeheer kent, een federaal systeem en een aantal provinciale systemen. De omstandigheden in de diverse gevangenissen lopen sterk uiteen, en worden in bepaalde gevallen als zeer slecht bestempeld. Verder kent de Argentijnse wet een voorziening voor de maximale duur van de voorlopige hechtenis, die is gesteld op twee jaar, met de mogelijkheid van verlenging tot drie jaar. 3.6 Bij brief van 22 februari 2022 heeft de minister de Argentijnse autoriteiten gevraagd naar informatie over de plaats waar [appellant] gedetineerd zal worden, alsmede de garantie dat het voorarrest, behoudens de mogelijkheid van verlenging, niet langer zal duren dan twee jaar, en dat de tijd die [appellant] in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht van een eventueel op te leggen straf zal worden afgetrokken. 3.7 Bij diplomatieke nota van 6 mei 2022 hebben de Argentijnse autoriteiten onder meer geantwoord dat [appellant] tijdens het voorarrest geplaatst zou kunnen worden in een strafinrichting in […].

In de nota staat verder dat het aan de rechter is om, met inachtneming van de Argentijnse wet, de duur van de straf en de wijze waarop het voorarrest daarin wordt verrekend, te bepalen. 3.8 Bij brief van 13 juni 2022 heeft de minister de Argentijnse autoriteiten gevraagd om concrete garanties wat betreft de detentieplaats en de veiligheid van [appellant] tijdens de detentie. Hierop is bij diplomatieke nota van 12 augustus 2022 gereageerd. In deze nota worden de volgende toezeggingen gedaan. [appellant] zal worden geplaatst in de gevangenis in […], in een paviljoen waarin uitsluitend verdachten en veroordeelden van zedenmisdrijven verblijven.

Hij zal worden ondergebracht in een éénpersoons cel van minimaal 7,5 m², waar hij door diplomatiek personeel kan worden bezocht. 3.9 Bij beschikking van 7 september 2022 heeft de minister, onder verwijzing naar het uitleveringsverdrag tussen Nederland en Argentinië, de uitlevering van [appellant] aan Argentinië toegestaan. 4Procedure bij de rechtbank 4.1 [appellant] heeft de Staat gedagvaard en gevorderd, zakelijk weergegeven, dat het de Staat wordt verboden om [appellant] uit te leveren aan Argentinië, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

De Staat heeft verweer gevoerd. 4.2 De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen en [appellant] in de kosten veroordeeld. De overwegingen van de voorzieningenrechter kunnen als volgt worden samengevat. De voorzieningenrechter heeft eerst onderzocht of [appellant] een reëel gevaar loopt om in Argentinië een onmenselijke of vernederende behandeling te ondergaan, in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Mede gelet op de specifieke toezegging van de Argentijnse autoriteiten met betrekking tot de detentieomstandigheden van [appellant], is het risico dat [appellant] loopt om tijdens zijn detentie in Argentinië een onmenselijke of vernederende behandeling te ondergaan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zodanig dat uitlevering om die reden onrechtmatig moet worden geacht.

Verder oordeelt de voorzieningenrechter dat, gezien het feit dat de Argentijnse wet zowel een bepaling inzake de maximale duur van het voorarrest als een regeling voor overschrijding van die duur kent, uitlevering evenmin onrechtmatig is vanwege een gegronde vrees voor schending van het recht van [appellant] op berechting binnen een redelijke termijn ingevolge artikel 6 EVRM. 5Vordering in hoger beroep 5.1 [appellant] is in hoger beroep gekomen omdat hij het niet eens is met het vonnis. Hij heeft één grief tegen het vonnis aangevoerd. [appellant] vordert hetzelfde als bij de voorzieningenrechter. 5.2 De Staat voert verweer en concludeert tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, inclusief nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente 6Beoordeling in hoger beroep 6.1 Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat het enkele feit dat de Staat zich volgens het uitleveringsverdrag tussen Nederland en Argentinië tot uitlevering heeft verplicht, de bevoegdheid van de Nederlandse rechter onverlet laat om te beoordelen of de Staat met die uitlevering inbreuk maakt op het EVRM, en daarmee onrechtmatig handelt (Hoge Raad 30 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD7494, NJ 1991/249).

Verder neemt het hof als uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat gebaseerd is op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM zal respecteren. Op dat vertrouwensbeginsel kan, wat betreft artikel 6 EVRM een uitzondering worden gemaakt indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een ernstige (flagrante) inbreuk op zijn rechten ingevolge dat artikel (vgl. onder meer Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

Daarnaast kan uitlevering een schending van art. 3 EVRM opleveren indien de uitgeleverde persoon een reëel gevaar loopt om in het ontvangende land gefolterd te worden of anderszins een onmenselijke of vernederende behandeling te ondergaan (Hoge Raad 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387). 6.2 Volgens [appellant] heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de Argentijnse autoriteiten voldoende garanties hebben gegeven dat zijn rechten tijdens zijn detentie in Argentinië zullen worden gewaarborgd, en dat zijn vervolging en berechting in Argentinië binnen een redelijke termijn zal plaatsvinden.

Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [appellant] naar publicaties van onafhankelijke instanties waaruit volgt dat in Argentinië op grote schaal sprake is van marteling en onnodig lange strafrechtelijke procedures. Verder merkt [appellant] op dat geen garantie is gegeven dat de tijd die hij in Nederland in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht, van een eventueel op te leggen straf zal worden afgetrokken. 6.3 Het hof overweegt als volgt. 6.4 De stelling van [appellant] dat zijn belangen tijdens zijn detentie in Argentinië onvoldoende zijn gewaarborgd, is gebaseerd op publicaties over de detentieomstandigheden in Argentinië in het algemeen.

In het geval van [appellant] heeft de Staat na aandringen de concrete toezegging verkregen van de Argentijnse autoriteiten dat [appellant] zal worden geplaatst in de gevangenis in […], in een paviljoen met uitsluitend verdachten van zedenmisdrijven, en in een éénpersoons cel van minimaal 7,5 m² waar hij door diplomatiek personeel kan worden bezocht. Naar het oordeel van het hof is deze toezegging voldoende concreet om te kunnen concluderen dat er geen sprake is van een reëel gevaar dat inbreuk zal worden gemaakt op de rechten van [appellant] ingevolge artikel 3 EVRM, zodat dit niet aan uitlevering in de weg staat.

Door gebruik te maken van de mogelijkheid om [appellant] in de gevangenis in […] door diplomatiek personeel te laten bezoeken, zal de Staat zich er van kunnen verzekeren dat de Argentijnse autoriteiten deze toezegging naleven. 6.5 Wat betreft de duur van de strafrechtelijke procedure in Argentinië heeft de Staat kunnen vertrouwen op de mededeling van de Argentijnse autoriteiten dat de Argentijnse wet een voorziening kent voor de maximale duur van de voorlopige hechtenis, die is gesteld op twee jaar, met de mogelijkheid van verlenging tot drie jaar, en dat de Argentijnse wet bepalingen bevat die zien op de aftrek van voorarrest, waarbij elke dag overschrijding van de maximumduur telt als twee dagen gevangenisstraf.

Van de Staat kan niet worden verlangd dat zij op voorhand concrete garanties eist ten aanzien van de duur van de strafrechtelijke procedure en de aftrek van voorarrest in het geval van [appellant]. De duur van de strafrechtelijke procedure en de aftrek van voorarrest worden immers bepaald door de strafrechter in Argentinië. Die beslist ook over de aftrek van de tijd die [appellant] in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht. Tegenover deze voorzieningen in de Argentijnse wet stelt [appellant] een aantal algemene publicaties met informatie over de duur van de strafrechtelijke procedure in Argentinië.

Daaruit blijkt onvoldoende dat [appellant] zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een ernstige (flagrante) inbreuk op zijn rechten ingevolge artikel 6 EVRM dat in zijn geval een uitzondering op het vertrouwensbeginsel genoemd onder 6.1 van dit arrest moet worden gemaakt. Conclusie en proceskosten 6.6 De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. 7Beslissing Het hof: - bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 4 november 2022; - veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 783,- aan griffierecht en € 1.114,- aan salaris voor de advocaat, en op € 163,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 85,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 85,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen; - verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, M.A.F Tan-de Sonnaville en E. Bauw en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2023 in aanwezigheid van de griffier.