Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHDHA:2023:1176 ECLI:NL:GHDHA:2023:1176 AI generated

ECLI:NL:GHDHA:2023:1176 · Gerechtshof Den Haag

Case Number ECLI:NL:GHDHA:2023:1176
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rolnummer: 22-002874-22 Parketnummer: 09-023676-22 Datum uitspraak: 21 juni 2023 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, adres: [adres], [postcode] [woonplaats]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Legislator headnote

AI generated

artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 2:20 BW; ECLI:NL:GHDHA:2023:1176 · Gerechtshof Den Haag: Sr). Wettelijk kader en jurisprudentie Het Openbaar Ministerie kan op grond van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de rechter verzoeken een rechtspersoon, zoals een (informele) vereniging of stichting, te verbieden en te ontbinden, als de werkzaamheid daarvan in strijd is met de openbare orde. Na een dergelijk verbod is de deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een dergelijke rechtspersoon (organisatie) strafbaar (artikel 140, tweede lid, Sr (oud)). Het Openbaar Ministerie heeft in een civielrechtelijke procedure bij de rechtbank Midden-Nederland verzocht BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd zou zijn met de openbare orde.

Keywords

AI generated
artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek artikel 2:20 BW

Cited Legislation

AI generated
artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek
Wettelijk kader en jurisprudentie Het Openbaar Ministerie kan op grond van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de rechter verzoeken een rechtspersoon, zoals een (informele) vereniging of stichting, te verbieden en te ontbinden, als de werkzaamheid daarvan in strijd is met de openbare orde.
artikel 2:20 BW
Het Openbaar Ministerie heeft in een civielrechtelijke procedure bij de rechtbank Midden-Nederland verzocht BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd zou zijn met de openbare orde.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHSHE:2022:34860
De advocaat-generaal heeft verder ter onderbouwing van zijn standpunt voorgedragen de cassatieschriftuur gericht tegen het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 12 oktober 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:34860), die hij op voorhand aan het hof en de verdediging heeft toegestuurd.
ECLI:NL:HR:2020:797
Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: de beschikkingen in de zaken C/16/427066 / HA RK 16-266 en C/16/427070 / HA RK 16-267 van de rechtbank Midden-Nederland van 20 december 2017 en 7 februari 2018; de beschikking in de zaak 200.235.799 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2018. Het OM heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. BMC Sittard en BMC Europe hebben verzocht het beroep te verwerpen.
ECLI:NL:RBNHO:2022:1639
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15.116360.21 (P) Uitspraakdatum: 1 maart 2022 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 februari 2022 in de zaak tegen: [naam van de verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Sarian en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr.
ECLI:NL:RBMNE:2017:6241
beschikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rekestnummer: C/16/427066 / HA RK 16-266 zaaknummer / rekestnummer: C/16/427070 / HA RK 16-267 Beschikking van 20 december 2017 in de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE, domicilie kiezend te Rotterdam, verzoeker, tegen de informele vereniging DE NEDERLANDSE AFDELING VAN DE BANDIDOS MOTORCYCLE CLUB, zonder bekende vestigingsplaats, verweerster, niet verschenen, en in de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE, domicilie kiezend te Rotterdam, verzoeker, tegen de buitenlandse coöperatie BANDIDOS MOTORCYCLE CLUB, zonder bekende vestigingsplaats, verweerster, niet verschenen. 1De procedures 1.1.
ECLI:NL:GHARL:2018:10865
De procedures bij de rechtbank In de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland van 20 december 2017 en 7 februari 2018 in de zaken met zaaknummers C/16/427066 en C/16/427070 staat hoe de procedures bij de rechtbank zijn verlopen. 2De procedure bij het gerechtshof 2.1 Het gerechtshof (hierna: het hof) heeft de volgende stukken gekregen van partijen:- het beroepschrift van BMC Sittard en BMC Europe (met daarbij de stukken van de procedure bij de rechtbank), dat bij het hof is binnengekomen op 19 maart 2018; - het verweerschrift met bijlagen van het OM, dat bij het hof is binnengekomen op 28 juni 2018; - het incidenteel verweerschrift van BMC Sittard en BMC Europe, dat bij het hof is binnengekomen op 27 juli 2018;- een brief van 23 augustus 2018 van het OM met een gegevensdrager en twee e-mails van 24 augustus 2018 van het OM met een link naar de gegevens op de gegevensdrager. 2.2 Het hof heeft de zaak behandeld tijdens zijn zitting in Arnhem op 28 augustus 2018.
ECLI:NL:GHSHE:2022:3486
Parketnummer : 20-002759-21 Uitspraak : 12 oktober 2022 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 23 november 2021, in de strafzaak met parketnummer 03-120885-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rolnummer: 22-002874-22 Parketnummer: 09-023676-22 Datum uitspraak: 21 juni 2023 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, adres: [adres], [postcode] [woonplaats]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 11 augustus 2021 te 's-Gravenhage en/of Delft, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing van 24 april 2020 verboden is verklaard, te weten motorclub Bandidos MC Holland, immers heeft hij, verdachte, op 11 augustus 2021 op de snelweg A4 links ter hoogte van Delft en/of op de Ypenburgse Stationsweg te 's-Gravenhage een jas en/of een trui en/of een t-shirt gedragen met hierop de uiterlijke kenmerken en/of de naam van motorclub Bandidos MC Holland en/of Bandidos Amsterdam en/of Bandidos Rotterdam en/of het zogeheten "1% logo".

Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf voor de duur van 40 uur, te vervangen door 20 dagen hechtenis voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Ten aanzien van de onder de verdachte in beslaggenomen kledingstukken heeft de advocaat-generaal om onttrekking aan het verkeer gevraagd.

Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen. Hiertoe heeft de advocaat-generaal – in aanvulling op de ingediende schriftuur, - kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat bij de interpretatie van het begrip ‘voortzetting van de werkzaamheid’ een ruime uitleg gehanteerd dient te worden.

Op grond van deze ruime uitleg concludeert de advocaat-generaal dat de verdachte door het dragen van kleding van Bandidos, waarop als enig verschil ten opzichte van de kleding van Bandidos Motorcycle Club Holland (hierna: BMC Holland) is op te merken dat er ‘Amsterdam’ en/of ‘Rotterdam’ en/of ‘Manchester’ in plaats van ‘Holland’ bij staat, heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van BMC Holland. De advocaat-generaal heeft verder ter onderbouwing van zijn standpunt voorgedragen de cassatieschriftuur gericht tegen het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 12 oktober 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:34860), die hij op voorhand aan het hof en de verdediging heeft toegestuurd.

Daarnaast heeft hij gewezen op de website https://bandidosmc.eu/new-full-chapter-21/ waarin melding wordt gemaakt van de oprichting per 3 april 2021 van een “New Full Chapter Bandidos MC Rotterdam”, welke website bevestigt dat het hier om ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van BMC Holland gaat. De advocaat-generaal heeft tot slot aangegeven dat voor ‘de gewone burger’ het zien rijden van de verdachte op een Harley Davidson motor in herkenbare Bandidos kleding ontegenzeggelijk de associatie zal oproepen met de (verboden) motorbende Bandidos en dat de vermelding van een lokaal Chapter daaraan niet af zal doen.

Standpunt verdediging De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde. Daartoe heeft hij – kort en zakelijk weergegeven en onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797) en de rechtbank Noord-Holland (1 maart 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:1639) – aangevoerd dat het dragen van kleding van de lokale chapters niet kan worden gezien als de voortzetting van de verboden organisatie, te weten BMC Holland, oftewel dat het dragen van kleding van de lokale chapters niet valt onder de reikwijdte van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna:

Sr). Wettelijk kader en jurisprudentie Het Openbaar Ministerie kan op grond van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de rechter verzoeken een rechtspersoon, zoals een (informele) vereniging of stichting, te verbieden en te ontbinden, als de werkzaamheid daarvan in strijd is met de openbare orde. Na een dergelijk verbod is de deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een dergelijke rechtspersoon (organisatie) strafbaar (artikel 140, tweede lid, Sr (oud)). Het Openbaar Ministerie heeft in een civielrechtelijke procedure bij de rechtbank Midden-Nederland verzocht BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, omdat de werkzaamheid van BMC Holland in strijd zou zijn met de openbare orde.

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 december 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:6241) BMC Holland verboden verklaard vanwege – kortweg – de binnen BMC Holland bestaande cultuur waarin het plegen van (ernstig) geweld wordt gestimuleerd. In het hoger beroep is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 18 december 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:10865) - evenals de rechtbank - tot het oordeel gekomen dat het verzoek van het Openbaar Ministerie om BMC Holland op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren, moet worden toegewezen. Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt verder dat de lokale Nederlandse Bandidos-chapters en hun leden lid zijn van BMC Holland.

Met het verbod en de ontbinding van BMC Holland is het deze (rechts)personen niet langer toegestaan van BMC Holland lid te zijn en is het hun verboden om de werkzaamheid van BMC Holland in welke vorm dan ook voort te zetten. Daarmee is niet gezegd dat het de leden van BMC Holland, waaronder de lokale chapters, verboden is om te bestaan en om hun eigen werkzaamheid – voor zover die niet (ook) als een werkzaamheid van BMC Holland kan worden aangemerkt – voort te zetten. De lokale chapters zijn geen onzelfstandig onderdeel van BMC Holland, maar vormen in zichzelf een bestendige organisatie met leden.

Zij zijn daarom zelfstandige informele verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid. Bij beschikking van 24 april 2020 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:797) het beroep van het Openbaar Ministerie tegen de hiervoor vermelde beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 december 2018 verworpen. Het oordeel van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 18 december 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:10865) is daarmee bevestigd, waardoor is komen vast te staan dat het verbod en de ontbinding van BMC Holland zich niet uitstrekt over de lokale chapters. Het oordeel van het hof Aan de verdachte is (samengevat) ten laste gelegd deelname aan voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard, zoals omschreven in artikel 140, tweede lid, Sr (oud).

Het enkele feit dat het verbod en de ontbinding van BMC Holland zich niet uitstrekt over de lokale chapters, zoals hiervoor vermeld, betekent nog niet dat (de leden van) deze chapters zich niet schuldig kunnen maken aan het voortzetten van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland. In lijn met de overwegingen in het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 12 oktober 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:3486), is het hof van oordeel dat voor de vaststelling of in een concreet geval sprake is van de voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie, zoals bedoeld in artikel 140, tweede lid, Sr (oud), is vereist dat wordt gekeken of de gedraging van de verdachte ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie, in dit geval BMC Holland.

Daarbij dient de tenlastegelegde gedraging een aandeel te hebben in, dan wel ondersteunend te zijn aan de voortzetting van de werkzaamheid van BMC Holland, met als gevolg dat BMC Holland wordt voortgezet op een wijze die strijdig is met de openbare orde. Blijkens het proces verbaal van aanhouding heeft de verdachte op de snelweg op een motor gereden, waarbij hij kleding droeg waarop de logo’s en kleuren (full colors) van Bandidos zichtbaar waren. Het ging om een jas/trui van Bandidos Rotterdam, tevens voorzien van het logo 1%, met daaronder een jas/trui van Bandidos Amsterdam en een t-shirt van Bandidos Rotterdam, en daarmee om kleding met logo’s van verschillende lokale chapters.

Naar het oordeel van het hof is de enkele gedraging van het - individueel - op de openbare weg dragen van kleding van (een) lokale, op zichzelf niet verboden, Bandidos chapter(s), hoewel dit wellicht als maatschappelijk onwenselijk en/of aanstootgevend kan worden gezien, onvoldoende om aangemerkt te kunnen worden als een gedraging die ten dienste staat aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie BMC Holland. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dan de verdachte ooit lid is geweest van, of enige activiteit heeft verricht voor BMC Holland dan wel een van de chapters.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat naar het oordeel van het hof noch uit de door de advocaat-generaal aangehaalde wetgeschiedenis bij de Wet van 23 juni 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheid tot het verbieden van rechtspersonen, waarbij artikel 140, tweede lid, Sr is gewijzigd, noch uit de wetsgeschiedenis bij het Wetsvoorstel bestuurlijk verbod ondermijnende organisatie valt af te leiden dat de wetgever het enkele in het openbaar dragen van bepaalde organisatie gerelateerde kleding en symbolen zonder meer aanmerkt als het voortzetten van een verboden organisatie.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen, hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Beslag Aangezien de verdachte reeds afstand heeft gedaan van de onder hem in beslag genomen kledingstukken, kan het hof hierover geen beslissing meer nemen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door mr.

L.A. Pit, mr. M. Ferschtman en mr. J.A.M. Jansen, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 juni 2023. mr. M. Ferschtman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.