Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHDHA:2022:516 ECLI:NL:GHDHA:2022:516 AI generated

ECLI:NL:GHDHA:2022:516 · Gerechtshof Den Haag

Case Number ECLI:NL:GHDHA:2022:516
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-21/00822 Uitspraak van 23 maart 2022 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: M.J. van Dam) en de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 juli 2021, nummer SGR 20/5864. Procesverloop 1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2016 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.351 en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 39.351.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:GHDHA:2022:516 · Gerechtshof Den Haag: Verweerder stelt dat er geen voorheffingen ten bate van de Nederlandse staat zijn geweest. Artikel 9.2 van de Wet IB 2001 – op grond waarvan voorheffingen verrekend worden – gaat dan niet op.

Keywords

AI generated
artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht
Niet valt in te zien hoe de Inspecteur, doordat hij bij het nemen van zijn besluit is uitgegaan van de A1-verklaring, in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2020:2609
19/1107 AOW e.v. Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2019, 18/2903 e.a. (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant 1] te Liechtenstein ( [appellant 1] ) en 36 van de 50 betrokkenen, zoals vermeld in de bij deze uitspraak behorende bijlage 1 (appellanten) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) twee betrokkenen die aan de gedingen hebben deelgenomen als derde-partij, zoals vermeld in de bij deze uitspraak behorende bijlage 1 Datum uitspraak: 22 oktober 2020 PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr.
ECLI:NL:HR:2020:1150
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/04564 Datum 10 juli 2020 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) en de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op de beroepen in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2019, nrs. 17/00725 tot en met 17/00727, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 16/4332 tot en met 16/4334) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2011 tot en met 2013 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHSHE:2020:1472
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 19/00355 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 mei 2019, nummer BRE 17/2052 in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst hierna: de inspecteur, en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid), hierna: de Minister. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. 1.3. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.5. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Het hof heeft een brief verzonden op 23 december 2019 met het verzoek tot het overleggen van stukken. Belanghebbende heeft hierop gereageerd per fax ontvangen op 31 januari 2020. 1.7. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd aan de andere partij. 1.8. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2020 in ‘s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Nadat partijen kenbaar hebben gemaakt geen bezwaar te hebben tegen gelijktijdige behandeling met andere zaken zijn op deze zitting gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak, de zaak met nummer 19/00121 van belanghebbende [A] en de zaak met de nummers 19/00265, 19/00266, 19/00272 en 19/00273 van belanghebbende [B] . 1.9. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 1.10. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.11. Van de zitting is met uitdrukkelijke toestemming van partijen één proces-verbaal van het onderzoek in alle zaken opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden. 2Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij woont in het onderhavige jaar in [woonplaats] , [adres] . 2.2. In het jaar 2014 was belanghebbende werkzaam aan boord van het binnenvaartschip [C] (hierna: het binnenvaartschip). Belanghebbende was gedurende de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 augustus 2014 in dienstbetrekking bij [D] (hierna: [D] ), gevestigd in Luxemburg. Van 1 september 2014 tot en met 31 december 2014 was belanghebbende in dienstbetrekking bij [E] (hierna: [E] ), gevestigd in Luxemburg. Belanghebbende is een zogenoemde Rijnvarende. 2.3. Aan belanghebbende is door de bevoegde Luxemburgse autoriteiten op 19 november 2004 een E106-verklaring afgegeven. Deze verklaring geldt met ingang van 19 oktober 2004 totdat de verklaring wordt ingetrokken. Volgens deze verklaring hebben belanghebbende en zijn bij hem wonende familie recht op prestaties uit hoofde van ziekte en moederschap. 2.4. Aan belanghebbende is door de bevoegde Luxemburgse autoriteiten op 24 maart 2006 een E101-verklaring afgegeven. Deze op de voet van de Verordening EEG nr. 1408/71 gegeven verklaring betreft: ‘attestation concernant la législation applicable’. Deze verklaring geldt met ingang van 1 januari 2005 voor onbepaalde tijd. In de verklaring is opgenomen dat [D] de sociale verzekeringspremies van belanghebbende betaalt en dat belanghebbende onderworpen is aan de Luxemburgse sociale zekerheidswetgeving. De inspecteur heeft bij brief van 1 augustus 2016 het bevoegde orgaan in Luxemburg verzocht de E101-verklaring ongeldig te verklaren. In antwoord daarop heeft het bevoegde orgaan in Luxemburg bij brief van 2 augustus 2016 aan de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) bericht dat de E101-verklaring met ingang van 1 januari 2007 zou zijn ingetrokken. 2.5. Op 29 april 2015 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 34.050 en bestaat uit: [D] € 27.100 Af: 8% pensioenpremie € 2.168 [E] € 14.800 Af: 8% pensioenpremie € 1.184 Loon dienstbetrekking buitenland € 38.548 Af: saldo eigen woning € 4.498 Box 1-inkomen/Verzamelinkomen € 34.050 In de aangifte 2014 heeft belanghebbende voor het gehele jaar vrijstelling van de premies volksverzekeringen gevraagd. 2.6. Naar aanleiding van de aangifte 2014 is op 10 februari 2016 nadere informatie opgevraagd. Op 16 maart 2016 is deze informatie ontvangen. De inspecteur is vervolgens afgeweken van de gedane aangifte 2014. Belanghebbende is als verzekerde voor de volksverzekeringen aangemerkt van 1 januari 2014 tot en met 16 november 2014. Het binnenvaartschip werd gedurende de periode 17 november 2014 tot en met 31 december 2014 geëxploiteerd door [E] (Rijnvaartverklaring afgegeven op 17 november 2014). 2.7. De definitieve aanslag 2014 is vastgesteld op 28 mei 2016. Het verzamelinkomen / box 1‑inkomen is conform de gedane aangifte 2014 vastgesteld. Belanghebbende is verzekerd en dus premieplichtig voor de volksverzekeringen in de periode 1 januari 2014 tot en met 16 november 2014. Het herleide premie-inkomen is vastgesteld op € 28.500. De geheven premie volksverzekeringen bedraagt € 8.877 en de heffingskorting voor deze premie € 2.944. 2.8. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Bij uitspraak op bezwaar van 8 februari 2017 heeft de inspecteur het inkomen uit werk en woning als volgt vastgesteld: Loon [D] Bruto arbeidsloon 27.100,48 Caisse de pension volgens loonstroken 2.168,00 Caisse de Maladie 50% x € 758,80 volgens loonstroken 379,40 Caisse Maladie Espèces 50% x € 67,76 volgens loonstroken 33,88 ----------- 2.581,28 ------------ Fiscaal loon 24.519,20 Loon [E] Bruto arbeidsloon 14.800,00 Pensionfund volgens loonstroken 1.184,00 Health Insurance 50% x € 414,40 volgens loonstroken 207,20 Health Cash Benefit 50% x € 37,00 volgens loonstroken 18,50 ----------- 1.409,70 ------------ Fiscaal loon 13.390,30 Het belastbaar inkomen uit woning en werk is nader vastgesteld op € 33.411 en het herleid premie-inkomen op € 28.389, de geheven premie volksverzekeringen op € 8.843 en de heffingskorting voor deze premie € 2.954. 2.9. Over de periode 1 januari 2014 tot en met 16 november 2014 zijn door de werkgever € 4.342,29 aan Luxemburgse sociale verzekeringspremies ingehouden. 2.10. De SVB heeft met dagtekening 19 september 2018 een A1-verklaring afgegeven, inhoudende dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing is over de periode van 1 januari 2011 tot en met 16 november 2014. Nadat belanghebbende hiertegen bezwaar had gemaakt heeft de SVB met dagtekening 28 februari 2019 twee nieuwe A1-verklaringen afgegeven. Voor de periode 1 januari 2011 tot en met 31 augustus 2014 is de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving aangewezen. Dat is de periode dat belanghebbende op de loonlijst stond van [D] . Voor de periode 1 september 2014 tot en met 16 november 2014 is de Nederlandse wetgeving aangewezen. Dat is de periode dat belanghebbende op de loonlijst stond van [E] . Door de rechtbank Zeeland-West-Brabant (sociale zekerheidsrechter) is bij uitspraak van 28 februari 2020, nummer BRE 19/1596 BESLU (niet gepubliceerd) het beroep tegen de A1-verklaringen van de SVB van 28 februari 2019 ongegrond verklaard, met onder meer afwijzing van het beroep op verrekening van premies overeenkomstig artikel 73 Vo 987/2009 en met het oordeel dat met de procedure van artikel 16 Vo 987/2009 geen doel of belang wordt gediend. Belanghebbende heeft medegedeeld dat daartegen hoger beroep zal worden aangetekend bij de Centrale Raad van Beroep (hierna ook wel: CRvB). 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. In geschil is of belanghebbende een vrijstelling toekomt voor de heffing van de premie volksverzekeringen voor de periode 1 januari 2014 tot en met 16 november 2014. Tevens is in geschil of de rechtbank de vergoeding van griffierecht juist heeft vastgesteld. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vrijstelling van de heffing van premies volksverzekeringen en een hogere vergoeding van griffierecht. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank uitsluitend ten aanzien van het oordeel over de vergoeding van het griffierecht. 4Gronden Ten aanzien van het geschil Vooraf 4.1. De SVB heeft met dagtekening 28 februari 2019 twee A1-verklaringen ten name van belanghebbende afgegeven. Hieruit volgt, dat belanghebbende over de in geschil zijnde periode 1 januari 2014 tot en met 16 november 2014 verzekerings- en premieplichtig is in Nederland voor de volksverzekeringen. 4.2. De belastingrechter is aan die A1-verklaringen gebonden, ook al staan die nog niet onherroepelijk vast. 4.3. Daarmee staat voor deze belastingprocedure vast, dat belanghebbende verzekerings- en premieplichtig is voor de volksverzekeringen in Nederland. 4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende Rijnvarende is in de zin van Rijnvarendenovereenkomst. Bevoegdheid inspecteur 4.5. Anders dan belanghebbende in eerste aanleg heeft aangevoerd is de inspecteur bevoegd te heffen. Dit volgt uit de artikelen 57 en 58 van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 11, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. 4.6. Dat de inspecteur naar nationaal recht bevoegd is te heffen betekent echter niet dat de inspecteur bij die heffing Unierechtelijke en internationale regels kan negeren. Ter vergelijking: de omstandigheid dat de inspecteur bevoegd is inkomstenbelasting te heffen betekent niet dat hij een voorkoming van dubbele belasting ingevolge een belastingverdrag achterwege kan laten, terwijl daar wel recht op bestaat. 4.7. Zowel uit artikel 11 van de basisverordening als artikel 4 van Rijnvarendenovereenkomst volgt dat belanghebbende slechts aan de wetgeving van één lidstaat kan worden onderworpen. 4.8. In het onderhavige jaar is belanghebbende (feitelijk) onderworpen aan de sociale verzekeringswetgeving van Luxemburg en zijn sociale verzekeringspremies in Luxemburg betaald. 4.9. Als in Nederland van belanghebbende zonder meer premie volksverzekeringen zou mogen worden geheven dan zou belanghebbende aan de wetgeving van twee lidstaten zijn onderworpen. 4.10. Dit is zowel in strijd met artikel 11 van de basisverordening als artikel 4 van Rijnvarendenovereenkomst. 4.11. In artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is verankerd dat verordeningen, zoals de basisverordening, verbindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat. 4.12. Uit artikel 94 van de Grondwet volgt, dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen. 4.13. Het feit, dat de inspecteur bevoegd is te heffen kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat de inspecteur in afwijking van zowel artikel 11 van de basisverordening als artikel 4 van Rijnvarendenovereenkomst belanghebbende (feitelijk) onderwerpt aan de wetgeving van twee lidstaten zonder acht te slaan op die Unierechtelijke en internationale bepalingen. Procedurevoorschriften in geval van meningsverschillen tussen lidstaten 4.14. De procedurevoorschriften in het Besluit A1 en artikel 6, artikel 16 en artikel 73 van de toepassingsverordening zijn erop gericht te voorkomen dat twee of meer lidstaten van dezelfde persoon sociale verzekeringspremies heffen. Daartoe moeten lidstaten met elkaar in overleg treden en in overleg tot het oordeel komen in welke lidstaat een persoon verzekerings- en premieplichtig is. Om het resultaat te bereiken dat een belanghebbende slechts aan de wetgeving van één lidstaat wordt onderworpen, als er een meningsverschil bestaat tussen lidstaten met betrekking tot de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, is in de toepassingsverordening en het Besluit A1 voorzien in de mogelijkheid de zaak aan de Administratieve Commissie voor te leggen indien de betrokken organen of autoriteiten het niet eens kunnen worden en in een dialoog- en bemiddelingsprocedure die daaraan voorafgaat. 4.15. De inspecteur heeft gesteld, dat voorafgaande aan het moment van afgifte van de A1-verklaring door de SVB geen sprake is van een meningsverschil tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, die noopt tot overleg tussen de lidstaten. 4.16. Het hof verwerpt dit standpunt. Als twee lidstaten feitelijk heffen is er sprake van een meningsverschil tussen lidstaten, die ertoe noopt dat die lidstaten in overleg treden om die dubbele heffing ongedaan te maken om het doel te bereiken dat met de basisverordening en de Rijnvarendenovereenkomst wordt beoogd: onderwerping van belanghebbende aan de sociale zekerheidswetgeving van en de heffing in één lidstaat (in plaats van twee of meer lidstaten). 4.17. De inspecteur heeft gesteld, dat de toepassing van artikel 6 van de toepassingsverordening pas aan de orde komt als alle procedurele regels van de verordening worden gevolgd maar de organen van twee lidstaten het niet met elkaar eens worden. Artikel 6 is, aldus de inspecteur, niet van toepassing als in een lidstaat premies worden afgedragen zonder dat de toepasselijke procedures in acht worden genomen. Dit laatste doet zich bijvoorbeeld voor, aldus de inspecteur, als een werknemer die in meerdere lidstaten werkzaam is, zich niet houdt aan het in artikel 16, eerste lid, van de toepassingsverordening vervatte voorschrift dat hij zich moet melden bij het bevoegde orgaan van de lidstaat van de woonplaats. 4.18. Het hof verwerpt ook dit standpunt van de inspecteur. 4.18.1. In de preambule van de toepassingsverordening is, voor zover te dezen van belang, het volgende opgenomen: ‘(2) Een efficiëntere en nauwere samenwerking tussen de socialezekerheidsorganen is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallende personen zo spoedig mogelijk en onder de meest gunstige voorwaarden hun rechten kunnen gaan uitoefenen. (…) (6) De versterking van sommige procedures moet de gebruikers van Verordening (EG) nr. 883/2004 meer rechtszekerheid en transparantie bieden. (…) (9) Omdat de sociale zekerheid nu eenmaal een complexe materie is, moet van alle organen van de lidstaten een bijzondere inspanning ten behoeve van de verzekerden worden verlangd om de betrokkenen die hun aanvraag of bepaalde informatie aan het bevoegd orgaan niet volgens de voorschriften en procedures van Verordening (EG) nr. 883/2004 of de onderhavige verordening hebben ingediend, niet te benadelen. (10) Voor de vaststelling van het bevoegd orgaan, dat wil zeggen het orgaan waarvan de wetgeving van toepassing is of dat bepaalde uitkeringen verschuldigd is, moet de feitelijke situatie van een verzekerde en van de gezinsleden door de organen van een of meer lidstaten worden onderzocht. (…).’ Uit de deze preambule bij de toepassingsverordening volgt dat als een belanghebbende zijn aanvraag of bepaalde informatie aan het bevoegde orgaan niet volgens de voorschriften en procedures van de basisverordening of de toepassingsverordening heeft ingediend dit niet tot gevolg mag hebben dat die belanghebbende wordt benadeeld. Dit uitgangspunt is uitgewerkt in artikel 16, zesde lid, van de toepassingsverordening, waarin is bepaald dat dit artikel wordt toegepast op initiatief van het door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats aangewezen orgaan, zodra het, eventueel via een ander betrokken orgaan, in kennis is gesteld van de situatie van de betrokkene. Hieruit concludeert het hof, dat, ook indien belanghebbende zelf de procedurevoorschriften niet heeft nageleefd, de bevoegde autoriteit uit hoofde van de preambule bij de toepassingsverordening onder (9) een bijzondere inspanningsverplichting ten behoeve van de verzekerden heeft om het doel van de basisverordening en de toepassingsverordening, namelijk dat iemand slechts aan de wetgeving van één lidstaat wordt onderworpen, te bereiken. 4.18.2. Het hof wijst verder hierbij op de volgende overwegingen van de Centrale Raad van Beroep: ‘8.5. Het Unierecht verzet zich ertegen dat Lidstaten zich onttrekken aan het bepaalde in artikel 73 van Vo 987/2009 op, bijvoorbeeld, de grond dat de toepasselijke wetgeving in afwijking van artikel 6 van Vo 987/2009 en van artikel 16 van Vo 987/2009 niet eerst uitdrukkelijk voorlopig is vastgesteld, en/of de grond dat ontvangen premies niet zijn geoormerkt als voorlopig ontvangen premies. Indien aangewezen organen van de Lidstaten procedurevoorschriften van Vo 987/2009 niet in acht nemen en artikel 73 van Vo 987/2009 alleen daarom naar de letter niet van toepassing zou zijn, moeten de betrokken organen in onderling overleg bezien hoe zij, in overeenstemming met de ratio van deze bepaling, toch adequaat invulling kunnen geven aan het hieraan ten grondslag liggende uitgangspunt. 8.6. De Raad herinnert in dit verband aan punt 34 van het arrest van het HvJ EU van 21 maart 2018, Klein Schiphorst, C‑551/16, ECLI:EU:C:2018:200, waar is overwogen dat bij de uitleg van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Verder herinnert de Raad aan het arrest van het HvJ EU van 19 juni 2003, Sante Pasquini, C‑34/02, ECLI:EU:C:2003:366, punt 70 e.v., waarbij – in essentie – is bevestigd dat migrerende werknemers er niet de dupe van mogen worden dat regels die de betrekkingen tussen socialezekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen, niet of niet volledig worden nageleefd. (…) 11.3.2. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat de procedurevoorschriften van artikel 6 van Vo 987/2009 en artikel 16 van Vo 987/2009 door de nationale socialezekerheidsrechter niet buiten beschouwing mogen worden gelaten bij de beoordeling van besluiten die zijn gebaseerd op artikel 13 van Vo 883/2004 en de Rijnvarendenovereenkomst. De Raad ziet daarom geen grond om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJEU. 11.3.3.1. De Raad is van oordeel dat moet worden aangenomen dat de Svb de procedurevoorschriften van artikel 6 van Vo 987/2009, van artikel 16 van Vo 987/2009 en van het Besluit A1 (…) niet op een toereikende wijze in acht heeft genomen. Daartoe is overwogen dat aan de hand van de beschikbare gedingstukken niet kan worden geverifieerd of, wanneer en hoe de aangewezen organen van alle (mogelijk) betrokken werklanden door de Svb op de hoogte zijn gebracht van de (…) besluiten. 11.3.3.2. Verder is in aanmerking genomen dat indien wordt aangenomen dat de aangewezen organen van alle (mogelijk) betrokken werklanden wel door de Svb op de hoogte zijn gebracht van de onder 1.2 vermelde besluiten, niet kan worden uitgesloten dat deze organen daarbij door de Svb op het verkeerde been zijn gezet. De Raad herinnert er in dit verband aan dat de (…) besluiten niet onverwijld zijn genomen, dat deze besluiten voor een aanzienlijk gedeelte zijn gebaseerd op een onjuist toetsingskader, en dat in deze besluiten niet correct is aangeduid in hoeverre sprake is van vaststellingen met een voorlopig karakter als bedoeld in artikel 6 van Vo 987/2009. 11.3.4.1. Voor zover aan het standpunt van de Svb dat de procedurevoorschriften van artikel 16 van Vo 987/2009 geen rol mogen spelen in nationale procedures over de toepassing van artikel 13 van Vo 883/2004 (mede) de gedachte ten grondslag ligt dat bij toepassing van de Rijnvarendenovereenkomst niet (meer) sprake is van toepassing van artikel 13 van Vo 883/2004, maar (alleen) van de Rijnvarendenovereenkomst, wordt dit door de Raad verworpen. Op grond van artikel 16 van Vo 883/2004 kan de Rijnvarendenovereenkomst immers slechts uitzonderingen bevatten op de artikelen 11 tot en met 15 van Vo 883/2004, die betrekking hebben op de materieel toepasselijk te achten wetgeving. Deze overeenkomst doet niet af aan de procedurevoorschriften van artikel 6 van Vo 987/2009, van artikel 16 van Vo 987/2009 en van het Besluit A1, welke erop zijn gericht op correcte wijze tot vaststelling van de toepasselijke wetgeving te komen, met vermijding van dubbele premieheffing of prestaties.’ 4.19. Vaststaat dat Nederland de procedureregels in het Besluit A1 en artikel 6, artikel 16 en artikel 73 van de toepassingsverordening niet heeft nageleefd, waardoor nu dubbele heffing dreigt. 4.20. Kort samengevat komt de situatie neer op het volgende: - de inspecteur is niet het bevoegde orgaan om in overleg te treden met Luxemburg, dus hij stelt zonder overleg met de andere lidstaat bevoegd te zijn de premie volksverzekeringen te heffen ongeacht of in Luxemburg al is geheven; - de SVB is wel het bevoegde orgaan om in overleg te treden met Luxemburg, maar omdat zij in Nederland niet over de heffing gaat treedt zij niet in overleg met Luxemburg om de aldaar reeds geheven sociale verzekeringspremies door Luxemburg aan Nederland op de voet van artikel 73 van de toepassingsverordening te laten betalen en deze Luxemburgse premies (door de inspecteur) te (laten) verrekenen met de aanslag. 4.21. Aldus wordt doordat in Nederland de bevoegdheden zijn verdeeld over de SVB en de Belastingdienst belanghebbende geconfronteerd met een dubbele heffing. 4.22. In het kader van de sinds 1 mei 2010 geldende basis- en toepassingsverordening moeten Nederland en Luxemburg samen actief optrekken. De inspecteur heeft erop gewezen dat inmiddels op ambtelijk niveau contact is geweest tussen de Nederlandse en de Luxemburgse autoriteiten. Dat wijkt in positieve zin af van de opstelling, die blijkt uit eerdere antwoorden op vragen in de Tweede Kamer, die erop neer kwamen dat overleg tussen de lidstaten niet aan de orde was. Omdat de inspecteur heeft opgemerkt dat op dit moment nog geen voorspelling kan worden gedaan of de poging de dubbele premieheffing voor de betrokkenen zoals belanghebbende ongedaan te maken ook (geheel) gaat lukken, gaat het hof aan dit overleg op ambtelijk niveau verder voorbij. 4.23. Zoals belanghebbende in wezen betoogt wordt hij van het kastje naar de muur gestuurd. De inspecteur wijst naar de SVB, de SVB naar de inspecteur. Over wat de inspecteur doet of nalaat oordeelt de belastingrechter en over wat de SVB doet of nalaat oordeelt de Centrale Raad van Beroep. Het doorlopen van beide bestuursrechtelijke kolommen door belanghebbende heeft (tot nu toe) niet geleid tot het voorkomen van dubbele heffing. 4.24. In dit verband wijst het hof op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 juni 2003, Sante Pasquini, C-34/02, ECLI:EU:C:2003:366, randnummer 70 e.v., waarbij – in essentie – is bevestigd dat migrerende werknemers er niet de dupe van mogen worden dat regels die de betrekkingen tussen socialezekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen niet of niet volledig worden nageleefd. Uit het arrest van het HvJ van 2 april 2020, Vueling, C‑370/17 en C‑37/18, ECLI:EU:C:2020:260, randnummer 68, 69, 70, 74 en 75, volgt voorts onder meer dat wanneer door het niet naleven van de Unierechtelijke procedurevoorschriften sociale verzekeringspremies dubbel worden geheven en/of de in een andere lidstaat ten onrechte betaalde premies niet terug kunnen worden gekregen sprake is van het ondermijnen van het Unierecht. 4.25. Het hof is van oordeel dat de belastingrechter deze impasse - die ontstaan is doordat bestuursorganen en lidstaten niet samenwerken en overleggen en het Unierecht dreigt te worden ondermijnd - dient te doorbreken. Eventuele dubbele premieheffing kan niet worden hersteld door de Belastingdienst of de belastingrechter. 4.26. De inspecteur heeft erop gewezen dat de Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld, dat eventuele dubbele premieheffing in beginsel niet kan worden hersteld door de Belastingdienst of de belastingrechter. Zoals de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen is dit in beginsel juist. Maar zolang de SVB als bevoegd bestuursorgaan niet adequaat en effectief optreedt om de dubbele heffing ongedaan te maken, en in verlengde daarvan de sociale zekerheidsrechter (in de onder 2.10 vermelde uitspraak) er geen oog voor heeft dat, zoals de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen, het naleven van de procedurevoorschriften ertoe dient dubbele heffing (en uitkeringen) te voorkomen of ongedaan te maken en dus wél een doel of belang dient, is er voor het hof aanleiding op dit beginsel een uitzondering te maken om te voorkomen dat het Unierecht wordt ondermijnd en de impasse te doorbreken. 4.27. Het hof zal de impasse doorbreken door op de voet van artikel 73, tweede lid, van de toepassingsverordening de in Luxemburg geheven premies te verrekenen met de geheven premie volksverzekeringen. Verrekening op de voet van artikel 73, tweede lid, van de toepassingsverordening 4.28. De inspecteur heeft gesteld, dat gelet op de bewoordingen van artikel 73 van de toepassingsverordening een verrekening van de in Luxemburg geheven premies met de geheven premie volksverzekeringen een invorderingskwestie zou kunnen zijn. Het hof is van oordeel, dat als een belanghebbende drie (nationaal)rechterlijke kolommen zou moeten doorlopen om aan een dubbele heffing te ontkomen geen sprake meer is van een doeltreffende voorziening in rechte die voldoet aan de normen van het Unierecht. Namelijk: - de sociale zekerheidskolom (sociale zekerheidsrechter bij de rechtbank en Centrale Raad van Beroep); - de fiscale kolom (belastingrechter bij de rechtbank, bij het gerechtshof en bij de Hoge Raad); en - de civielrechtelijke kolom (civiele rechter bij de rechtbank, bij het gerechtshof en bij de Hoge Raad). 4.29. Voorts heeft de inspecteur gesteld, dat de Wet IB 2001, met name artikel 9.2, eerste lid, in ieder geval niet voorziet in de verrekening van buitenlandse sociale zekerheidspremies als te verrekenen voorheffingen. Dat is natuurlijk juist, maar irrelevant. Uit artikel 288 van het VWEU volgt dat verordeningen, zoals de basis- en toepassingsverordening, verbindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat. Als de nationale wet strijdt met rechtstreeks werkend Unierecht dan moet deze buiten toepassing blijven. 4.30. De inspecteur heeft tevens gesteld, dat verrekening met de premie volksverzekeringen van de in Luxemburg ingehouden en aldaar afgedragen sociale verzekeringspremies niet mogelijk is, omdat naar Luxemburgs recht eventuele afgedragen sociale verzekeringspremies worden terugbetaald aan de werkgever in Luxemburg en niet aan Nederland, zoals volgt uit artikel 73, tweede lid, van de toepassingsverordening. Dat Luxemburgs recht een betaling aan Nederland niet mogelijk zou maken is irrelevant. Uit artikel 288 van het VWEU volgt immers dat verordeningen, zoals de basis- en toepassingsverordening, verbindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat. Als de Luxemburgse nationale wet strijdt met rechtstreeks werkend Unierecht dan moet deze buiten toepassing blijven. 4.31. De inspecteur heeft tevens gesteld, dat op belanghebbende de bewijslast rust aannemelijk te maken dat de door de Luxemburgse werkgever ten onrechte ingehouden premies niet alleen zijn ingehouden, maar ook daadwerkelijk zijn afgedragen aan de Luxemburgse fondsen. Deze stelling roept associaties op met de zogenoemde ‘toeslagenaffaire’ van de Belastingdienst. Op basis van een vage notie en suggestie van fraude moet kennelijk aan belastingplichtigen, die aan die (vermeende) fraude van de werkgever part noch deel hebben, (Unierechtelijke) rechten worden ontzegd. Namelijk in het bijzonder het recht om binnen de Europese Unie niet met een dubbele heffing te worden geconfronteerd. Bovendien volgt uit vaste jurisprudentie, dat loonheffingen die door de werkgever op het loon zijn ingehouden door de werknemer verrekend mogen worden zelfs indien de werkgever de ingehouden loonheffing niet afdraagt, omdat het redelijker is dat het risico, dat de werkgever zijn verplichtingen veronachtzaamt, ten laste van de overheid komt dan dat het wordt gebracht ten laste van een werknemer die te goeder trouw is. Naar het oordeel van het hof geldt deze lijn ook voor de toepassing van artikel 73 van de toepassingsverordening. 4.32. Ook heeft de inspecteur gesteld dat de in Luxemburg ingehouden bedragen niet kunnen worden verrekend, omdat de aard van die bedragen heel anders is dan de premie volksverzekeringen. 4.33. Als de inspecteur bedoeld heeft te stellen dat de in Luxemburg ingehouden bedragen niet onder de materiële werkingssfeer van de basisverordening vallen omdat die bedragen niet vergelijkbaar zijn met de Nederlandse volksverzekeringen wordt dit standpunt verworpen. Zoals belanghebbende stelt, is de benaderingswijze van de inspecteur volstrekt in strijd met de bedoeling van de Europese sociale zekerheidsverordeningen, welke beogen coördinatie van sociale zekerheidsstelsels en niet van harmonisatie daarvan. Het feit, dat de andere lidstaat de sociale zekerheid totaal anders heeft geregeld dan Nederland kan niet de conclusie rechtvaardigen dat aan de hoofdregel in de basisverordening, dat iemand alleen in één lidstaat wordt onderworpen aan de sociale zekerheidswetgevingen en recht heeft op verrekening, afbreuk wordt gedaan. Belanghebbende heeft hierbij terecht gewezen op artikel 3, eerste lid, van de basisverordening, waarin de materiële werkingssfeer omschreven is als volgt: ‘Deze verordening is van toepassing op alle wetgeving betreffende de volgende takken van sociale zekerheid: a) prestaties bij ziekte; b) moederschaps- en daarmee gelijkgestelde vaderschapsuitkeringen; c) uitkeringen bij invaliditeit; d) uitkeringen bij ouderdom; e) uitkeringen aan nabestaanden; f) prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten; g) uitkeringen bij overlijden; h) uitkeringen bij werkloosheid; i) uitkeringen bij vervroegde uittreding; j) gezinsbijslagen.’ 4.34. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de inspecteur uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk verklaard, dat de in Luxemburg ingehouden 8% pensionkasse het meest overeenkomt met de premie voor de AOW en in die zin ten onrechte in aftrek is gebracht op het loon. Het hof zal desbetreffende bedrag verrekenen. 4.35. Voor de overige bedragen heeft de inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk verklaard, dat omtrent de kwalificatie van die bedragen alleen duidelijkheid kan worden verkregen door overleg met de andere lidstaat. Nu Nederland daartoe geen overleg heeft gepleegd met Luxemburg dient deze onduidelijkheid voor rekening en risico van de inspecteur te komen. Het hof zal ook de overige bedragen verrekenen. 4.36. Het hof is met belanghebbende van oordeel, dat de volledige betaalde sociale verzekeringspremies moeten worden verrekend. Anders dan belanghebbende wil volgt hier wel uit, dat de op het loon in aftrek gebrachte bedragen moeten worden gecorrigeerd. 4.37. Het voorgaande betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt moet worden vastgesteld: - loon [D] € 27.100 - loon [E] € 14.800 - eigen woning € 4.498 -/- Totaal € 37.402. Aangezien voor de inkomstenbelasting is uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.411, maar dit geen onderwerp van geschil is in deze procedure, blijft dit deel van de aanslag in stand, zoals dit luidt na de uitspraak op bezwaar. Wat betreft de premieheffing dient uitgegaan te worden van een herleid maximaal premie-inkomen van 315/360 x € 33.363 = € 29.192. De toe te passen heffingskorting premieheffing dient evenzeer tijdsevenredig te worden berekend. Het hieruit voortvloeiende bedrag aan premieheffing dient vervolgens te worden verminderd met de in Luxemburg over de periode 1 januari 2014 tot en met 16 november 2014 geheven premies van € 4.342,29. E101 en E106 4.38. Voor hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd met betrekking tot de E101 en E106 verklaringen verwijst het hof naar zijn uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3140. De overwegingen onder 4.3 tot en met 4.10 moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. De stellingen van belanghebbende worden verworpen. Overige stellingen 4.39. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel. Tussenconclusie 4.40. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Ten aanzien van het griffierecht 4.41. Het hof is van oordeel dat aanleiding bestaat om het griffierecht aan belanghebbende te laten vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Voorts heeft belanghebbende terecht geklaagd over de onjuiste vergoeding van het griffierecht dat in het dictum van de uitspraak van de rechtbank is opgenomen. Het dictum van de uitspraak gaat ten onrechte uit van 2 x € 11,50. Het totale betaalde griffierecht bedraagt € 46. Deze vergoeding komt volledig voor rekening van de inspecteur, omdat het beroep op inhoudelijke gronden gegrond is. Aangezien de rechtbank heeft bepaald dat de Minister wordt veroordeeld in het vergoeden van het griffierecht tot een bedrag van € 11,50 en de Minister geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het hof de uitspraak van de rechtbank op dit punt in zoverre in stand laten en de inspecteur veroordelen tot het vergoeden van € 34,50 aan griffierecht voor de procedure bij de rechtbank. Voorts dient de inspecteur het bij het hof betaalde griffierecht van € 128 geheel te vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.42. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is. 4.43. De tegemoetkoming in de kosten in verband met de behandeling van het beroep stelt het hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), op 2 (punten voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting) x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.050. Deze kosten komen volledig voor rekening van de inspecteur, omdat het beroep op inhoudelijke gronden gegrond is. Aangezien de rechtbank heeft bepaald dat de Minister wordt veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 256 en de Minister geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het hof de uitspraak van de rechtbank op dit punt in stand laten en de inspecteur veroordelen tot het vergoeden van € 794 aan proceskosten voor de procedure bij de rechtbank. 4.44. De tegemoetkoming in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep stelt het hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2,5 (punten voor het indienen van het hogerberoepschrift, het verstrekken van schriftelijke inlichtingen en het verschijnen ter zitting) x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.312,50. 4.45. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt. 5Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank met uitzondering van de beslissingen over de immateriële schadevergoeding, de proceskosten en het griffierecht ten laste van de Minister; verklaart het tegen de uitspraak van de inspecteur ingestelde beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar, met uitzondering van de beslissing over de vergoeding van de kosten van bezwaar; vermindert de aanslag 2014 maar uitsluitend voor wat betreft de premieheffing tot een aanslag berekend naar een herleid premie-inkomen uitgaande van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.402 en rekening houdend met een tijdsevenredige berekening van de heffingskorting premieheffing en vermindert het aldus berekende premiedeel van de aanslag met € 4.343; vermindert de beschikking belastingrente evenredig; veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van, in totaal, € 2.106,50; bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 162,50 (€ 34,50 + € 128) vergoedt. De uitspraak is gedaan door P. Fortuin, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van I.H.M. Fluitsma, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2. ( Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Bijlage relevante regelgeving Heffing in één lidstaat In de basisverordening is, voor zover te dezen van belang, het volgende opgenomen: ‘(15) Het is noodzakelijk dat personen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen aan de wetgeving van een enkele lidstaat onderworpen zijn, om de samenloop van toepasbare nationale wetgevingen en de verwikkelingen die daaruit ontstaan, te vermijden. (…) (32) Teneinde de mobiliteit van werknemers te bevorderen, is het met name aangewezen om het zoeken naar werk in de verschillende lidstaten te vergemakkelijken; het is derhalve nodig tot de een volledigere en effectievere coördinatie tussen de regelingen inzake werkloosheidsverzekering en de diensten voor arbeidsvoorziening van alle lidstaten te komen. (…) TITEL II VASTSTELLING VAN DE TOEPASSELIJKE WETGEVING Artikel 11 Algemene regels 1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.’. In de Rijnvarendenovereenkomst is, voor zover te dezen van belang, het volgende opgenomen: ‘Artikel 4 Toepasselijke wetgeving (1) Op de Rijnvarende is slechts de wetgeving van één enkele Ondertekenende Staat van toepassing.’ Procedurevoorschriften in geval van meningsverschillen tussen lidstaten In het Besluit A1 is, voor zover te dezen van belang, het volgende opgenomen: ‘Gelet op Artikel 6 van Verordening (EG) nr. 987/2009 betreffende de voorlopige toepassing van wetgeving en de voorlopige toekenning van uitkeringen in gevallen waar tussen de organen van twee of meer lidstaten een meningsverschil bestaat over de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, Gelet op artikel 16 van Verordening (EG) nr. 987/2009 betreffende de invoering van een procedure voor de toepassing van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 883/2004, Overwegende hetgeen volgt: (1) Een van de sleutelfactoren voor het efficiënt functioneren van de communautaire regels betreffende de coördinatie van nationale socialezekerheidsstelsels, is nauwe en efficiënte samenwerking tussen de autoriteiten en organen van de verschillende lidstaten. (4) Het beginsel van loyale samenwerking, zoals vastgelegd in artikel 10 van het Verdrag, vereist ook dat organen de voor de toepassing van de verordeningen relevante feiten zorgvuldig en juist dienen vast te stellen. (…) als er een meningsverschil bestaat tussen lidstaten met betrekking tot de vaststelling van de toepasselijke wetgeving (…), is het in het belang van de onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallende personen dat de organen of autoriteiten van de betrokken lidstaten binnen een redelijke termijn tot overeenstemming kunnen komen. (…) (11) De lidstaten hebben te kennen gegeven dat zij behoefte hebben aan een standaardprocedure die gevolgd dient te worden voordat een kwestie aan de Administratieve Commissie kan worden voorgelegd, en aan een nadere precisering van de rol van de Administratieve Commissie bij het oplossen van meningsverschillen tussen organen met betrekking tot de toepasselijke wetgeving. (…) BESLUIT: 1. In dit besluit zijn de regels vastgelegd voor de toepassing van een dialoog- en bemiddelingsprocedure, waarvan gebruik kan worden gemaakt in de volgende gevallen: (…) b) gevallen waar een meningsverschil bestaat tussen lidstaten met betrekking tot het vaststellen van de toepasselijke wetgeving.’. In de toepassingsverordening is, voor zover te dezen van belang, het volgende opgenomen: ‘(2) Een efficiëntere en nauwere samenwerking tussen de socialezekerheidsorganen is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallende personen zo spoedig mogelijk en onder de meest gunstige voorwaarden hun rechten kunnen gaan uitoefenen. (…) (6) De versterking van sommige procedures moet de gebruikers van Verordening (EG) nr. 883/2004 meer rechtszekerheid en transparantie bieden. (…) (9) Omdat de sociale zekerheid nu eenmaal een complexe materie is, moet van alle organen van de lidstaten een bijzondere inspanning ten behoeve van de verzekerden worden verlangd om de betrokkenen die hun aanvraag of bepaalde informatie aan het bevoegd orgaan niet volgens de voorschriften en procedures van Verordening (EG) nr. 883/2004 of de onderhavige verordening hebben ingediend, niet te benadelen. (10) Voor de vaststelling van het bevoegd orgaan, dat wil zeggen het orgaan waarvan de wetgeving van toepassing is of dat bepaalde uitkeringen verschuldigd is, moet de feitelijke situatie van een verzekerde en van de gezinsleden door de organen van een of meer lidstaten worden onderzocht. (…) (…) (13) Deze verordening voorziet in maatregelen en procedures om de mobiliteit van werknemers en werklozen te bevorderen. (…) (…) HOOFDSTUK II Bepalingen inzake samenwerking en gegevensuitwisseling Artikel 2 Tussen de organen uit te wisselen informatie en wijze waarop deze uitwisseling moet plaatsvinden (…) 2. Door de organen worden onverwijld alle gegevens verstrekt of uitgewisseld die nodig zijn voor de vaststelling van de rechten en plichten van degenen op wie de basisverordening van toepassing is. (…) Artikel 6 Voorlopige toepassing van een wetgeving en voorlopige betaling van uitkeringen 1. Tenzij in de toepassingsverordening anders is bepaald, wordt in geval van een meningsverschil tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, op de betrokkene voorlopig de wetgeving van een van deze lidstaten toegepast, waarbij de rangorde als volgt wordt bepaald: (…) c) in alle andere gevallen, de wetgeving van de lidstaat waar het eerst om toepassing van de wetgeving is verzocht, indien de betrokkene in twee of meer lidstaten werkzaamheden verricht. (…) 3. Worden de betrokken organen of autoriteiten het niet eens, dan kan door de bevoegde autoriteiten de zaak aan de Administratieve Commissie worden voorgelegd, zulks op zijn vroegst één maand na de datum waarop het meningsverschil als bedoeld in lid 1 en lid 2 is ontstaan. De Administratieve Commissie tracht binnen zes maanden na de datum waarop de zaak aan haar is voorgelegd, een voor beide zijden aanvaardbare oplossing te vinden. (…) HOOFDSTUK III Overige algemene bepalingen voor de toepassing van de basisverordening (…) TITEL II VASTSTELLING VAN DE TOEPASSELIJKE WETGEVING Artikel 16 Procedure voor de toepassing van artikel 13 van de basisverordening 1. Degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden verricht, stelt het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats, daarvan in kennis. 2. Het aangewezen orgaan van de woonplaats stelt onverwijld de op de betrokkene toepasselijke wetgeving vast, met inachtneming van artikel 13 van de basisverordening en artikel 14 van de toepassingsverordening. Deze aanvankelijke vaststelling heeft een voorlopig karakter. Het orgaan brengt de aangewezen organen van elke lidstaat waar werkzaamheden worden verricht op de hoogte van zijn voorlopige vaststelling. 3. De voorlopige vaststelling van de toepasselijke wetgeving, bedoeld in lid 2, wordt definitief binnen twee maanden nadat de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten aangewezen organen ervan in kennis zijn gesteld overeenkomstig lid 2,tenzij de wetgeving reeds definitief is vastgesteld op basis van lid 4, of tenzij ten minste een van de betrokken organen de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats aangewezen organen aan het eind van de periode van twee maanden ervan in kennis stelt dat het nog niet met de vaststelling kan instemmen of hierover een ander standpunt inneemt. (…) 6. Indien de betrokkene nalaat de in lid 1 vermelde informatie te verstrekken, wordt dit artikel toegepast op initiatief van het door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats aangewezen orgaan, zodra het, eventueel via een ander betrokken orgaan, in kennis is gesteld van de situatie van de betrokkene. (…) HOOFDSTUK III Terugvordering van ten onrechte verstrekte prestaties, terug- en invordering van voorlopige betalingen en premies, verrekening en bijstand bij terug- en invordering (…) Afdeling 2 Verrekening (…) Artikel 73 Voorlopige betaalde prestaties in geld of voorlopig betaalde premies (…) 2. Het orgaan dat van een rechtspersoon en/of natuurlijke persoon voorlopige premies heeft ontvangen, gaat pas over tot terugbetaling van de bedragen in kwestie aan de persoon die deze heeft betaald, nadat het bij het als bevoegd aangemerkte orgaan navraag heeft gedaan naar de bedragen die op grond van artikel 6, lid 4, van de toepassingsverordening eventueel aan dit orgaan verschuldigd zijn. Op verzoek van het als bevoegd aangemerkte orgaan, welk verzoek uiterlijk drie maanden na de vaststelling van de toepasselijke wetgeving wordt ingediend, maakt het orgaan dat voorlopige premies heeft ontvangen, deze premies aan dit orgaan over, opdat deze worden verrekend met de over dezelfde periode door de betrokken rechts- of natuurlijke persoon aan het voor de betrokken periode als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigde premies. De overgemaakte premies worden met terugwerkende kracht geacht betaald te zijn aan het als bevoegd aangemerkte orgaan. Indien de voorlopig betaalde premies meer bedragen dan de betrokken natuurlijke of rechtspersoon aan het als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigd is, betaalt het orgaan dat de premies voorlopig had ontvangen, het teveel betaalde bedrag aan de betrokken natuurlijke of rechtspersoon terug.’ Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. De hierna genoemde toepassingsverordening. Hoge Raad 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1838. Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004 van 23 december 2010, Stcrt. 2011, 3397. Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. Besluit A1 van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Pb. 2010/C 106/01) van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels. Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. Hof ’s-Hertogenbosch 27 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2018:3983, onder 4.18. CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817. Vgl. HvJ 11 juli 2018, Commissie-België, C-356/15, ECLI:EU:C:2018:555, r.o. 95, 96 en 105 en HvJ van 2 april 2020, Vueling, C‑370/17 en C‑37/18, ECLI:EU:C:2020:260, randnummer 74 en 75. Antwoord op vragen van het lid van de Tweede Kamer Lodders van de staatssecretaris van Financiën bij brief van 14 mei 2019 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2659) en antwoord op vragen van de leden van de Tweede Kamer Omtzigt en Van Helvert van de staatssecretaris van Financiën bij brief van 14 mei 2019 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2666). CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817, onder 8.7. CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817, onder 11.3.4.1. Artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Zie ook: HvJ 19 juni 2003, Sante Pasquini, C-34/02, ECLI:EU:C:2003:366. HvJ van 2 april 2020, Vueling, C‑370/17 en C‑37/18, ECLI:EU:C:2020:260, randnummer 74. Zie ook antwoorden op vragen 2 en 3 in Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2659. Hoge Raad 22 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9782; Hoge Raad 22 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9784 en Hoge Raad 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3038. Zie ook: https://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=868&intPageId=2285&langId=en
ECLI:NL:RBNNE:2020:3495
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 19/511, LEE 19/512 en LEE 19/513 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 oktober 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. [gemachtigde van eiser] ), en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, verweerder (gemachtigden: [gemachtigde 1 van verweerder] , mr. [gemachtigde 2 van verweerder] en [gemachtigde 3 van verweerder] ). Procesverloop Zaaknummer LEE 19/511 Verweerder heeft voor het jaar 2010 met dagtekening 7 februari 2013 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.900.
ECLI:NL:HR:2018:1725
5 oktober 2018 nr. 18/01619 Prejudiciële beslissing in het geding tussen [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) en de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur), waarin het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch (hierna: het Hof) bij uitspraak van 19 april 2018, nr. 10/03797, op de voet van artikel 27ga van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vragen aan de Hoge Raad heeft voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. De uitspraak van het Hof is aan deze beslissing gehecht. 1De procedure in feitelijke instanties 1.1.
ECLI:NL:HR:2009:BH0546
Het geding in feitelijke instantie Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-21/00822 Uitspraak van 23 maart 2022 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: M.J. van Dam) en de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 juli 2021, nummer SGR 20/5864. Procesverloop 1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2016 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.351 en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 39.351.

Verder is aan belanghebbende bij beschikking € 787 belastingrente in rekening gebracht. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de tegen de navorderingsaanslag IB/PVV en de beschikking belastingrente gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 48. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 134.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 21 februari 2022 een nader stuk ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 februari 2022. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft een pleitnota en een productie overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende, geboren op [geboortedatum] 1976, heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in het onderhavige jaar in Nederland. 2.2. Belanghebbende was in 2016 in loondienst werkzaam voor [A AG] , gevestigd in Liechtenstein, en heeft in dat jaar werkzaamheden verricht als bemanningslid van het binnenvaartschip motorvrachtschip [naam schip] . 2.3.

Op 29 april 2010 is voor het binnenvaartschip [naam schip] een Rijnvaartverklaring afgegeven waarop als eigenaar en exploitant [B B.V.] , gevestigd te [vestigingsplaats] , staat vermeld. Het binnenvaartschip was in het jaar 2016 voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. 2.4. Bij besluit van 6 juni 2016 heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voorlopig de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing verklaard met ingang van 1 januari 2016. Bij besluit van 9 maart 2018 heeft de SVB het bezwaar van belanghebbende tegen dat besluit ongegrond verklaard en een A1-verklaring afgegeven waarin is vermeld dat, op grond van Verordening (EG) 883/2004 (de Basisverordening), van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2019 de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing is.

De Rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 22 februari 2019 het beroep daartegen ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep heeft bij uitspraak van 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2609, deze uitspraak bevestigd. 2.5. Belanghebbende heeft voor het jaar 2016 geen aangifte IB/PVV gedaan. De Inspecteur heeft vervolgens de aanslag IB/PVV ambtshalve vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.000 en belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 369. 2.6. Belanghebbende heeft op 25 januari 2019 alsnog een aangiftebiljet voor het jaar 2016 ingezonden waarin een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.351 is vermeld, bestaande uit een buitenlands inkomen uit tegenwoordige arbeid van € 39.351.

Belanghebbende heeft daarbij om vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen voor het gehele jaar 2016 verzocht. 2.7. Bij brief van 13 november 2018, ontvangen door de Inspecteur op 25 januari 2019, heeft de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur verzocht om onder meer de aanslag IB/PVV 2016 ambtshalve te verminderen. De Inspecteur heeft dit verzoek bij brief van 6 maart 2020 afgewezen en aangekondigd dat aan belanghebbende naar aanleiding van het ingezonden aangiftebiljet een navorderingsaanslag IB/PVV 2016 zal worden opgelegd, waarbij geen vrijstelling premieheffing volksverzekeringen zal worden verleend.

Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “Verrekening Liechtensteinse sociale zekerheidspremies 14. In zijn arrest van 10 juli 2020[3] heeft de Hoge Raad – kort samengevat – geoordeeld dat de artikelen 6 en 73 van de Toepassingsverordening geen grondslag voor verrekening bieden in een geval waarin op grond van de zogenoemde Rijnvarendenovereenkomst de wetgeving van slechts één Rijnoeverstaat van toepassing is en in de uitvoeringspraktijk desondanks in meer dan één Rijnoeverstaat premies worden geheven.

15. Eiser heeft zich onder verwijzing naar dit arrest op het standpunt gesteld dat artikel 73, tweede lid, van de Toepassingsverordening in het onderhavige geval wél rechtsgrond voor verrekening biedt omdat de Rijnvarendenovereenkomst niet van toepassing is. Dat laatste omdat Liechtenstein geen partij is bij die overeenkomst.

16. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het hiervoor genoemde arrest niet deze omgekeerde conclusie worden getrokken. De Hoge Raad overweegt ‘slechts’ dat in geval van dubbele premieheffing van meer dan één Rijnoeverstaat, de belastingrechter kan vaststellen of er een rechtsgrond is die verweerder verplicht tot verrekening en dat in het geval van een Rijnvarende niet artikel 73 van de Toepassingsverordening kan zijn. Overigens volgt uit artikel 2, eerste lid[4], in verbinding met artikel 1a[5], van de Rijnvarendenovereenkomst dat deze op eiser van toepassing is nu niet in geschil is dat eiser als rijnvarende is onderworpen aan de Nederlandse wetgeving. Dat Liechtenstein in het in geschil zijnde jaar geen partij was bij de overeenkomst, maakt dat niet anders.

17. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen dan in het hiervoor onder 14 genoemde arrest, zodat de in Liechtenstein ingehouden sociale premies niet op grond van artikel 73 van de Toepassingsverordening met de in Nederland verschuldigde premies kunnen worden verrekend. Hoogte belastbaar loon Liechtensteinse werkgever 18. Eiser stelt zich op het standpunt dat het belastbaar loon dat eiser van zijn Liechtensteinse werkgever heeft ontvangen te hoog is vastgesteld, omdat verweerder voorbijgaat aan artikel 3.16, negende lid, van de Wet IB 2001.

Volgens eiser dienen de in Liechtenstein betaalde sociale premies op grond van die bepaling in aftrek te komen op het belastbare loon. Deze bepaling heeft echter geen betrekking op de vaststelling van het belastbare loon, maar uitsluitend op de vaststelling van de belastbare winst. In afdeling 3.3 van de Wet IB 2001 is voorts geen bepaling te vinden op grond waarvan buitenlandse sociale verzekeringspremies in mindering komen op het belastbare loon. Verrekening premies wegens inhouding door de werkgever 19. Eiser heeft gesteld dat uit vaste jurisprudentie volgt dat loonheffingen die door de werkgever op het loon zijn ingehouden door de werknemer verrekend mogen worden zelfs indien de werkgever de ingehouden loonheffing niet afdraagt.

Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 mei 2020[6], rechtsoverweging 4.31. Eiser is daarbij van mening dat de in Liechtenstein ingehouden premies als te verrekenen loonheffingen dienen te worden aangemerkt.

20. Verweerder stelt dat er geen voorheffingen ten bate van de Nederlandse staat zijn geweest. Artikel 9.2 van de Wet IB 2001 – op grond waarvan voorheffingen verrekend worden – gaat dan niet op.

21. Op grond van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dienen in de belastingwet aangewezen voorheffingen verrekend te worden met de aanslag. Op grond van artikel 9.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 behoren tot de voorheffingen van de inkomstenbelasting de geheven loonbelasting met uitzondering van de als eindheffing geheven loonbelasting. Als op grond van artikel 9.1, derde lid, van de Wet IB 2001 de inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen door middel van één aanslag geheven worden, behoren op grond van artikel 9.2, zesde lid, van de Wet IB 2001 de bij wijze van inhouding geheven premies voor de volksverzekeringen ook tot de voorheffingen.

22. Met het in de hiervoor genoemde bepalingen gebruikte begrip ‘premie voor de volksverkeringen’ wordt naar het oordeel van de rechtbank enkel gedoeld op de Nederlandse volksverzekeringen. Immers, slechts premies voor de Nederlandse volksverzekeringen kunnen met de heffing van inkomstenbelasting door middel van één belastingaanslag geheven worden. Deze opvatting is eveneens af te leiden uit bijvoorbeeld artikel 3.16, negende lid, van de Wet IB 2001. In onderdeel a van dat artikellid wordt het begrip ‘premie voor de volksverzekeringen’ gebruikt.

In onderdeel b wordt vervolgens genoemd ‘premies voor buitenlandse verzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de volksverzekeringen’.[7] Alleen Nederlandse premies volksverzekeringen kunnen dus als voorheffing in aanmerking worden genomen en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn Liechtensteinse werkgever dergelijke premies heeft ingehouden. Reeds daarom faalt eisers beroepsgrond. Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur 23. Volgens eiser moet verweerder bij de te maken evenredigheidsafweging rekening houden met de omstandigheid dat de A1-verklaring achteraf is afgegeven en met de omstandigheid dat de situatie een twist betreft tussen Nederland en Liechtenstein.

Door de handelwijze van de SVB en het Liechtensteinse orgaan worden de belangen van eiser geschaad en dat moet worden gerepareerd op grond het evenredigheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder zou volgens eiser niet zomaar de A1-verklaring mogen volgen. Omdat hij weet dat Liechtensteins sociaal verzekeringsrecht van toepassing is, is het heffen van de onderhavige premies in strijd met de materiële zorgvuldigheid, aldus eiser. In dit verband is gewezen op de herwaardering van het belang van de menselijke maat, zoals onder meer naar voren komt uit het verslag van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag ‘Ongekend Onrecht’ en het rapport van de Tijdelijke Commissie Uitvoeringsorganisaties ‘Klem tussen balie en beleid’.

24. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Naar het oordeel van de rechtbank is de premieheffing niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel en heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Verweerder is terecht uitgegaan van de A1-verklaring[8] waarin de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving wordt aangewezen als toepasselijke sociale zekerheidswetgeving.

25. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft eiser geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de belastingrente naar een onjuist bedrag of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

26. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.. Proceskosten 27. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. (…) [3] ECLI:NL:HR:2020:1150 [4] “(1) De onderhavige overeenkomst is op het grondgebied van de Ondertekenende Staten van toepassing op alle personen die als Rijnvarende, zoals bedoeld in artikel 1 a), aan de wetgeving van één of meerdere opeenvolgende Ondertekenende Staten onderworpen zijn of zijn geweest.” [5] “Voor de toepassing van deze overeenkomst a) wordt onder het begrip ‘Rijnvarende’ een werknemer of zelfstandige verstaan, alsmede elke persoon die krachtens de van toepassing zijnde wetgeving met hen wordt gelijkgesteld, die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en dat is voorzien van het certificaat bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, ondertekend te Mannheim op 17 oktober 1868, met inachtneming van de wijzigingen welke daarin zijn aangebracht of nog zullen worden aangebracht, alsmede van de daarop betrekking hebbende uitvoeringsvoorschriften;” [6] ECLI:NL:GHSHE:2020:1472 [7] Zie ook ECLI:NL:RBNNE:2020:3495 [8] Conform ECLI:NL:HR:2018:1725” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1.

In hoger beroep is in geschil of: a.

a) belanghebbende in 2016 in Nederland verzekerd en premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen;

b) belanghebbende Liechtensteinse sociale zekerheidspremies (premies) kan verrekenen met Nederlandse premies volksverzekeringen;

c) het belastbaar loon op het juiste bedrag is vastgesteld, meer in het bijzonder of de Inspecteur terecht de Liechtensteinse sociale zekerheidspremies niet met overeenkomstige toepassing van artikel 3.16, lid 9, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in aftrek heeft toegelaten. Belanghebbende beantwoordt de vragen onder a) en c) ontkennend en de vraag onder b) bevestigend, en de Inspecteur in tegenovergestelde zin. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 tot primair een aanslag waarin geen premieheffing volksverzekeringen is begrepen en subsidiair tot een aanslag waarin de Liechtensteinse premies zijn verrekend met Nederlandse premies volksverzekeringen of Nederlandse inkomstenbelasting dan wel een aanslag op basis van het belastbaar loon verminderd met de Liechtensteinse premies, alsmede tot toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaar-, de beroeps- en de hogerberoepsfase. 4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Verzekerings- en premieplicht 5.1. Niet in geschil is dat belanghebbende in de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 een werknemer was die, behorend tot het varend personeel, zijn beroepsarbeid verrichtte aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt. In de onderhavige periode was Liechtenstein nog niet toegetreden tot het Rijnvarendenverdrag of de Rijnvarendenovereenkomst. 5.2. De SVB heeft aan belanghebbende een A1-verklaring afgegeven voor de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2019, waarbij het Nederlandse socialezekerheidsrecht op belanghebbende van toepassing is verklaard.

Het beroep tegen de beslissing van de SVB om de A1-verklaring in stand te laten, is door de Rechtbank Amsterdam ongegrond verklaard, en de Centrale Raad van Beroep heeft in hoger beroep de uitspraak van de Rechtbank bevestigd (zie onder 2.4). De A1-verklaring is niet ingetrokken of ongeldig verklaard. 5.3. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0546, BNB 2009/312, r.o. 3.4.5, en HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, BNB 2019/44, r.o. 5.4 tot en met 5.5.1) volgt dat zowel de Inspecteur als de belastingrechter is gebonden aan een door de SVB afgegeven A1-verklaring zolang die niet is ingetrokken of ongeldig verklaard.

Dit geldt ook indien tegen een dergelijke verklaring van de SVB een rechtsmiddel is aangewend. Het Hof is dus gebonden aan de A1-verklaring en komt daarom niet toe aan de inhoudelijke toets of belanghebbende, zoals zijn gemachtigde stelt, niet een substantieel deel van de tijd in Nederland heeft gewerkt als bedoeld in artikel 13 van de Basisverordening. 5.4. Gelet op het voorgaande heeft de Inspecteur belanghebbende over de in geding zijnde periode terecht verzekerd geacht voor de volksverzekeringen en in de premieheffing volksverzekeringen betrokken.

Artikel 18 van de Toepassingsverordening en algemene rechtsbeginselen 5.5. Belanghebbende heeft aangevoerd dat sprake is van dubbele heffing van socialeverzekeringspremies en dat de doelstelling van de Basisverordening in dat geval meebrengt dat het Liechtensteins socialeverzekeringsrecht van toepassing wordt verklaard op de voet van artikel 16 van de Basisverordening. Belanghebbende mag immers niet de dupe worden van een geschil tussen Nederland en Liechtenstein. 5.6. Indien een betrokkene een uitzondering wenst op zijn verzekeringsplicht op grond van de Basisverordening, zal deze, overeenkomstig de in artikel 18 van Verordening (EG) 987/2009 (de Toepassingsverordening) beschreven procedure, een verzoek moeten indienen bij de bevoegde autoriteit of het orgaan dat is aangewezen door de autoriteit van de staat waarvan hij toepassing van de wetgeving wenst, in dit geval Liechtenstein.

Belanghebbende heeft een dergelijk verzoek blijkens de als productie 2 bij het hogerberoepschrift gevoegde brief van 22 april 2020 ook ingediend. De omstandigheid dat een dergelijk verzoek is gedaan kan, anders dan belanghebbende kennelijk meent, op zich echter niet leiden tot toepassing van artikel 16 van de Basisverordening in de onderhavige procedure, omdat deze toepassing is voorbehouden aan de bevoegde organen van de betreffende staten. 5.7. Een door de Liechtensteinse autoriteiten voor dezelfde periode afgegeven A1-verklaring is niet aanwezig.

Gelet op de hiervoor in 5.3 vermelde jurisprudentie van de Hoge Raad over de status van de A1-verklaring en het in de onderhavige zaak over de verzekeringsplicht gegeven oordeel van de Centrale Raad van Beroep (zie onder 2.4), heeft de Inspecteur zich terecht op het standpunt gesteld dat belanghebbende premieplichtig is in Nederland. De omstandigheid dat de werkgever Liechtensteinse sociale verzekeringspremies heeft ingehouden van belanghebbende, is, anders dan belanghebbende stelt, niet relevant bij de beoordeling in welk land sprake is van verzekeringsplicht voor sociale verzekeringen.

Niet valt in te zien hoe de Inspecteur, doordat hij bij het nemen van zijn besluit is uitgegaan van de A1-verklaring, in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur eerst een afweging had moeten maken of premieheffing van belanghebbende in diens geval evenredig is, en tot de conclusie had moeten komen dat dit niet het geval is, verwerpt het Hof die stelling. De SVB heeft belanghebbende al bij brief van 6 juni 2016 meegedeeld dat hij met ingang van 1 januari 2016 in Nederland sociaal verzekerd was, zodat hij dit al in het onderhavige jaar bij zijn werkgever aan de orde had kunnen stellen of in Liechtenstein tegen de inhouding van premies had kunnen opkomen.

Dat de SVB belanghebbende bij brief van 10 juni 2016 heeft meegedeeld dat zij nadere informatie nodig heeft om definitief vast te kunnen stellen of de Nederlandse of Liechtensteinse wetgeving op hem van toepassing is, kan niet afdoen aan de omstandigheid dat belanghebbende ervan op de hoogte was dat de Nederlandse wetgeving voorlopig was vastgesteld als de op belanghebbende toepasselijke wetgeving. Bovendien kan op de voet van artikel 73, lid 2, van de Toepassingsverordening worden bewerkstelligd dat de in Liechtenstein ten onrechte geheven premies worden verrekend met de van belanghebbende in Nederland terecht geheven premies, waartoe de SVB ook al daadwerkelijk stappen heeft gezet (zie ook onder het volgende kopje).

Artikel 73 van de Toepassingsverordening 5.8. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 73 van de Toepassingsverordening recht heeft op verrekening van Liechtensteinse premies met Nederlandse premies volksverzekeringen. De Inspecteur stelt dat de situatie waarvoor dit artikel is geschreven, zich in het onderhavige geval niet voordoet, omdat de Liechtensteinse wetgeving niet voorlopig als toepasselijk is aangewezen. Artikel 73 van de Toepassingsverordening is daarom volgens de Inspecteur niet van toepassing. 5.8.1. Artikel 73 van de Toepassingsverordening bepaalt, voor zover hier van belang:

“1. (…).

2. Het orgaan dat van een rechtspersoon en/of natuurlijke persoon voorlopige premies heeft ontvangen, gaat pas over tot terugbetaling van de bedragen in kwestie aan de persoon die deze heeft betaald, nadat het bij het als bevoegd aangemerkte orgaan navraag heeft gedaan naar de bedragen die op grond van artikel 6, lid 4, van de toepassingsverordening eventueel aan dit orgaan verschuldigd zijn. Op verzoek van het als bevoegd aangemerkte orgaan, welk verzoek uiterlijk drie maanden na de vaststelling van de toepasselijke wetgeving wordt ingediend, maakt het orgaan dat voorlopige premies heeft ontvangen, deze premies aan dit orgaan over, opdat deze worden verrekend met de over dezelfde periode door de betrokken rechts- of natuurlijke persoon aan het voor de betrokken periode als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigde premies.

De overgemaakte premies worden met terugwerkende kracht geacht betaald te zijn aan het als bevoegd aangemerkte orgaan. Indien de voorlopig betaalde premies meer bedragen dan de betrokken natuurlijke of rechtspersoon aan het als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigd is, betaalt het orgaan dat de premies voorlopig had ontvangen, het teveel betaalde bedrag aan de betrokken natuurlijke of rechtspersoon terug.” 5.8.2. De Centrale Raad van Beroep heeft op 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817, met betrekking tot de reikwijdte van artikel 73 van de Toepassingsverordening als volgt geoordeeld:

“8.3. (...) Indien Vo 883/2004 en Vo 987/2009 van toepassing zijn en de Svb met inachtneming van de procedurevoorschriften van artikel 16 van Vo 987/2009 over een periode de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op een werknemer van toepassing heeft verklaard, dienen vanaf 1 mei 2010 de socialezekerheidsorganen van andere Lidstaten die over de betreffende periode ten onrechte premies voor betrokkene hebben ontvangen, deze premies op verzoek van het Nederlandse bevoegde orgaan, over te maken aan dit orgaan, opdat deze premies worden verrekend met de over dezelfde periode voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving verschuldigde premies.

Door deze sinds 1 mei 2010 dwingend voorgeschreven samenwerking voorkomen de socialezekerheidsorganen van de verschillende betrokken Lidstaten met het Unierecht onverenigbare dubbele heffingen. 8.5. Het Unierecht verzet zich ertegen dat Lidstaten zich onttrekken aan het bepaalde in artikel 73 van Vo 987/2009 op, bijvoorbeeld, de grond dat de toepasselijke wetgeving in afwijking van artikel 6 van Vo 987/2009 en van artikel 16 van Vo 987/2009 niet eerst uitdrukkelijk voorlopig is vastgesteld, en/of de grond dat ontvangen premies niet zijn geoormerkt als voorlopig ontvangen premies.

Indien aangewezen organen van de Lidstaten procedurevoorschriften van Vo 987/2009 niet in acht nemen en artikel 73 van Vo 987/2009 alleen daarom naar de letter niet van toepassing zou zijn, moeten de betrokken organen in onderling overleg bezien hoe zij, in overeenstemming met de ratio van deze bepaling, toch adequaat invulling kunnen geven aan het hieraan ten grondslag liggende uitgangspunt. 8.6. De Raad herinnert in dit verband aan punt 34 van het arrest van het HvJEU van 21 maart 2018, Klein Schiphorst, C‑551/16, ECLI:EU:C:2018:200, waar is overwogen dat bij de uitleg van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.

Verder herinnert de Raad aan het arrest van het HvJEU van 19 juni 2003, Sante Pasquini, C‑34/02, ECLI:EU:C:2003:366, punt 70 e.v., waarbij – in essentie – is bevestigd dat migrerende werknemers er niet de dupe van mogen worden dat regels die de betrekkingen tussen socialezekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen, niet of niet volledig worden nageleefd. 8.7. Uit het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1725) volgt dat zowel de Belastingdienst als de belastingrechter in het kader van de premieheffing dienen te handelen en oordelen overeenkomstig de inhoud van door de Svb afgeven A1verklaringen.

Dit betekent dat met het Unierecht onverenigbare dubbele heffingen in situaties als aan de orde in de voorliggende zaken in beginsel niet kunnen worden voorkomen of hersteld door de Belastingdienst en de belastingrechter. Dat kunnen in de Nederlandse context alleen de Svb en de sociale zekerheidsrechter. De Svb is voor de hier aan de orde zijnde Unierechtelijke regelgeving immers voor Nederland de bevoegde autoriteit. Ingevolge Nederlands nationaal recht is de Belastingdienst bevoegd ter zake van de heffing van premie volksverzekeringen, maar de Belastingdienst is niet de bevoegde autoriteit om in overleg met (een) andere lidsta(a)t(en) te coördineren in welke lidstaat iemand verzekerings- en premieplichtig is en ook niet om een verrekening te bewerkstelligen van in een andere lidstaat reeds betaalde sociale verzekeringspremies. 8.8.

Het ligt dan ook, mede gelet op de preambule bij Vo 987/2009, punten 9 en 10, in de rede dat de Svb zich mede verantwoordelijk acht voor een verrekening van in een andere lidstaat reeds betaalde sociale verzekeringspremies als bedoeld in het tweede lid van artikel 73 van Vo 987/2009 indien naderhand blijkt dat iemand in Nederland verzekerings- en premieplichtig is en niet in een andere lidstaat, waar reeds sociale verzekeringspremies zijn betaald. Ook CAK dient − met enige nuance waar het gaat om de oplegging van boetes − bij de uitvoering van de Zorgverzekeringswet te handelen overeenkomstig de inhoud van door de Svb afgeven A1verklaringen.

De Raad herinnert in dit verband aan zijn uitspraak van 9 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2467.” 5.8.3. Vast staat dat de SVB ten name van belanghebbende voor de in geschil zijnde periode een A1-verklaring heeft gegeven en dat de Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat dit terecht is geschied (CRvB 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2609, r.o. 10.25). Het vorenstaande onder 5.8.1 en 5.8.2 leidt het Hof reeds daarom tot het oordeel dat artikel 73 van de Toepassingsverordening, anders dan belanghebbende betoogt, geen grond kan vormen voor de Inspecteur om in de aangifte IB/PVV verrekening van Liechtensteinse premies toe te staan.

Daaraan doet niet af dat de SVB, na beëindiging door Liechtenstein van de dialoog- en bemiddelingsprocedure, stappen heeft gezet om te bewerkstelligen dat de door [A AG] in Liechtenstein voor belanghebbende afgedragen premies op de voet van artikel 73 van de Toepassingsverordening worden afgedragen aan Nederland ter verrekening met de in Nederland verschuldigde premie volksverzekeringen. Aangezien eventueel door Liechtenstein aan Nederland afgedragen premies dus zullen worden verrekend met de van belanghebbende in Nederland geheven premies, veronderstelt belanghebbende ten onrechte dat de Nederlandse Belastingdienst bij toepassing van artikel 73 van de Toepassingsverordening tweemaal betaald krijgt en van twee walletjes eet.

In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 73 van de Toepassingsverordening, anders dan de Inspecteur meent, ook betrekking heeft op een geval als het onderhavige (zie met name r.o. 8.3 en 8.5 van de in 5.8.2 opgenomen oordelen van de Centrale Raad van Beroep; zie ook r.o. 10.26 van de uitspraak CRvB 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2609). Vaststelling belastbaar loon 5.9.1. Belanghebbende stelt voorts dat het belastbare loon te hoog is vastgesteld, omdat de Inspecteur voorbijgaat aan artikel 3.16, lid 9, Wet IB 2001. Volgens belanghebbende dienen de in Liechtenstein betaalde premies in aftrek te komen op het belastbare loon. 5.9.2.

Dit betoog faalt, omdat deze bepaling geen betrekking heeft op de vaststelling van het belastbare loon. In afdeling 3.3 van de Wet IB 2001 is voorts geen bepaling te vinden op grond waarvan buitenlandse socialeverzekeringspremies in mindering komen op het belastbare loon. Van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling tussen winstgenieters en werknemers is in dit verband geen sprake. In artikel 3.16, lid 9, Wet IB 2001 gaat het immers, en anders dan in het onderhavige geval, om buitenlandse sociale verzekeringspremies die aldaar zijn ingehouden omdat de toepasselijke wetgeving van het desbetreffende land is aangewezen.

Dat is hier met de Liechtensteinse wetgeving niet het geval. Verrekening van sociale premies op grond van inhouding door de werkgever? 5.10. Evenmin biedt de Wet IB 2001 de mogelijkheid om door de werkgever ingehouden buitenlandse sociale premies te verrekenen met Nederlandse inkomstenbelasting. Weliswaar laat het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 14 maart 2014, DGB 2014/144M, Stcrt. 2014, 9763, de door de werknemer zelf betaalde premies voor verzekeringen die naar aard en strekking vergelijkbaar zijn met de Nederlandse volks- en werknemersverzekeringen, waaronder de AWBZ, dan wel vergelijkbaar zijn met de Nederlandse Zorgverzekeringswet in aftrek toe, maar daarin zijn geen Liechtensteinse premies opgenomen.

Voor zover [A AG] op het loon van belanghebbende bedragen heeft ingehouden die vergelijkbaar zijn met de hiervoor genoemde Nederlandse premie volks- en werknemersverzekeringen, zijn deze dus niet aftrekbaar. Slotsom 5.11. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door F.G.F. Peters, H.A.J. Kroon en R.A. Bosman, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 23 maart 2022 in het openbaar uitgesproken. aangetekend aan partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.