Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHDHA:2023:1235 ECLI:NL:GHDHA:2023:1235 AI generated

ECLI:NL:GHDHA:2023:1235 · Gerechtshof Den Haag

Case Number ECLI:NL:GHDHA:2023:1235
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-22/00579 Uitspraak van 17 mei 2023 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: G. Gieben) en de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, de Heffingsambtenaar, ( […] ) en de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 19 mei 2022, ROT 20/4364. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft ten aanzien van belanghebbende bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2019 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op € 4.485.000 (de beschikking).

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:GHDHA:2023:1235 · Gerechtshof Den Haag: Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder: ”5 3. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die eraan moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom ervan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet WOZ blijkt dat de WOZ-waarde gelijk dient te zijn aan de prijs die de meest biedende koper betaalt na de meest geschikte voorbereiding.

Keywords

AI generated
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1996:AA1799
Naar de bedoeling van de wetgever is de gecorrigeerde vervangingswaarde van een onroerende zaak de waarde die de zaak in economische zin voor haar eigenaar heeft (zie bijvoorbeeld Hoge Raad van 5 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1799, ECLI:NL:HR:1996:AA1799).
ECLI:NL:HR:2005:AU4300
Beschikkingen, bezwaar en geding voor het Hof Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikkingen de waarde van 733 in Q gelegen onroerende zaken, voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 vastgesteld.
ECLI:NL:GHDHA:2022:496
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-21/00284 Uitspraak van 8 maart 2022 in het geding tussen: [X] B.V.
ECLI:NL:GHSHE:2020:4097
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 20/00125 Uitspraak op het hoger beroep van Stichting [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 26 maart 2018, nummer AWB 17/3967, in het geding tussen belanghebbende, en de heffingsambtenaar van het gemeentelijk belastingkantoor [de heffingsambtenaar] , hierna: de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven en daarbij de waarde van [adres] in [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld (hierna: de WOZ‑beschikking). Tegelijk met de WOZ-beschikking is de aanslag onroerende zaakbelasting eigenaar (hierna: de aanslag) vastgesteld. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. 1.3. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.5. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Bij uitspraak van 2 juli 2019 (hierna: de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de uitspraak van de rechtbank bevestigd. 1.6. De uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is op het beroep in cassatie van belanghebbende, bij arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2020 (hierna: het verwijzingsarrest) vernietigd en verwezen naar het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof). 1.7. De heffingsambtenaar heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld door het hof, bij brief van 27 maart 2020 een conclusie op het verwijzingsarrest ingediend. Belanghebbende is door het hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het verwijzingsarrest en op de conclusie van de heffingsambtenaar. Belanghebbende heeft dit gedaan bij conclusie van 22 april 2020. 1.8. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar. 1.9. De zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2020. Aan deze zitting hebben deelgenomen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende en [taxateur] (taxateur) en [heffingsambtenaar 2] namens de heffingsambtenaar. 1.10. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.11. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 2Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, gelegen aan de [adres] in [vestigingsplaats] . 2.2. De onroerende zaak betreft een sportcomplex met kantine, tribune, kleedruimten, kassagebouw, koffiegebouw, opslagruimte, voetbalvelden van gras en kunstgras en overige infrastructuur. Het bouwjaar van de oudste onderdelen van de onroerende zaak is 1968. De kantine is in 1981 gebouwd en in 1990 uitgebreid. Een deel van de kleedruimten dateert uit 1968 en een deel uit 2002. De opslagruimten zijn in 2002 en 2016 gebouwd. Op het terrein zijn vier voetbalvelden aanwezig. De grasvelden dateren uit 1968, de kunstgrasvelden uit 2009 respectievelijk 2014. 2.3. De totale oppervlakte van de onroerende zaak is 44.962 m². 2.4. De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2016 (hierna: de waardepeildatum) vastgesteld op € 1.480.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd 2.5. De heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van de beschikte waarde naar een taxatierapport van 24 januari 2018, opgemaakt door [taxateur] (hierna: het rapport [taxateur] ). De onroerende zaak is door [taxateur] op 2 november 2015 inpandig en op 24 januari 2018 uitpandig opgenomen. In het rapport [taxateur] wordt de waarde van de onroerende zaak getaxeerd op € 1.513.613 (afgerond € 1.510.000). 2.6. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van de door haar verdedigde waarde naar een taxatierapport van 3 augustus 2017, opgemaakt door [A] (hierna: het rapport [A] ). Het rapport [A] bevat enkele foto’s van de onroerende zaak en een matrix. In het rapport [A] is de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 1.349.000 en staat onder andere het volgende: “- Een pand heeft in het algemeen na de initieel bepaalde (technische) levensduur zijn restwaarde bereikt. Zulks kan anders zijn indien tussentijds een ingrijpende verbouwing of renovatie heeft plaatsgevonden. Alleen in die gevallen kan er gesproken worden over een levensduurverlenging (ECLI:NL:GHAMS:2001:AA9410 en ECLI:NL:GHAMS:2015:5017). - Bij de waardebepaling is uitgegaan van een te lange levensduur. Rekening houdend met bovenstaande zijn in de waardering de onderstaande objectonderdelen gewaardeerd op de restwaarde: - kantine 1981: afbouw en installaties - kantine 1990: installaties, afbouw heeft nog een restlevensduur van 4 jaar - was/kleedruimte 1968: afbouw en installaties, ruwbouw heeft nog een restlevensduur van 2 jaar - tribune 1972: ruwbouw, afbouw en installaties - voetbalvelden gras 1968: ruwbouw - lichtmast 1981: installaties - lichtmast 1968: installaties, ruwbouw heeft nog een restlevensduur van 2 jaar - berging/schuur 1981: afbouw en installaties - berging/schuur 1968: afbouw en installaties, ruwbouw heeft nog een restlevensduur van 2 jaar”. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. In geschil is of de waarde van de onroerende zaak door de heffingsambtenaar op een te hoog bedrag is vastgesteld. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vermindering van de WOZ-waarde tot € 1.349.000 en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat: - de WOZ-waarde moet worden bepaald aan de hand van de gecorrigeerde vervangingswaarde; - moet worden uitgegaan van de Taxatiewijzer Sport; - de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van asbest in de tribune. 4Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Ingevolge artikel 17, lid 2, Wet WOZ, wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (de waarde in het economische verkeer). 4.2. Ingevolge artikel 17, lid 3, Wet WOZ, wordt – voor zover van belang – in afwijking in zoverre van het tweede lid de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, bepaald op de vervangingswaarde, indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met de aard en de bestemming van de onroerende zaak en met de sedert de stichting van de onroerende zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. 4.3. Artikel 4, lid 2, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ luidt: “De vervangingswaarde, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de wet, wordt berekend door bij de waarde van de grond van de onroerende zaak op te tellen de waarde van de opstal van de onroerende zaak. De waarde van de grond wordt bepaald door middel van een methode van vergelijking als bedoeld in het eerste lid, onder a, rekening houdend met de bestemming van de zaak. De waarde van de opstal wordt gesteld op de kosten die herbouw van een vervangend identiek object zouden vergen, gecorrigeerd met een factor wegens technische veroudering gebaseerd op de verstreken en de resterende gebruiksduur en met inachtneming van de restwaarde, en gecorrigeerd met een factor wegens functionele veroudering gebaseerd op economische veroudering, verouderde bouwwijze, ondoelmatigheid en excessieve gebruikskosten.”. 4.4. In de parlementaire geschiedenis wordt over de gecorrigeerde vervangingswaarde en de correctie wegens technische veroudering het volgende opmerkt: “Onder gecorrigeerde vervangingswaarde dient te worden verstaan het offer dat nodig is om een object weer in dezelfde staat aan te schaffen of te vervaardigen, gecorrigeerd met een afschrijving wegens technische en functionele veroudering en rekening houdend met de aard en bestemming van het object. De correctie wegens technische veroudering vindt plaats op grond van de verwachte levensduur van het object en de residuwaarde die het object aan het einde van die levensduur zal hebben. Afhankelijk van een waardedaling ten gevolge van technische veroudering met een meer of minder gelijkmatig verloop, kan afschrijving plaatsvinden volgens methoden die voor het desbetreffende object het meest geëigend zijn. De afschrijving wegens functionele veroudering dient in ruime zin te worden verstaan. Hieronder valt al datgene wat men in het algemeen 'economische veroudering' noemt. Voor een nadere uiteenzetting over de functionele veroudering wordt verwezen naar Kamerstukken I 1982/83, 17 653, nr. 63a, p. 4. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met de technische en functionele veroudering van de zaak, welke is opgetreden sedert de stichting. De invloed van latere wijzigingen wordt mede in aanmerking genomen. Dit houdt in dat, indien door wijzigingen van de onroerende zaak de te verwachten levensduur een verlenging dan wel een verkorting ondergaat, daarmee bij de bepaling van de afschrijving rekening wordt gehouden. De mate waarin afschrijving plaatsvindt is dus niet slechts afhankelijk van een gemiddelde waardedaling per jaar op basis van de restwaarde zoals deze verondersteld werd bij de stichting van het object, maar tevens van eventuele bouwtechnische problemen dan wel verbeteringen en vernieuwingen welke zich later met betrekking tot het object voordoen.”. Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 36, p. 44. 4.5. Het verwijzingsarrest vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende: “2.1.2 Voor het Hof was in geschil of de gecorrigeerde vervangingswaarde als bedoeld in artikel 17, lid 3, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) van het complex per 1 januari 2016 (hierna: de peildatum), moet worden gesteld op de restwaarde. 2.2.1 Het Hof heeft als volgt geoordeeld. De gecorrigeerde vervangingswaarde gaat voor de correctie voor de technische veroudering uit van handhaving van de aard en de bestemming van de onroerende zaak die de eigenaar/gebruiker daaraan heeft gegeven. Wanneer de eigenaar/gebruiker niet langer de onroerende zaak naar zijn aard en bestemming kan gebruiken, levert deze voor hem geen nut meer op. Op dat moment eindigt de levensduur die relevant is voor het bepalen van de correctie wegens technische veroudering. De levensduur bij toepassing van de gecorrigeerde vervangingswaarde moet daarom op de peildatum worden bepaald op de periode dat de onroerende zaak nog gebruikt kan worden in overeenstemming met de aard en de bestemming die de eigenaar/gebruiker daaraan heeft gegeven, aldus het Hof. 2.2.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar terecht een lagere correctie voor de technische veroudering heeft toegepast dan uit de taxatiewijzer voortvloeit waardoor de waarde van het complex hoger uitkomt dan de restwaarde. Daarbij heeft het Hof onder meer acht geslagen op het bepaalde in de Taxatiewijzer Algemeen, de omstandigheid dat de taxateur de onroerende zaak in- en uitpandig heeft opgenomen en de ter zitting van het Hof getoonde foto’s van de kantine. 2.3.1 De klachten richt zich tegen het in 2.2.1 vermelde oordeel van het Hof. Zij betogen dat het Hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat een onroerende zaak pas zijn restwaarde bereikt als die zaak niet meer als zodanig in gebruik is bij, en daardoor geen nut meer heeft voor, de eigenaar/gebruiker. De restwaarde is de waarde die de opstal heeft als die opstal nog (net) wordt gebruikt, maar dat wil niet zeggen dat het gebruik dan direct beëindigd dient te worden. De restwaarde in de taxatiewijzers is juist in het leven geroepen om een object te taxeren dat volledig is afgeschreven maar nog wel in gebruik is, aldus de klachten. 2.3.2 Het Hof heeft bij zijn oordeel terecht tot uitgangspunt genomen dat de gecorrigeerde vervangingswaarde is de waarde die de onroerende zaak voor de eigenaar/gebruiker in economisch opzicht heeft en dat deze waarde wordt gevonden door uit te gaan van de veronderstelling dat voor die zaak een markt zou zijn waarop de eigenaar/gebruiker niet alleen als verkoper zou opereren maar tevens als koper die de zaak zou willen verwerven met handhaving van aard en bestemming ervan1. 2.3.3 Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 273, lid 4, Gemeentewet, de voorganger van het huidige artikel 17, lid 3, Wet WOZ, blijkt dat voor de correctie wegens technische veroudering gekeken wordt naar de levensduur van de onroerende zaak en de restwaarde die deze zaak bij het einde van die levensduur zal hebben. Deze elementen vormen in feite de basis voor de technische afschrijving. Indien de eigenaar van een incourante onroerende zaak een juiste basis voor de afschrijving heeft gehanteerd, zou de afschrijving dan ook overeen moeten komen met de correctie wegens technische veroudering².In die parlementaire geschiedenis is geen steun te vinden voor de opvatting dat de restwaarde van een onroerende zaak niet kan worden bereikt zolang dat object nog in gebruik is bij de eigenaar/gebruiker en dezelfde functie als daarvoor vervult. Die uitleg ligt ook niet voor de hand. De gecorrigeerde vervangingswaarde strekt er toe de waarde zodanig vast te stellen dat niet meer wordt belast dan het bedrag waarvoor de eigenaar een zaak zou kunnen verwerven die voor hem hetzelfde nut oplevert als de te waarderen zaak.³ Dat sluit een waardering op restwaarde niet uit. 2.3.4 Hetgeen in 2.3.3 is overwogen neemt niet weg dat er aanleiding kan zijn voor een aanpassing van de technische afschrijving of van de restwaarde van een onroerende zaak, bijvoorbeeld indien achteraf blijkt dat de daarvoor eerder gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn. 2.3.5 Het Hof heeft zijn oordeel dat niet van de restwaarde van (onderdelen van) het complex kan worden uitgegaan, kennelijk gebaseerd op het uitgangspunt dat die restwaarde niet kan zijn bereikt omdat het complex nog als [sportcomplex] in gebruik is. Zoals volgt uit hetgeen in 2.3.3 is overwogen berust dat uitgangspunt op een onjuiste rechtsopvatting. (…) ------------------------------------------------------------------------------------------------------ 1 vgl HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1818. 2 Kamerstukken I, 1982-1983, 17 653, nr. 63a, blz. 3. 3 zie HR 5 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5433.” 4.6. Op 23 oktober 2020 heeft de Hoge Raad wederom een arrest gewezen over de correctie voor de technische veroudering en het verlengen van de technische levensduur: “2.2.2. Het Hof heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 20151, geoordeeld dat de bewijslast ter zake van de stelling dat sprake is van technische veroudering van de installaties op belanghebbende rust. (…) 2.3.2. Het middel wordt terecht voorgesteld. Op grond van artikel 17, lid 3, Wet WOZ wordt bij de berekening van de vervangingswaarde onder andere rekening gehouden met de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering. Artikel 4, lid 2, Uitvoeringsregeling Wet WOZ bepaalt dat de technische veroudering is gebaseerd op de verstreken en resterende gebruiksduur en de restwaarde van de onroerende zaak. Aangezien de onroerende zaak en daarvan onderdeel uitmakende installaties op de waardepeildatum ongeveer 19 jaar oud waren, vloeit uit het systeem van de wet voort dat bij het bepalen van de vervangingswaarde rekening gehouden moet worden met technische afschrijving. Ten aanzien van deze technische afschrijving gelden de normale regels omtrent stelplicht en bewijslast.² Het in 2.2.2 gegeven oordeel van het Hof berust daarom op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel kan echter niet tot cassatie leiden op grond van hetgeen hierna in 2.4.3 en 2.4.4 is overwogen. 2.4.1. Het tweede middel richt zich tegen de in 2.2.3 en 2.2.4 vermelde oordelen van het Hof. De omstandigheid dat de geschatte levensduur van de installaties wordt verlengd, heeft niet tot gevolg dat de restwaarde van de onroerende zaak in een later jaar dan op de initieel ingeschatte levensduur zal worden bereikt, aldus het middel. 2.4.2. Voor de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak is aangesloten bij de Taxatiewijzer, net zoals het geval was in de zaak die is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2020³ (hierna: het arrest van 31 januari 2020). In de Taxatiewijzer zijn richtsnoeren gegeven die als uitgangspunt kunnen dienen, en in dit geval ook hebben gediend, bij de vaststelling van de vervangingswaarde van in die Taxatiewijzer bedoelde onroerende zaken. Die richtsnoeren zien onder meer op de afschrijving voor technische veroudering en de restwaarde. 2.4.3. Zoals is overwogen in het arrest van 31 januari 2020 is het niet uitgesloten dat de aan de hand van een Taxatiewijzer bepaalde restwaarde van een onroerende zaak (of een onderdeel ervan) wordt bereikt terwijl de onroerende zaak nog in gebruik is bij de eigenaar/gebruiker en dezelfde functie als daarvoor blijft vervullen. Die omstandigheid kan aanleiding geven om bij de bepaling van de technische afschrijving en/of de restwaarde af te wijken van die Taxatiewijzer, ook als partijen de richtsnoeren van die Taxatiewijzer als uitgangspunt voor de waardering hebben aanvaard. Degene die aanspraak maakt op een zodanige afwijking moet de gronden daarvoor stellen en bij betwisting aannemelijk maken. 2.4.4. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat de heffingsambtenaar in dit geval aannemelijk heeft gemaakt dat en in hoeverre het voortgezette gebruik van de onroerende zaak aanleiding was voor een aanpassing van de technische afschrijving en van de restwaarde van de installaties ten opzichte van de daarvoor gegeven richtsnoeren in de Taxatiewijzer. Dit oordeel geeft geen blijk van miskenning van het hiervoor overwogene. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het tweede middel faalt daarom.”. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ 1 ECLI:NL:HR:2015:1818. 2 Vgl. Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300. 3 ECLI:NL:HR:2020:169. 4.7. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat als gevolg van een verlenging van de technische levensduur van de onroerende zaak de restwaarde pas later wordt bereikt. De heffingsambtenaar heeft daarmee volgens belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de beschikte waarde niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. 4.8. De bewijslast met betrekking tot de in 4.2 bedoelde waarde rust op de heffingsambtenaar. Ten aanzien van de correctie voor de technische veroudering gelden de normale regels van stelplicht en bewijslast. Dat betekent dat de heffingsambtenaar tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende aannemelijk dient te maken dat en in hoeverre er aanleiding bestaat voor een aanpassing van de correctie voor technische veroudering ten opzichte van de daarvoor gegeven richtsnoeren in de Taxatiewijzer Sport, die als uitgangspunt hebben gediend. 4.9. In het rapport [taxateur] is de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum vastgesteld op € 1.510.000. Die waarde is als volgt opgebouwd: Bij de onderdelen met de volgnummers 8, 25, 30, 31 34, 45, 47 en 48 is de technische levensduur door de heffingsambtenaar niet verlengd. Ten aanzien van de kunstgrasvelden (volgnummers 8 en 31) geldt bovendien dat belanghebbende daar in haar taxatierapport een hogere waarde aan toekent dan de heffingsambtenaar. De waarde die aan de hiervoor genoemde onderdelen wordt toegekend, staat tussen partijen niet ter discussie. Dat geldt eveneens voor de sportvelden van gras (volgnummers 20 en 46). Bij die sportvelden is de technische levensduur wél verlengd, maar is tussen partijen niet in geschil dat er investeringen hebben plaatsgevonden. Ook de waarde die in het rapport [taxateur] aan het kleedgebouw met volgnummer 13 wordt toegekend, is tussen partijen niet in geschil. Belanghebbende heeft tijdens de zitting verklaard dat de waarde die de heffingsambtenaar aan dit kleedgebouw heeft toegekend nauwelijks afwijkt van de waarde die in het taxatierapport van belanghebbende aan dat kleedgebouw is toegekend. 4.10. Voor de overige onderdelen van de onroerende zaak geldt dat belanghebbende bestrijdt dat als gevolg van de verlenging van de technische levensduur de restwaarde later wordt bereikt. De heffingsambtenaar verwijst voor de onderbouwing van zijn standpunt naar de omstandigheid dat die onderdelen van de onroerende zaak nog steeds worden gebruikt. Voor de kantine met volgnummer 4 verwijst de heffingsambtenaar daarnaast nog op gedane investeringen. Die investeringen betreffen (i) het plaatsen van een nieuw keukenblok met een waarde van € 5.685 in 2014 of 2015, (ii) een vervanging van het tegelwerk en sanitair in 2015 voor een onbekend bedrag en (iii) het plaatsen van een aanbouw in 2016. 4.11. Ten aanzien van het rapport [taxateur] overweegt het hof als volgt. Bouwkundige verbeteringen of vernieuwingen kunnen aanleiding vormen voor een verlenging van de technische levensduur en voor aanpassing van de restwaarde en het tijdstip waarop die wordt bereikt. Ook in het geval dat de aanvankelijk bepaalde technische levensduur achteraf bezien onjuist is ingeschat, zijn die aanpassingen mogelijk. De heffingsambtenaar heeft in de onderhavige zaak voor de aanvankelijk bepaalde technische levensduur en voor de gehanteerde restwaarde gebruik gemaakt van de Taxatiewijzer Sport. Het voortdurende gebruik van de onroerende zaak door belanghebbende in dezelfde functie sluit niet uit dat de restwaarde van de onroerende zaak wordt bereikt, maar kan ook aanleiding vormen om bij het bepalen van de technische afschrijving en/of restwaarde af te wijken van de uitgangspunten in de Taxatiewijzer. De heffingsambtenaar dient dan wel aannemelijk te maken dat een afwijking gerechtvaardigd is. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar daar niet in is geslaagd. De technische levensduur van de kantine met volgnummer 4 is voor de ruwbouw verlengd van 40 naar 45 jaar, voor de afbouw van 25 naar 40 jaar en voor de installaties van 17 naar 40 jaar. De door de heffingsambtenaar genoemde aanpassingen (zie 4.10) acht het hof van onvoldoende gewicht voor de verlenging van de technische levensduur die de heffingsambtenaar hanteert. De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vernieuwing van het keukenblok en de toiletten niet behoort tot het normale onderhoud en een bouwkundige verbetering of vernieuwing vormt. De aanbouw uit 2016 is door de heffingsambtenaar als apart onderdeel gewaardeerd (volgnummer 48) zodat de waardevermeerdering die daar van uitgaat al in aanmerking is genomen bij de waardering van de onroerende zaak. Dat deze aanbouw daarnaast voor het oudere gedeelte van de kantine tot gevolg heeft dat de restwaarde later wordt bereikt maakt de heffingsambtenaar niet aannemelijk. Voor de kantine en de overige in geschil zijnde onderdelen van de onroerende zaak beroept de heffingsambtenaar zich (daarnaast) op het voortdurende gebruik in dezelfde functie. Naar het oordeel van het hof maakt de heffingsambtenaar, gelet op het verwijzingsarrest, met de verwijzing naar die omstandigheid niet aannemelijk dat de restwaarde voor die onderdelen later wordt bereikt.. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking de toestand van de onroerende zaak die volgt uit de tot de gedingstukken behorende foto’s. Daarop is (onder meer) te zien dat kantine, de tribune en de kleedkamers gedateerd zijn. Het hof leidt uit de foto’s af dat de onroerende zaak verouderd is. Het hof is daarom van oordeel dat het rapport [taxateur] niet kan worden gebruikt ter ondersteuning van de getaxeerde waarde. Aangezien door de in het rapport [taxateur] aangebrachte aanpassingen van de levensduur de waarde meer dan € 30.000 te hoog is getaxeerd, kan het rapport [taxateur] ook niet dienen ter ondersteuning van de beschikte waarde. 4.12. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van de door haar bepleite waarde naar het rapport [A] . In het rapport [A] is aan de twee sportvelden van gras een waarde toegekend die ongeveer € 32.000 lager is dan de waarde die in het rapport [taxateur] aan die sportvelden is toegekend. Tussen partijen is niet in geschil dat er investeringen in die velden hebben plaatsgevonden. Belanghebbende heeft bevestigd dat de verlenging van de technische levensduur door de heffingsambtenaar en daarmee ook waarde die de heffingsambtenaar aan die sportvelden toekent, niet in geschil is. De heffingsambtenaar bestrijdt het taxatierapport van belanghebbende ook op diverse andere punten. Belanghebbende maakt tegenover die betwisting de door haar bepleite waarde niet aannemelijk. 4.13. Aangezien beide partijen de door hen bepleite waarde niet aannemelijk hebben gemaakt, zal het hof de waarde van de onroerende zaak in goede justitie vaststellen. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangedragen, stelt het hof de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum in goede justitie vast op € 1.450.000. Tussenconclusie 4.14. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.15. De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betaalde griffierecht van € 333 respectievelijk € 508 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar worden vernietigd. Ten aanzien van de kosten van het bezwaar en de proceskosten 4.16. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar afgewezen. De kosten van bezwaar dienen alleen te worden vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is. Die onrechtmatigheid bestaat in dit geval uit een onjuiste waardebepaling. Het hof veroordeelt daarom de heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. 4.17. Het hof stelt de kosten van bezwaar op 2 (punten) x € 261 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 522. Het hof acht de zaak, anders dan belanghebbende heeft gesteld, niet dermate bewerkelijk dat het gewicht ervan hoger is dan gemiddeld. Het bedrag van € 522 wordt vermeerderd met € 17,50 voor kadastrale uittreksels. De totale vergoeding voor de kosten van het bezwaar bedraagt daarmee € 539,50. 4.18. Verder veroordeelt het hof de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep. 4.19. Het hof stelt de tegemoetkoming voor de behandeling van het beroep op 2 (punten) x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 1.050. Dit bedrag wordt vermeerderd met de vergoeding van de kosten van het taxatierapport van belanghebbende. Gelet op de door belanghebbende overgelegde factuur stelt het hof deze vergoeding vast op 6 (uur) x € 65 (uurtarief) is € 390. 4.20. Het hof stelt de tegemoetkoming voor de behandeling van het hoger beroep op 3,5 (punten) x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 1.837,50. 5Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank; verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; wijzigt de WOZ-beschikking en stelt de waarde van de onroerende zaak op € 1.450.000; vermindert de aanslag dienovereenkomstig; bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep van € 841 vergoedt; veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het bezwaar van € 539,50; veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank, het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en het hof van € 3.277,50. Aldus gedaan op 31 december 2020 door M.M. de Werd, voorzitter, P.C. van der Vegt en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op 12 januari 2021 aangetekend aan partijen verzonden. De uitspraak is alleen ondertekend door de voorzitter, aangezien de griffier verhinderd is. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5413. Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:169. Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671. Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671. Proces-verbaal zitting Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden p. 2 en 3 en de verklaring van de gemachtigde ter zitting 26 november 2020. Vgl. het verwijzingsarrest en Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671. Artikel 7:15, lid 2, Algemene wet bestuursrecht. 1 punt voor bezwaarschrift en 1 punt voor het horen in bezwaar, zie Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit). 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie het Besluit. 1 punt voor beroepschrift in hoger beroep, 2 punten voor het verschijnen op de zittingen en 0,5 punt voor de conclusie na verwijzing (schriftelijke zienswijze), zie het Besluit.
ECLI:NL:HR:2020:169
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/03803 Datum 31 januari 2020 ARREST in de zaak van STICHTING [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente DRUTEN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juli 2019, nr. 18/00369, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/3967) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Druten voor het jaar 2017 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Q] . De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2020:1671
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/05580 Datum 23 oktober 2020 ARREST in de zaak van STICHTING [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 oktober 2019, nr. 18/00560, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 17/5769) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Ede voor het jaar 2017 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Q]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-22/00579 Uitspraak van 17 mei 2023 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: G. Gieben) en de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, de Heffingsambtenaar, ( […] ) en de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 19 mei 2022, ROT 20/4364. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft ten aanzien van belanghebbende bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2019 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op € 4.485.000 (de beschikking).

Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelasting van de gemeente [woonplaats] (de aanslag). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bij bezwaarschrift van 16 maart 2020, ontvangen op 1 april 2020, bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 7 juli 2020 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Het beroepschrift is ontvangen op 18 augustus 2020.

Van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 354. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 548. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 april 2023. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak.

De onroerende zaak wordt verhuurd aan een gelieerde vennootschap die deze exploiteert. De onroerende zaak is een crematorium, begraafplaats en uitvaartcentrum. De onroerende zaak bestaat uit grond met een oppervlakte van 107.480 m2 (het terrein), een hoofdgebouw, een bijgebouw, twee poorten, een hekwerk en beplantingen. Verder zijn er op het terrein verhardingen aangebracht. 2.2. Het hoofdgebouw bestaat uit vier delen: het oorspronkelijke hoofdgebouw, bouwjaar 1972, met een oppervlakte van 320 m2 (het hoofdgebouw), een aanbouw, bouwjaar 1984, met een oppervlakte van 621 m2 (de eerste aanbouw), een aanbouw, bouwjaar 1995, met een oppervlakte van 90 m2 (de tweede aanbouw) en een aanbouw, bouwjaar 2013, met een oppervlakte van 312 m2 (de derde aanbouw).

Het bijgebouw heeft een oppervlakte van 132 m² en is gebouwd in 1984 (het bijgebouw). 2.3. Het hoofdgebouw bestaat uit een begane grond en een kelder. Op de begane grond bevinden zich diverse familiekamers en een aula. In de kelder bevindt zich een crematieoven die in 2018, 2019 en 2020 niet (meer) in gebruik was. Het hoofdgebouw heeft dubbelglas maar verder geen isolatie. De eerste aanbouw bestaat eveneens uit een begane grond en een kelder. Op de begane grond bevinden zich een kantoorruimte van 426 m2 en familiekamers. De kelder van de eerste aanbouw wordt gebruikt als opslag- en koelruimte.

De tweede aanbouw is een tussenbouw tussen het hoofdgebouw en de eerste aanbouw. De derde aanbouw is een crematorium, dat bestaat uit een begane grond en een kelder. In de kelder bevindt zich een tweede (nieuwe) crematieoven. Deze was in 2018, 2019 en 2020 wel in gebruik. De eerste, tweede en derde aanbouw en het bijgebouw zijn voorzien van dubbelglas en van dak-, gevel- en vloerisolatie. 2.4.1. Ter onderbouwing van de vastgestelde waarde van de onroerende zaak heeft de Heffingsambtenaar een taxatierapport overgelegd. In het taxatierapport, opgemaakt op 5 april 2022 (na inpandige opname op 20 november 2018), is de vastgestelde waarde van de onroerende zaak als volgt opgebouwd:

Taxatieopbouw onderhavige object [adres] oppervlakte/ lengte (deel)waarde Grondwaarde primair 16.400 m2 € 1.640.000,-- Grondwaarde secundair 91.080 m2 € 910.800,-- Gecorrigeerde vervangingswaarde hoofdgebouw 320 m2 € 146.432,-- Gecorrigeerde vervangingswaarde eerste aanbouw 621 m2 € 403.803,-- Gecorrigeerde vervangingswaarde tweede aanbouw 90 m2 € 75.765,-- Gecorrigeerde vervangingswaarde derde aanbouw 312 m2 € 508.060,-- Gecorrigeerde vervangingswaarde bijgebouw 132 m2 € 74.719,-- Gecorrigeerde vervangingswaarde 2 poorten 10 m1 € 1.702,-- Gecorrigeerde vervangingswaarde hekwerk 330 m1 € 16.262,-- Gecorrigeerde vervangingswaarde verharding asfalt 1.546 m2 € 15.460,-- Gecorrigeerde vervangingswaarde verharding klinkers 3.125 m2 € 38.925,-- Gecorrigeerde vervangingswaarde verharding divers 2.073 m2 € 45.274,-- Totaal € 3.877.202,-- BTW 21%, exclusief grondwaarde secundair € 622.944,-- WOZ-waarde € 4.500.146,-- Waarde volgens beschikking € 4.485.000,-- 2.4.2.

Het taxatierapport bevat berekeningen van de in de rechterkolom vermelde deelwaarden, waarin: wat betreft de primaire en de secundaire grond: de rekenprijs per m2 (respectievelijk € 100 per m2, exclusief omzetbelasting, en € 10 per m2, exclusief omzetbelasting) is vermenigvuldigd met het aantal m2; wat betreft het hoofdgebouw, de aanbouwen en het bijgebouw: de rekenprijs per m2 is vermenigvuldigd met het aantal m2, een op basis van de levensduur, de resterende levensduur en de restwaarde berekende factor voor technische veroudering en een factor voor functionele veroudering van 1,000 (behoudens het hoofdgebouw: 0,900).

Voor het hoofdgebouw, de aanbouwen en het bijgebouw is de berekening uitgevoerd voor de ruwbouw, de afbouw en de installaties van het desbetreffende deelobject. De in het schema hierboven opgenomen deelwaarde van elk van deze deelobjecten is de som van de berekende deelwaarden van de ruwbouw, de afbouw en de installaties; wat betreft de verhardingen: de rekenprijs per m2 is vermenigvuldigd met het aantal m2, een op basis van de levensduur, de resterende levensduur en de restwaarde berekende factor voor technische veroudering en een factor voor functionele veroudering van 1,000; wat betreft de poorten en het hekwerk: de rekenprijs per m1 is vermenigvuldigd met het aantal m1, een op basis van de levensduur, de resterende levensduur en de restwaarde berekende factor voor technische veroudering en een factor voor functionele veroudering van 1,000. 2.4.3.

Ter toelichting van de in aanmerking genomen rekenprijzen voor de grond en de secundaire grond is in het taxatierapport, voor zover hier van belang, opgemerkt: “De grondwaarde voor maatschappelijke en bijzondere doeleinden worden residueel bepaald. De grondprijzennota van de Gemeente [woonplaats] 2018 bepaalt de grond bij extensief gebruik van terreinen (minder dan 20% bebouwd) op € 190,-- per m2. Gelet op de grootte van het perceel en bestemming van het perceel, is bij de waardebepaling van het onderhavige object uitgegaan van € 100,-- per m2.

Hierbij is tevens rekening gehouden dat de gemeente [woonplaats] geen vrijstelling OZB heeft voor begraafplaatsen. Toegekende oppervlakte 107.480 m2. Grondwaarde: Primaire grond 16.400 m2 x € 100,-- € 1.640.000,-- Secundaire grond 91.080 m2 x € 10,-- € 910.800,-- BTW 21% over 1.640.000,-- € 344.400, -- Grondwaarde totaal € 2.895.200,-- Bij de waardebepaling van de grond is er onderscheid gemaakt tussen primaire grond en secundaire grond. Onder primaire grond wordt verstaan de grond die de eigenaar/gebruiker nodig heeft om de normale bedrijfsactiviteiten uit te voeren waarvoor het bedrijf bestemd is.

Bij het onderhavige object bestaat de primaire grond uit de ondergrond van de gebouwen, grond behorende bij de gebouwen, begraafplaats, urnentuin en de toegangsweg met parkeerplaatsen. Deze benadering sluit meer aan bij de feitelijke situatie dan de meer theoretische benadering dat enkel de gebouwgebonden grond als primaire grond moet worden aangemerkt (zie de uitspraak van uw Rechtbank Rotterdam van 4 juli 2019, ROT 18/4482). Secundaire grond is de grond die de eigenaar/gebruiker niet direct nodig heeft voor het uitoefenen van zijn bedrijfsmatige activiteiten.” 2.4.4.

Ter onderbouwing van de voor de bepaling van de deelwaarde van de grond gebruikte rekenprijzen per m2 is in het taxatierapport verwezen naar vier grondverkopen: twee verkopen in [woonplaats] , te weten de verkoop van grond voor de bouw van een hotel (oppervlakte 15.379 m2, verkoopprijs € 202 per m2, verkocht op 20 december 2017) en de verkoop van een perceel grond op een bedrijventerrein (oppervlakte 14.868 m2, verkoopprijs € 230 per m2, verkocht op 22 februari 2018), de verkoop van een opslagterrein in [woonplaats 2] (oppervlakte 16.001 m2, verkoopprijs € 250 per m2, verkocht op 21 december 2018) en de verkoop van een crematorium in [woonplaats 3] (oppervlakte van de grond 29.240 m2, uit de verkooprijs van het crematorium herleide verkoopprijs per m2 van de grond gemiddeld € 93 per m2, verkocht op 2 februari 2018). 2.4.5.

De berekeningen in het taxatierapport van de deelwaarden van het hoofdgebouw, de drie aanbouwen, het bijgebouw, de poorten, het hekwerk en de verhardingen zijn uitgevoerd met gebruikmaking van de hieronder vermelde archetypen (raadpleegbaar op www.wozdatacenter.nl). Taxatiewijzer en kengetallen waardepeildatum 01-01-2019 Nummer archetype Omschrijving archetype Gebruikt voor Deel 6 Crematoria U793000N Crematorium 1966-1985 Hoofdgebouw en aanbouwen Deel 6 Crematoria U795000L Crematorium ≥ 2001 Hoofdgebouw en aanbouwen Deel 26 Algemene kengetallen B5101200 Kantoor (bijgebouw) Bijgebouw Deel 26 Algemene kengetallen I3003540 Draai- en schuifpoorten hoogte 2m, breedte 4m (dubbel handbediend) Poorten Deel 26 Algemene kengetallen I3003240 Hekwerk met spijlen Hekwerk Deel 26 Algemene kengetallen I3000430 Asfalt 300kg/m² in 2 lagen, minder zwaar en intensief Verharding asfalt Deel 26 Algemene kengetallen I3000130 Klinkers (100*200 mm zandbodem) Verharding klinkers Deel 26 Algemene kengetallen I3001130 Betontegels (dik 40mm met banden) Verharding divers 2.4.6.

Ter onderbouwing van de berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde is per deelobject de vervangingswaarde vóór toepassing van de correcties voor technische en functionele veroudering (de bruto vervangingswaarde) bepaald door de herbouwkosten per m2 van het desbetreffende deelobject te verdelen over de ruwbouw, de afbouw/vaste inrichting (de afbouw) en installaties van dat deelobject (respectievelijk 50%, 25%, 25% voor het hoofdgebouw en de drie aanbouwen en 50%, 28% en 22% voor het bijgebouw uit 1984). De herbouwkosten per m2 en de genoemde percentages zijn bepaald aan de hand van het in het taxatierapport voor het desbetreffende deelobject gekozen archetype.

Daarna is voor de ruwbouw, de afbouw en de installaties per deelobject een correctie voor technische veroudering toegepast, die is berekend op basis van de in het taxatierapport vermelde technische levensduren en restwaarden van de ruwbouw, de afbouw en de installaties van het deelobject. De toepassing van een correctie functionele veroudering voor het hoofdgebouw (0,900) en het niet toepassen daarvan bij de andere deelobjecten is tussen partijen niet in geschil. 2.4.7. Over de restwaarden is in het taxatierapport het volgende opgemerkt: “Met het percentage restwaarde voor installaties en afbouw (respectievelijk 7% en 10%) voor het crematorium is aansluiting gezocht bij het gemiddelde percentage restwaarde van de archetypen U793000N en U795000L.

Ook het voorzetten van het gebruik van de installaties en afbouw, na beëindigen van de verwachte beoogde gebruiksperiode van de installaties en afbouw, heeft ertoe geleid om voor de restwaarde van de installaties en afbouw een percentage van respectievelijk 7% en 10% te hanteren. Voor het bijgebouw met als archetype B5101200 is eveneens aansluiting gezocht bij het gemiddelde percentage restwaarde van het gebruikte archetype. Dit in verband met het voorzetten van het gebruik van de installaties en afbouw, na beëindigen van de verwachte beoogd gebruiksperiode van de installaties en afbouw.

Voor de restwaarde van de ruwbouw van de archetypen U 793000N, U795000L en B5101200 is, conform de uitspraak Rechtbank Rotterdam (4 juli 2019, zaaknummer ROT 1814482 ), een percentage van 20% gehanteerd wat laag in de bandbreedte ligt.” Verder heeft de Heffingsambtenaar verwezen naar de volgende herleiding van de restwaarden van drie naar zijn opvatting met de onroerende zaak vergelijkbare onroerende zaken (vergelijkingsobjecten) uit de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. Vergelijkbare objecten [adres 2] [adres 3] [adres 4] Gemeente [woonplaats 4] [woonplaats 5] [woonplaats 6] Soort object Aula Aula Aula Bouwjaar 1970/1990 1962/1987 1929/1984 Transactiedatum 19-02-2018 05-07-2019 04-07-2019 Transactieprijs € 300.000 € 525.000 € 475.000 Totaal aantal b.v.o. 346 m2 827 m2 828 m2 Vervangingskosten € 545.991 € 1.865.056 € 1.737.418 Perceeloppervlakte 334 m2 1.288 m2 1.805 m2 Grondwaarde € 34.585 € 179.225 € 180.500 Berekende restwaarde 48,61% 18,53% 16,95% Opmerkingen Uitvaartcentrum heeft de aula verkocht.

Na verkoop is het gebruik niet gewijzigd. Na verkoop is de aula intern verbouwd naar 4 woningen. Voormalige eigenaar heeft op een andere locatie een nieuwe aula gebouwd. Na verkoop is de aula intern verbouwd naar een kerk. 2.5. Bij de onderbouwing van de door haar voorgestane waarde is belanghebbende uitgegaan van de volgende gegevens: oppervlakte (deel)waarde matrix blh m2 € € Grond niet-woning 3.088 368.750 Restgrond 103.793 1.037.825 Totaal grond 1.406.675 Crematorium 1972 320 66.187 Crematorium 1984 426 en 195 271.840 Crematorium 1995 90 57.405 Crematorium 2013 312 488.998 Bijgebouw 1984 132 57.783 Totaal gebouwen 942.213 Infra en hekwerken 133.291 133.291 WOZ waarde 2.482.179 Inclusief btw grond 2.785.000 afgerond Nadere toelichting: bij de bepaling van de brutovervangingswaarde van de grond niet-woning en de restgrond is uitgegaan van een rekenprijs per m2 van respectievelijk € 100 (inclusief omzetbelasting), en € 10 (inclusief omzetbelasting); bij de bepaling van de correctie wegens technische veroudering van de crematoria en het bijgebouw zijn de restwaarden op 5% gesteld; -wat betreft het crematorium uit 1972 is net als de Heffingsambtenaar heeft gedaan een correctie wegens functionele veroudering van 10% toegepast in verband met de beperking van de gebruiksmogelijkheden.

Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder: ”5 3. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die eraan moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom ervan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet WOZ blijkt dat de WOZ-waarde gelijk dient te zijn aan de prijs die de meest biedende koper betaalt na de meest geschikte voorbereiding.

Op grond van artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ wordt in afwijking in zoverre van het tweede lid de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met de aard en de bestemming van de zaak en de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. Naar de bedoeling van de wetgever is de gecorrigeerde vervangingswaarde van een onroerende zaak de waarde die de zaak in economische zin voor haar eigenaar heeft (zie bijvoorbeeld Hoge Raad van 5 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1799, ECLI:NL:HR:1996:AA1799).

4. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld (zie Hoge Raad van 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300 (Oostflakkee)). Ter voldoening aan deze bewijslast heeft verweerder een taxatierapport van 5 april 2022 overgelegd dat – na een inpandige opname – is opgemaakt door [A] . In dit taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak als volgt opgebouwd: “Grondwaarde primair € 1.640.000,- Grondwaarde secundair € 910.800,- Gecorrigeerde vervangingswaarde gebouw 1972 € 146.432,- Gecorrigeerde vervangingswaarde gebouw 1984 € 403.803,- Gecorrigeerde vervangingswaarde gebouw 1995 € 75.765,- Gecorrigeerde vervangingswaarde gebouw 2013 € 508.060,- Gecorrigeerde vervangingswaarde bijgebouw 1984 € 74.719,- Gecorrigeerde vervangingswaarde 2 poorten € 1.702,- Gecorrigeerde vervangingswaarde hekwerk € 16.262,- Gecorrigeerde vervangingswaarde verharding asfalt € 15.460,- Gecorrigeerde vervangingswaarde verharding klinkers € 38.925,- Gecorrigeerde vervangingswaarde verharding divers € 45.274,- Totaal € 3.877.202,- BTW 21%, exclusief grondwaarde secundair € 622.944,- WOZ-waarde € 4.500.146,-” 5.

Partijen zijn het eens dat de waarde van de onroerende zaak dient te worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde en dat daarbij de kengetallen in de Taxatiewijzer Crematoria als uitgangspunt moet worden genomen. De rechtbank sluit zich aan bij deze, naar haar oordeel rechtens juiste, opvatting van partijen. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat uitsluitend de grondwaarde, de levensduur en de restwaarde in geschil zijn. Grondwaarde: Verdeling van de grond 6.1. De aanslag is opgelegd aan eiseres, zijnde de eigenaar van de onroerende zaak.

Eiseres houdt zich niet bezig met uitvaart- en begraafactiviteiten, maar met het beheren en verhuren van vastgoed. Eiseres stelt dat verweerder bij de verdeling van de grond ten onrechte is uitgegaan van de bedrijfsactiviteiten van de gebruiker van de onroerende zaak. Het perceel is hierdoor onjuist ingedeeld, zodat de grondwaarde te hoog vastgesteld, aldus eiseres. Eiseres is van mening dat de grond als volgt had moeten worden verdeeld: gebouwgebonden grond (3.600 m2), restgrond (27.880 m2) en grond onder de begraafplaats (27.880 m2). 6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen primaire en secundaire grond.

Partijen verschillen enkel van mening over hoe het perceel moet worden verdeeld. Volgens verweerder moet onder primaire grond worden verstaan: de grond die de eigenaar of de gebruiker nodig heeft om de normale bedrijfsactiviteiten uit te voeren waarvoor het bedrijf bestemd is. Bij een begraafplaats/crematorium zijn dat de ondergrond van de opstallen en de bij de opstallen horende grond, de begraafplaats, de urnentuin en de toegangsweg met parkeerplaatsen. De rechtbank volgt verweerder hierin. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de begraafplaats, de urnentuin en de toegangsweg met parkeerplaatsen, gelet op de bestemming van de onroerende zaak, essentieel zijn voor de exploitatie van de onroerende zaak.

De exploitatie van de onroerende zaak bestaat immers niet alleen uit crematies en andere activiteiten die in de gebouwen plaatsvinden, maar ook uit teraardestellingen op de begraafplaats en het onderhoud en verzorging van de graven en de urnentuin. De toegangsweg en de parkeerplaatsen zijn geheel dienstbaar aan de exploitatie van de onroerende zaak, omdat deze exploitatie zonder toegangsweg en parkeerplaatsen niet mogelijk is (zie uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 8 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:496). Dat eiseres heeft gewezen op het feit dat haar bedrijfsactiviteiten als eigenaar van de onroerende zaak niet bestaan uit het exploiteren van de begraafplaats, het crematorium en het uitvaartcentrum, maar uit de verhuur van de onroerende zaak, maakt dit niet anders.

Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de onroerende zaak ook verhuurt voor andere activiteiten dan uitvaart- en begraafactiviteiten. Gelet hierop kan niet anders worden begrepen dan dat de onroerende zaak in zijn geheel op de waardepeildatum en in de afzienbare toekomst wordt verhuurd ten behoeve van uitvaart- en begraafactiviteiten en ook als zodanig wordt gebruikt. De verdeling van de grond zoals door verweerder is toegepast, sluit aldus bij deze feitelijke exploitatie aan. 6.3. Omdat de oppervlakte en de prijs per m² door eiseres niet zijn betwist, is verweerder uitgegaan van een juiste verdeling van de grond.

Technische correctie 7.1. Eiseres stelt – onder verwijzing naar de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4097 – dat verweerder de levensduur niet mocht verlengen, nu verweerder deze verlenging niet inzichtelijk gemaakt heeft. Eiseres klaagt met name over het feit dat de levensduur ten aanzien van de installaties van het deelobject uit 1972 en het deelobject uit 1984 met respectievelijk 27 jaar en 15 jaar is verlengd. Daarnaast is de aangehouden restwaarde niet onderbouwd. Volgens eiseres had verweerder moeten uitgaan van restwaarde van 5%. 7.2.

Verweerder heeft de levensduur bij de afbouw en installaties van de deelobjecten uit 1972, 1984 en 1995 verlengd. De levensduur van de ruwbouw van het deelobject uit 1972 is nog niet verlopen maar is door verweerder wel met twee jaar verlengd. De restwaarde is op de waardepeildatum voor de afbouw en installaties bereikt, met uitzondering van het deelobject uit 2013. De restwaarde van de afbouw en installaties voor de deelobjecten met als archetype U793000N en U795000L ligt volgens de Taxatiewijzer respectievelijk tussen 5% en 15% en tussen 5% en 10%.

De restwaarde van de afbouw en installaties van archetype B5101200 ligt respectievelijk tussen 20% en 30% en tussen 10% en 20%.Verweerder houdt bij de ruwbouw een percentage van 20% aan, wat het laagste percentage van de bandbreedte is, die in de Taxatiewijzer is opgenomen. Voor de afbouw en installaties heeft verweerder een restwaarde gehanteerd van respectievelijk 10% en 7% voor de deelobjecten met archetype U793000N en U795000L en 25% en 15% voor het bijgebouw met archetype B5101200. Verweerder is hiermee uitgegaan van het gemiddelde uit de bandbreedte van de Taxatiewijzer. 7.3.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:169 volgt dat bij de bepaling van technische levensduren en de restwaarden van gebouwde deelobjecten van een onroerende zaak in het algemeen gebruik kan worden gemaakt van taxatiewijzers mits partijen de richtsnoeren van die taxatiewijzers als uitgangspunt voor de waardering hebben aanvaard. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671 moet, als in de waardering wordt aangesloten bij een taxatiewijzer, de partij die wil afwijken van de kengetallen in die taxatiewijzer de gronden daarvoor stellen en bij betwisting aannemelijk maken.

Volgens verweerder moet de levensduur van de onroerende zaak op een langere periode gesteld worden dan de periode die volgt uit de Taxatiewijzer en de restwaarde wordt daardoor op een latere tijdstip bereikt. Eiseres heeft dit betwist en derhalve ligt de bewijslast op verweerder. 7.4. Verweerder heeft de levensduur verlengd omdat de gebouwde delen van de onroerende zaak worden onderhouden en de actuele verwachting is dat de gebouwen nog een groot aantal jaren in gebruik zullen blijven. Verweerder heeft dit gebaseerd op de inpandige taxatie van de onroerende zaak.

Hieruit bleek dat er geen plannen zijn voor toekomstige sloop van de gebouwen en/of beëindigen van de gebruiksfunctie. Wel is sprake van onderhoud dat erop gericht is de gebouwen en installaties goed te laten blijven functioneren. Voorts is sprake van vergrijzing van de Nederlandse bevolking, waardoor de vraag naar begrafenissen en crematies op zijn minst tot 2055 zal blijven stijgen. Met het oog hierop is in 2013 opnieuw in de onroerende zaak geïnvesteerd. De voornoemde omstandigheden zijn door eiseres niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende heeft onderbouwd dat de oorspronkelijk ingeschatte levensduur inmiddels achterhaald is en dat een levensduurverlenging gerechtvaardigd is (zie uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 8 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:496).

De verwijzing door eiseres naar de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4097 (Hoge Raad 14 januari 2022, nr. 21/00529, ECLI:NL:HR:2022:25; artikel 81, lid 1, RO) treft dan ook geen doel, nu verweerder in dit geval afdoende heeft onderbouwd waarom de levensduur is verlengd. Daar komt bij dat het in de zaak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage ging om de bepaling van de waarde van een sportcomplex. De feitelijke situatie was in dat geval een andere en betrof een als geheel verouderd complex. Daar is hier geen sprake van.

De originele bouw is uit 1972 en daaraan is in 1984 en 1995 aangebouwd. In 2013 is aansluitend een nieuwe crematorium gebouwd wat nu een geheel vormt met het oorspronkelijke crematorium. De rechtbank is niet gebleken, dat een of meer van deze delen verouderd zouden zijn. 7.5. Bij levensduurverlenging moet worden bekeken wat de invloed daarvan is op de restwaarde en op welk tijdstip die restwaarde wordt bereikt. Het is daarbij eerst de vraag of de gehanteerde percentages van de restwaarde op zichzelf onderbouwd zijn. De kengetallen uit de Taxatiewijzer alleen zijn daartoe onvoldoende.

Verweerder heeft in het taxatierapport dan ook verwezen naar een drietal verkooptransacties van uitvaartaula’s die niet te ver verwijderd zijn van de waardepeildatum. Hoewel de vergelijkingsobjecten niet alle gelegen zijn in [woonplaats] , kunnen deze toch worden betrokken bij de beoordeling van de restwaarden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er weinig verkopen plaatsvinden van met de onroerende zaak enigszins vergelijkbare objecten. De omstandigheid dat twee van de vergelijkingsobjecten na de verkoop een ander gebruik hebben gekregen en dat door deze wijziging de verkoopcijfers zouden kunnen zijn beïnvloed, maakt dat niet anders.

Immers, voor de bepaling van de restwaarde is relevant wat de onroerende zaak op kan leveren bij verkoop na afloop van de levensduur. Een verkoper zal bij verkoop inzetten op een zo groot mogelijke groep gegadigden, zodat verkoop ten behoeve van een andere gebruiksmogelijkheid tot de relevante opties behoort. De verkooptransacties onderbouwen een restwaarde van 48,61%, 18,53% en 16,95% van de vergelijkingsobjecten. Verweerder heeft voldoende inzicht in de bepaling van deze percentages geboden door deze als volgt te berekenen: ter bepaling van de waarde van de opstal is van de verkoopsom de grondwaarde afgetrokken, vervolgens is die waarde gedeeld door de vervangingswaarde.

De uitkomst is vermenigvuldigd met 100%. In combinatie met de Taxatiewijzer geven de gerealiseerde marktcijfers een voldoende onderbouwing van de restwaarde zoals opgenomen in de Taxatiewijzer. Daarbij geldt dat hiervoor geen wetenschappelijke onderbouwing noodzakelijk is, maar dat verweerder aannemelijk maakt dat de in de Taxatiewijzer opgenomen restwaarden reëel zijn en dat is het geval. 7.6. Verder heeft verweerder verklaard dat de crematieovens uit de kengetallen gehaald zijn vanwege de werktuigenuitzondering De overige aanwezige installaties en afbouw zijn goed vergelijkbaar met de installaties die in woonhuizen voorkomen, zodat het waardeverlies hiervan gering is.

Ook worden de installaties regelmatig onderhouden, zodat deze eenvoudige installaties en de afbouw ook na een levensduurverlenging hun oorspronkelijke restwaarde behouden. Verweerder heeft hiermee aannemelijk gemaakt dat ook na een levensduurverlenging voor de afbouw en installaties uitgegaan kan worden van de gemiddelde percentages die uit de Taxatiewijzer volgen. Voor de ruwbouw is verweerder uitgegaan van een restwaarde van 20%. Dit is volgens de Taxatiewijzer de laagste waarde, zodat ook hiermee voldoende rekening is gehouden met de verlengde levensduur.

8. De waarde van de overige onderdelen van de onroerende zaak, genoemd in punt 4, is door eiseres niet weersproken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder, ook in het licht van hetgeen eiseres daartegen heeft aangevoerd, is geslaagd in de op hem rustende bewijslast.

9. Het beroep is ongegrond. Vergoeding van de immateriële schade 10.1. Ter zitting heeft eiseres eerst verzocht om vergoeding van de immateriële schade omdat de redelijke termijn is overschreden. Eiseres stelt dat de rechtbank de redelijke termijn niet kan verlengen met vier maanden wegens corona. Dit omdat geen sprake is van een zaak die eerder op de zitting stond gepland en die vervolgens moest worden uitgesteld wegens de corona uitbraak. 10.2. Op basis van de richtlijnen van de Hoge Raad, zoals omschreven in zijn arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, oordeelt de rechtbank als volgt. 10.3.

Voor een uitspraak in eerste aanleg geldt dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan, als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt daarbij een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. 10.4. Het beroep is in dit geval ontvangen op 18 augustus 2020.

Voor beroepen die tussen 1 december 2019 en 1 juni 2021 bij de rechtbank zijn ingediend ziet de rechtbank aanleiding de termijn met een half jaar te verlengen. In deze periode werd de behandeling daarvan ernstig belemmerd door de uitbraak van het coronavirus en de ter bestrijding van dat virus getroffen maatregelen. Als onderdeel van die maatregelen hebben bij de rechtbank Rotterdam, anders dan bij andere rechtbanken, van circa maart tot september 2020 geen belastingzittingen plaatsgevonden. Weliswaar stond de onderhavige zaak niet eerder dan 28 april 2022 op een zitting gepland, maar de omstandigheid dat er in voornoemde periode geen belastingzittingen hebben plaatsgevonden heeft gevolgen gehad voor de planning en afdoening van alle belastingzaken, dus ook die van de onderhavige.

Deze uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie maakt dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit betekent dat de redelijke termijn in dit geval tweeëneenhalf jaar bedraagt. 10.5 In deze zaak is het bezwaarschrift op 1 april 2020 door verweerder ontvangen, terwijl deze uitspraak wordt gedaan op 19 mei 2022. Daarom is de redelijke termijn van tweeëneenhalf jaar, in dit geval niet overschreden. Voor vergoeding van immateriële schade bestaat daarom geen grond.

11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. Tussen partijen is in geschil of de door de Heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de onroerende zaak niet te hoog is. Voorts is in geschil of de Rechtbank het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn terecht heeft afgewezen. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van de onroerende zaak wordt verminderd tot € 2.785.000.

Verder heeft belanghebbende verzocht om een vergoeding van immateriële schade en een proceskostenvergoeding voor de bezwaar-, de beroeps- en de hogerberoepsfase. 4.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover het de WOZ-waarde betreft. Met betrekking tot het verzoek tot de vergoeding van immateriële schade concludeert de Heffingsambtenaar tot afwijzing van het verzoek voor zover dat betrekking heeft op de bezwaarfase, omdat daarin geen overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden.

Beoordeling van het hoger beroep 5.1. Partijen zijn eenparig van mening dat de waarde van de onroerende zaak dient te worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde. Het Hof sluit zich aan bij deze, naar zijn oordeel rechtens juiste, gezamenlijke opvatting van partijen. 5.2. In artikel 17, lid 3, Wet WOZ is bepaald dat bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van een onroerende zaak rekening wordt gehouden met de aard en de bestemming van de zaak en de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen.

In artikel 4, lid 2, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (URIW) - dat (niet meer dan) een hulpmiddel bij de bepaling van WOZ-waarde is (zie HR 29 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8610) - is de wijze van berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde nader ingevuld. Naar de bedoeling van de wetgever is de gecorrigeerde vervangingswaarde van een onroerende zaak de waarde welke de zaak in economische zin voor haar eigenaar heeft (zie HR 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5032, BNB 1992/298 en HR 5 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1799, BNB 1996/250). 5.3.

Omdat belanghebbende de door de Heffingsambtenaar vastgestelde waarde heeft betwist en zich op het standpunt heeft gesteld dat het Hof deze waarde op een lager bedrag dient vast te stellen, rust op de Heffingsambtenaar de last te bewijzen dat hij de waarde niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld, met inachtneming van wat belanghebbende daartegen aanvoert. Slechts indien de Heffingsambtenaar niet aan deze bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of de belanghebbende de door haar verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan het Hof zelf tot een vaststelling van de waarde komen (HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300, BNB 2005/378). 5.4.

Het Hof zal de onder 5.3 beknopt uitééngezette bewijsvolgorde ook in het onderhavige geschil toepassen, daarbij uitgaande van de vragen waarop partijen het geschil hebben toegespitst, te weten: welke deelwaarde(n) dient (dienen) te worden toegekend aan de tot de onroerende zaak behorende grond? is de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de correctie wegens technische veroudering van de door hem onderscheiden delen van de onroerende zaak uitgegaan van de juiste, althans niet te lange resterende levensduren en van de juiste, althans niet te hoge restwaarden? Welke deelwaarde(n) dient (dienen) te worden toegekend aan de tot de onroerende zaak behorende grond? 5.5.1.

De Heffingsambtenaar is voor de bepaling van de deelwaarde(n) van de grond uitgegaan van de in de grondprijzennota van de gemeente [woonplaats] genoemde uitgifteprijs van grond voor maatschappelijke en bijzondere doeleinden bij extensief gebruik van de grond (minder dan 20% bebouwd) van € 190 per m2. Om rekening te houden met de grootte van het perceel grond dat tot de onroerende zaak behoort, is het bedrag € 190 per m2 in het taxatierapport van de Heffingsambtenaar verminderd tot € 100 (€ 121 inclusief omzetbelasting) per m2. Deze rekenprijs per m2 heeft de Heffingsambtenaar toegepast voor ‘de grond die de eigenaar/gebruiker nodig heeft om de normale bedrijfsactiviteiten uit te voeren waarvoor het bedrijf bestemd is’, door hem kortweg ‘de primaire grond’ genoemd.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de rekenprijs per m2 van de primaire grond van € 100 niet te hoog is, heeft de Heffingsambtenaar voorts gewezen op de onder 2.4.4. vermelde verkopen van grond. Tot de primaire grond behoren, aldus de Heffingsambtenaar, de ondergrond van het hoofdgebouw, de aanbouwen en het bijgebouw, de bij deze deelobjecten in gebruik zijnde grond, de begraafplaats, de urnentuin alsmede de grond onder en bij de toegangsweg en de parkeerplaatsen. De oppervlakte van de primaire grond is 16.400 m2. Voor de overige grond, die in het taxatierapport ‘de secundaire grond’ wordt genoemd, met een oppervlakte van 91.080 m2, is een rekenprijs van € 10 per m2 toegepast. 5.5.2.

Naar de opvatting van belanghebbende dient de rekenprijs van € 100 (€ 121 inclusief omzetbelasting) per m2 te worden toegepast op de ‘grond niet-woning’, waaronder, naar het Hof begrijpt, is te verstaan de ondergrond van zes deelobjecten, door belanghebbende aangeduid als crematorium 1972, crematorium 1984 (2x), crematorium 1995, crematorium 2013 en crematorium bijgebouw 19841, almede de grond die uitsluitend in gebruik is bij deze deelobjecten. De oppervlakte van de grond niet-woning is volgens belanghebbende 3.088 m2. De overige tot de onroerende zaak behorende grond (de ‘restgrond’) heeft volgens belanghebbende een oppervlakte van 103.793 m2.

De restgrond dient volgens belanghebbende gewaardeerd te worden op € 10 (€ 12,10 inclusief omzetbelasting) per m2. Ten aanzien van de grond die in gebruik is als begraafplaats en urnentuin stelt belanghebbende primair dat deze niet in de waardebepaling dient te worden betrokken dan wel subsidiair dat deze op € 10 per m2 dient te worden gewaardeerd. 5.5.3. Nu belanghebbende de (onderbouwing van de) door de Heffingsambtenaar in aanmerking genomen deelwaarde van de grond gemotiveerd heeft weersproken, ligt het op de weg van de Heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de deelwaarde van de grond niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

Het geschil over de deelwaarde van de grond spitst zich toe op de vraag of de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de deelwaarde van de grond terecht - op een deel van de grond, groot 16.400 m2, een rekenprijs van € 100 (€ 121 inclusief omzetbelasting) per m2 heeft toegepast; en 1. Zie het schema onder 2.5. - op een deel van de grond, groot 91.080 m2, een rekenprijs van € 10 heeft toegepast2. 5.5.4. Beide partijen zijn van mening dat een rekenprijs van € 100 (€ 121 inclusief omzetbelasting) per m2 juist is voor zover het gaat om de meest waardevolle grond die behoort tot de onroerende zaak – door de Heffingsambtenaar “primaire grond” en door belanghebbende ‘grond niet-woning’ genoemd –, zij het dat partijen verschillend denken over de omvang van dit meest waardevolle deel (de Heffingsambtenaar: 16.400 m2, belanghebbende: 3.088 m2).

Ook zijn beide partijen van mening dat een rekenprijs van € 10 per m2 juist is voor dat deel van de grond dat door de Heffingsambtenaar ‘secundaire grond’ en door belanghebbende ‘restgrond’ wordt genoemd, met dien verstande dat dat volgens belanghebbende primair alleen ziet op dat deel van de restgrond dat bij de infrastructuur behoort. Voor zover de restgrond aan de urnentuin en de begraafplaats moet worden toegerekend is belanghebbende primair van mening dat daaraan geen waarde moet worden toegekend en subsidiair dat daaraan eveneens een waarde van € 10 per m2 moet worden toegekend.

Voorts verschillen partijen van mening over de omvang van de secundaire dan wel restgrond (de Heffingsambtenaar: 91.080 m2, belanghebbende: 103.793 m2). 5.5.5. Het Hof zal eerst de door de Heffingsambtenaar bij de waardebepaling gebruikte verdeling van de grond in primaire grond en secundaire grond beoordelen. De Heffingsambtenaar heeft als primaire grond niet alleen aangemerkt de ondergrond van de gebouwen en de grond die uitsluitend in gebruik is bij de gebouwen, maar ook de begraafplaats, de urnentuin en de toegangsweg met parkeerplaatsen. Het Hof volgt de Heffingsambtenaar hierin en neemt daarbij in aanmerking dat de begraafplaats, de urnentuin en de toegangsweg met parkeerplaatsen, gelet op de bestemming van de onroerende zaak, essentieel zijn voor de exploitatie van de onroerende zaak en niet minder dan de ondergrond van de gebouwen en de grond die uitsluitend in gebruik is bij de gebouwen, bepalend zijn voor de waarde die de onroerende zaak in economische zin voor de eigenaar heeft (zie onder 5.2).

Daarbij moet rekening worden gehouden met de aard en bestemming van de onroerende zaak3. Naar volgt uit de onder 2.3 vermelde feiten worden de tot de onroerende zaak behorende gebouwen overeenkomstig hun aard en bestemming geëxploiteerd als (delen van) een uitvaartcentrum en/of een crematorium. Die exploitatie is niet beperkt tot activiteiten in en rond de gebouwen, maar omvat ook de teraardebestellingen op de begraafplaats, de bijzettingen in de urnentuin en het onderhoud van de urnentuin en de circa 1.600 graven op de begraafplaats. Hetzelfde geldt voor de toegangsweg en de parkeerplaatsen.

Naar het oordeel van het Hof omvat de primaire grond, naast de grond onder en rond de gebouwen, de grond die in gebruik is als begraafplaats en urnentuin alsmede de grond waarop de toegangsweg en de parkeerplaatsen zijn aangelegd. Het Hof volgt de Heffingsambtenaar in diens standpunt dat de oppervlakte van de primaire grond 16.400 m2 is. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende niet heeft betwist dat, als ervan wordt uitgegaan dat de primaire grond ook de begraafplaats, de urnentuin, de toegangsweg en de parkeerplaatsen omvat, deze een oppervlakte van 16.400 m2 heeft. 5.5.6.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar met wat hij heeft aangevoerd aannemelijk gemaakt dat de rekenprijs voor de primaire grond van € 100 (€ 121 inclusief omzetbelasting) per m2 niet te hoog is. Daartoe overweegt het Hof het volgende. Een indicatie is de in de grondprijzennota van de gemeente [woonplaats] genoemde uitgifteprijs van grond voor maatschappelijke en bijzondere doeleinden bij extensief gebruik van de grond van € 190 per m2 (zie onder 2.4.4.). Hoewel deze uitgifteprijs, omdat de Heffingsambtenaar niet heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de uitgifteprijs rond de waardepeildatum tussen van elkaar onafhankelijke partijen is overeengekomen voor grond met dezelfde bestemming als die van de tot de onroerende zaak behorende grond, 2 In het taxatierapport van de Heffingsambtenaar is de waarde van de secundaire grond exclusief omzetbelasting in aanmerking genomen. 3 Zie artikel 17 lid 3 aanhef en onderdeel a, van de Wet WOZ. op zich onvoldoende is als onderbouwing van de door de Heffingsambtenaar in aanmerking genomen rekenprijs per m2 van de primaire grond, heeft de Heffingsambtenaar met deze uitgifteprijs, in combinatie met de onder 2.4.4 vermelde, rond de waardepeildatum overeengekomen verkoopprijzen van grond ten behoeve dan de bouw van een hotel (€ 202 per m2), een bedrijventerrein (€ 230 per m2) en een opslagterrein (€ 250 per m2) , alsmede de uit de verkoopprijs van een crematorium met 29.240 m2 grond herleide gemiddelde verkoopprijs per m2 van de grond van € 93, het Hof ervan overtuigd dat de in het taxatierapport van de Heffingsambtenaar voor de primaire grond in aanmerking genomen rekenprijs per m2 van € 100 (exclusief omzetbelasting) niet te hoog is.

Wat belanghebbende ter betwisting van de door de Heffingsambtenaar in aanmerking genomen rekenprijs per m2 van de primaire grond heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt het Hof in aanmerking wat hierna onder 5.5.7. is overwogen over de door de Heffingsambtenaar gebruikte rekenprijzen van € 100 per m2 en € 10 per m2, in samenhang bezien. Daaraan doet, anders dan belanghebbende stelt, niet af dat hij de onroerende zaak verhuurt. 5.5.7. Het gemiddelde van de uitgifteprijs van grond in de gemeente [woonplaats] van € 190 per m2, de verkoopprijzen van grond in [woonplaats] en [woonplaats 2] van € 202 per m2, € 230 per m2 en € 250 per m2 en de uit verkoopprijs ven een crematorium in [woonplaats 3] herleide gemiddelde verkoopprijs van € 93 per m2 (zie onder 2.4.4 en 5.5.6) bedraagt (€ 202 + € 230 + € 250 + € 93 =) € 775 /4 oftewel (afgerond) € 194.

De gemiddelde rekenprijs per m2 van de grond behorende bij de onroerende zaak bedraagt € 2.550.800/107.480 oftewel (afgerond) 24 per m2 exclusief omzetbelasting en € 2.895.200/107.480, oftewel (afgerond) € 27 per m2 inclusief omzetbelasting. Gelet op de verhouding tussen de gemiddelde rekenprijs per m2 van grond, berekend op basis van de door de Heffingsambtenaar in het geding gebrachte uitgifte- en verkoopprijzen, en de gemiddelde rekenprijs per m2 van de grond behorende bij de onroerende zaak waarvan de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak is uitgegaan – de eerste is tenminste circa 7 keer zo hoog als de laatste – is het Hof van oordeel dat de door de Heffingsambtenaar gehanteerde grondwaarde zoveel lager is dan de waarde die uit de verkoopcijfers volgt, dat aannemelijk is dat niet alleen de door de Heffingsambtenaar gebruikte rekenprijs voor de primaire grond van € 100 per m2, maar ook de door hem gebruikte rekenprijs van € 10 per m2 voor de secundaire grond niet te hoog is.

Het Hof overweegt hierbij dat naar zijn oordeel de verschillen tussen de percelen grond in [woonplaats] en [woonplaats 2] en (de grond bij) het crematorium in [woonplaats 3] enerzijds en de grond behorende bij de onroerende zaak anderzijds geen reden zijn om enkel op grond daarvan de door de Heffingsambtenaar in het geding gebrachte verkoopcijfers van grond in [woonplaats] , en [woonplaats 2] alsmede het verkoopcijfer van het crematorium in [woonplaats 3] buiten beschouwing te laten. 5.5.8. Wat belanghebbende op dit punt heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

Het Hof neemt hierbij in aanmerking wat onder 5.5.1 tot en met 5.5.7 is overwogen. Belanghebbende heeft haar standpunt dat de grond van de begraafplaats en de urnentuin bij de waardering geheel buiten beschouwing zou moeten blijven of slechts op € 10 zou moeten vastgesteld niet met marktgegevens of ander objectieve en controleerbare gegevens onderbouwd, en niet aannemelijk gemaakt. Voorafgaande aan de beantwoording van vraag 2) onder 5.4: gebruik van taxatiewijzers 5.6.1. Uit de arresten van de Hoge Raad van 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:169, BNB 2020/72 en 23 oktober 2020, ECLI:NL:2020:1671, BNB 2020/174 volgt dat ter bepaling van technische levensduren en de restwaarden van gebouwde deelobjecten van een onroerende zaak in het algemeen gebruik kan worden gemaakt van taxatiewijzers mits partijen de richtsnoeren van die taxatiewijzers als uitgangspunt voor de waardering hebben aanvaard.

Voorts geldt dat, indien partijen de richtsnoeren van een of meer taxatiewijzers als uitgangspunt voor de waardering hebben aanvaard en (een van de) partijen van bepaalde kengetallen in de taxatiewijzer(s) afwijkt (afwijken), de partij(en) die afwijkt (afwijken) de gronden voor deze afwijkingen moet(en) stellen en bij betwisting aannemelijk moet(en) maken (HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:2020:1671, r.o. 2.4.3.). 5.6.2. Beide partijen hebben voor de bepaling van de deelwaardes de Taxatiewijzer en kengetallen deel 6 Crematoria, waardepeildatum 1 januari 2019 (Taxatiewijzer Crematoria) en de Taxatiewijzer en kengetallen deel 26, Algemene kengetallen, waardepeildatum 1 januari 2019 (Taxatiewijzer Algemene kengetallen) als uitgangspunt voor de waardering aanvaard, in het bijzonder de daarin opgenomen, onder 2.4.5 vermelde, archetypes.

Dit brengt mee dat als een van de partijen in (één van) haar standpunten van één of meer kengetallen afwijkt, zij de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Dit geldt ook als de bewijslast op grond van wat onder 5.3 is overwogen, bij de wederpartij ligt. Is de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de correctie wegens technische veroudering van de gebouwde delen van de onroerende zaak uitgegaan van de juiste, althans niet te lange resterende levensduren? 5.7.1. Volgens de Heffingsambtenaar bedragen de op waardepeildatum resterende levensduren (rld) van de onderscheiden delen van de onroerende zaak:

Deel rld belanghebbende rld Heffingsambtenaar Hoofdgebouw 1972 Ruwbouw Afbouw Installaties 0 jaar 0 jaar 0 jaar 10 jaar 5 jaar 5 jaar Aanbouw 1984 Ruwbouw Afbouw Installaties 0 jaar 0 jaar 0 jaar 20 jaar 5 jaar 5 jaar Aanbouw 1995 Ruwbouw Afbouw Installaties 0 jaar 0 jaar 0 jaar 31 jaar 5 jaar 5 jaar Aanbouw 2013 Ruwbouw Afbouw Installaties 0 jaar 0 jaar 0 jaar 49 jaar 14 jaar 14 jaar Bijgebouw 1994 Ruwbouw Afbouw Installaties 0 jaar 0 jaar 0 jaar 20 jaar 5 jaar 5 jaar Poorten Afbouw niet vermeld 6 jaar Hekwerk Afbouw niet vermeld 6 jaar Bestrating Asfalt – ruwbouw Klinkers -ruwbouw Divers - ruwbouw niet vermeld niet vermeld niet vermeld 10 jaar 10 jaar 26 jaar 5.7.2.

Het Hof stelt voorop dat ingevolge artikel 18, lid 1, Wet WOZ, de bepaling van de waarde van een onroerende zaak elk jaar opnieuw geschiedt naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert. Indien – zoals in het onderhavige geval – de te bepalen waarde de gecorrigeerde vervangingswaarde is, betekent dit – onder meer – dat elk jaar opnieuw de parameters worden bepaald aan de hand waarvan de correctie(s) voor technische veroudering van de gebouwde delen van de onroerende zaak wordt (worden) berekend.

Tot die parameters behoren de in het onderhavige geval tussen partijen in geschil zijnde resterende levensduren, als vermeld in de tabel onder 5.7.1. 5.7.4. Op de Heffingsambtenaar rust - zoals in 5.6.1 en 5.6.2 is overwogen - de bewijslast, voor zover hij de resterende levensduren ten opzichte van de voorheen bestendig in aanmerking genomen resterende levensduren aanpast en daarmee afwijkt van de Taxatiewijzers en de belanghebbende deze aanpassing betwist. De Heffingsambtenaar dient in dat geval feiten te stellen en bij betwisting door de belanghebbende aannemelijk te maken, die de aanpassing van de resterende levensduren in voldoende mate onderbouwen. 5.7.5.

De Heffingsambtenaar heeft ter zake van de bij de afbouw en installaties van het hoofdgebouw en de eerste en tweede aanbouw en bij de ruwbouw van het hoofdgebouw toegepaste verlengde levensduur onweersproken gesteld, dat die gebouwde delen van de onroerende zaak nog een groot aantal jaren in gebruik zullen blijven en het onderhoud en de investeringen ook afgestemd zijn op deze verwachting. Er is sprake van een meerjarig onderhoudsplan dat erop is gericht dat de gebouwen en de installaties steeds goed blijven functioneren. Daarbij worden ook steeds onderdelen vervangen om het functioneren te waarborgen.

Verder zal, met name door de vergrijzing van de Nederlandse bevolking de vraag naar begrafenissen en crematies op zijn minst tot 2055 blijven stijgen. Met het oog daarop is in 2013 opnieuw in de onroerende zaak geïnvesteerd en om diezelfde reden zijn er geen plannen voor de sloop van de gebouwde delen van de onroerende zaak en/of beëindiging van het huidige gebruik van de onroerende zaak. Hiermee heeft de Heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat de afname van de waarde die de zaak in economische zin heeft voor de eigenaar, zo daarvan in de komende jaren al sprake zal zijn, zich over een langere periode zal uitstrekken dan die waarmee voorheen bij de waardebepaling is rekening gehouden.

Hieruit volgt naar het oordeel van het Hof dat de voorheen gehanteerde uitgangspunten bij de bepaling van de technische levensduur inmiddels zijn achterhaald en dat, beoordeeld naar hetgeen op de waardepeildatum 1 januari 2019 bekend was over de feiten die bepalend zijn voor de resterende technische levensduren van de gebouwde delen van de onroerende zaak, het einde daarvan niet eerder dan na ommekomst van de in de rechterkolom van de onder tabel onder 5.7.1 vermelde perioden zal zijn bereikt. 5.7.6. Hieraan doet niet af hetgeen belanghebbende ter betwisting van de in de tabel onder 5.7.1 genoemde resterende levensduren heeft aangevoerd.

Voor de opvatting van belanghebbende dat bij de jaarlijkse bepaling van de parameters aan de hand waarvan de correctie(s) voor technische veroudering van (de gebouwde delen van een) onroerende zaak wordt (worden) berekend, niet of slechts onder de door haar genoemde omstandigheden, zoals een tussentijdse ingrijpende verbouwing, kan worden afgeweken van de voor eerdere jaren bij de bepaling van die correctie(s) in aanmerking genomen levensduren, is in het recht geen steun te vinden. De Heffingsambtenaar heeft de resterende levensduur van het hoofdgebouw voor wat betreft de ruwbouw op 10 jaar getaxeerd.

Het Hof acht aannemelijk dat dit gebouw op de waardepeildatum 1 januari 2019, belastingjaar 2020, de functie heeft van een reservegebouw en dat de resterende levensduur op 10 jaar kan worden ingeschat. Het feit dat de oven daarin al enige tijd buiten gebruik is betekent niet dat aan het gebouw reeds daarom geen enkele resterende levensduur meer zou kunnen worden toegekend nu het gebouw voor de gebruiker de bestemming reservegebouw heeft en met inachtneming van deze bestemming de resterende levensduur is bepaald. Is de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de correctie wegens technische veroudering van de door hem onderscheiden delen van de onroerende zaak uitgegaan van de juiste, althans niet te hoge restwaarden? 5.8.1.

De Heffingsambtenaar voert aan dat hij restwaarden tot uitgangspunt heeft genomen die liggen binnen of zelfs onder de bandbreedten van de restwaarden voor de ruwbouw, de afbouw en de installaties voor de onder 5.4.2 genoemde archetypen U793000N (Crematorium 1966-1985), U795000L (Crematorium ≥ 2001) en B5101200 (Kantoor(gebouw). De Heffingsambtenaar is aldus gebleven binnen de bandbreedten van de Taxatiewijzers. 5.8.2. Belanghebbende echter stelt zich op het standpunt dat de restwaarden dienen te worden vastgesteld op 5% voor de ruwbouw, de afbouw en de installaties van de door haar onderscheiden gebouwde delen van de onroerende zaak.

Belanghebbende wenst aldus af te wijken van de kengetallen uit de Taxatiewijzers. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.6.1 en 5.6.2 is het aan belanghebbende de gronden voor deze afwijking te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken. Aangezien belanghebbende haar stelling niet met marktgegevens of andere relevante, voor het Hof toetsbare gegevens heeft onderbouwd heeft belanghebbende niet aan de op haar rustende bewijslast voldaan. Conclusie 5.9. Naar volgt uit al hetgeen hiervoor is overwogen, is de Heffingsambtenaar er in geslaagd aannemelijk te maken dat hij de waarde niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld en leidt hetgeen belanghebbende daartegenover heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel.

Verzoek vergoeding van immateriële schade 5.10. De Rechtbank heeft het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van het geschil in eerste aanleg afgewezen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat er in de periode maart 2020 tot september 2020 geen zittingen hebben plaatsgevonden als gevolg van de uitbraak van het coronavirus en de gevolgen daarvan voor de planning en afdoening van alle belastingzaken, dus ook die van belanghebbende, een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie vormt die de verlenging van de redelijke termijn van twee jaar voor berechting in bezwaar en beroep met zes maanden rechtvaardigt.

Aangezien het bezwaarschrift op 1 april 2020 door de Heffingsambtenaar is ontvangen en de Rechtbank op 19 mei 2022 uitspraak heeft gedaan, is de redelijke termijn niet overschreden en komt belanghebbende niet in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade, aldus de Rechtbank. 5.11. Het hiervoor weergegeven oordeel van de Rechtbank, waartegen belanghebbende is opgekomen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De uitbraak van het coronavirus in 2020 mag niet in algemene zin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die een verlenging rechtvaardigt van de termijn van berechting die in de regel als redelijk is aan te merken.

De uitbraak van het coronavirus vormt alleen een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld, indien partijen waren uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in de periode waarin de gerechtsgebouwen in verband met de uitbraak van dit virus waren gesloten (de periode 17 maart 2020 tot en met 10 mei 2020) en het onderzoek ter zitting daarom opnieuw moest worden gepland. (Zie Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, BNB 2022/106, r.o. 3.4.1 en 3.4.2.) Daarvan is hier geen sprake omdat het beroepschrift op 18 augustus 2020 bij de Rechtbank is ingediend, de Heffingsambtenaar op 17 september 2020 de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingediend en de zaak niet eerder dan 28 april 2022 op een zitting is gepland.

De Rechtbank heeft de redelijke termijn van beslechting van het geschil in eerste aanleg dan ook ten onrechte verlengd. 5.12. Het bezwaarschrift is ontvangen op 1 april 2020 en de Heffingsambtenaar heeft op 7 juli 2020 uitspraak op bezwaar gedaan. Het beroepschrift is op 18 augustus 2020 door de Rechtbank ontvangen en de Rechtbank heeft op 19 mei 2022 uitspraak gedaan. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de Heffingsambtenaar tot en met de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan, zijn twee jaar en ruim een maand verstreken.

De redelijke termijn is aldus met afgerond twee maanden overschreden. Deze overschrijding is volledig toe te rekenen aan de beroepsfase. De Minister van Justitie en Veiligheid moet daarom aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade betalen van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase. Slotsom 5.13. Het hoger beroep is gegrond voor wat betreft de vergoeding van immateriële schade. Proceskosten en griffierecht 6.1. Aangezien de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechter is toe te rekenen, ziet het Hof aanleiding de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen in de door belanghebbende in verband met het verzoek om vergoeding van immateriële schade gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep (vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, r.o. 3.14.2).

Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.674 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de Rechtbank, 1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het Hof, bedrag per punt € 837, en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 0,5; vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015/198). 6.2. Voorts dient de Minister de aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 354, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 548 te vergoeden.

Beslissing Het Gerechtshof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar alleen voor zover deze betreft de beslissing op het verzoek om vergoeding van immateriële schade; veroordeelt de Minister tot betaling van een vergoeding van immateriële schade van € 500 aan belanghebbende; veroordeelt de Minister in de proceskosten in beroep en hoger beroep van belanghebbende, vastgesteld op € 1.674, en - gelast de Minister aan belanghebbende de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 902 te vergoeden. Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, I.

Reijngoud en G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 17 mei 2023 in het openbaar uitgesproken. aangetekend aan partijen verzonden: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte.

Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.