Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHDHA:2022:2048 ECLI:NL:GHDHA:2022:2048 AI generated

ECLI:NL:GHDHA:2022:2048 · Gerechtshof Den Haag

Case Number ECLI:NL:GHDHA:2022:2048
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Ieder der eigenaren is in de gemeenschap gerechtigd voor het in de akte van splitsing vastgestelde aandeel. De gemeenschappelijke baten moeten in eenzelfde verhouding tussen de eigenaren worden verdeeld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 382 Rv, artikel 236 Rv, artikel 87 lid 6 Rv; ECLI:NL:GHDHA:2022:2048 · Gerechtshof Den Haag: Ook vordert zij veroordeling van de VvE in de proceskosten in beide instanties. 5.4 [verzoekster] heeft één grief tegen de beschikking gericht. Zij voert daarmee kort gezegd aan dat artikel 13 lid 3 van het Splitsingsreglement zo moet worden uitgelegd dat elke eigenaar dezelfde bijdrage dient te leveren in de gezamenlijke schulden, kosten en lasten, ongeacht het aandeel in de gemeenschap. [verzoekster] wijst daarbij op het verschil in bewoordingen van artikel 13 lid 2 (“in eenzelfde verhouding”) en lid 3 (“in gelijke verhouding”). 5.5 De VvE heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Keywords

AI generated
artikel 382 Rv artikel 236 Rv artikel 87 lid 6 Rv

Cited Legislation

AI generated
artikel 382 Rv
[verzoekster] heeft wel herroeping van het arrest van 8 juni 2021 gevorderd (als bedoeld in artikel 382 Rv) maar een vordering tot herroeping is een buitengewoon rechtsmiddel en doet daarom niet af aan de kracht van gewijsde (zolang geen herroeping is uitgesproken).
artikel 236 Rv
Gezag van gewijsde arrest van 8 juni 2021 6.4 De VvE heeft een beroep gedaan op het gezag van gewijsde (als bedoeld in artikel 236 Rv jo.
artikel 87 lid 6 Rv
De vragen of (i) [bestuurder 1] zonder tussenkomst van een advocaat stukken heeft kunnen indienen en (ii) deze stukken tijdig zijn ingediend (gelet op het bepaald in artikel 87 lid 6 Rv) kunnen daardoor onbeantwoord blijven.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHDHA:2021:1024
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.261.637/02 Rolnummer rechtbank : 6967234 \ RL EXPL 18-12500 Vindplaats vonnis : ECLI:NL:RBDHA:2019:2331 Arrest (uitspraak) van 8 juni 2021 in de zaak van: [naam B.V.] ,gevestigd te [vestigingsplaats 1] (gemeente [gemeente] ),hierna te noemen: [naam B.V.] , appellante, advocaat: mr. J.A.M. Reuser te Pijnacker, tegen: [naam vereniging] , gevestigd [vestigingsplaats 2] , hierna te noemen: de VvE,verweerster, advocaat: mr. Y.H. van Ballegooijen te Breda. De processtappen 1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:- het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 14 februari 2019 (hierna: het vonnis) en het procesdossier bij de rechtbank;- de dagvaarding in hoger beroep van [naam B.V.] van 13 mei 2019 en het anticipatie- exploot van 24 juni 2019; het tussenarrest van 16 juli 2019 (met zaaknummer 200.261.637/01), waarbij een comparitie van partijen werd gelast; de brief van [naam B.V.] van 6 augustus 2019 ten behoeve van de comparitie van partijen(met producties 1 tot en met 30; ook aangeduid als C1 tot en met C31); het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 22 augustus 2019, waarbij de zaak is doorgehaald; na hervatting van de zaak: de memorie van grieven (met drie grieven) tevens akte vermeerdering van eis van 19 november 2019 (met productie 32); de memorie van antwoord van 14 januari 2020; de akte overlegging producties van [naam B.V.] (met producties 33 tot en met 60); de pleitaantekeningen van beide partijen ten behoeve van het schriftelijke pleidooi, overgelegd ter rolzitting van 17 november 2020.
ECLI:NL:RBDHA:2019:2331
Rechtbank den haag Zittingsplaats 's-Gravenhage vR Rolnr.
ECLI:NL:HR:2020:2099
Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: het vonnis in de zaak CV 15-20024 van de kantonrechter te Amsterdam van 16 mei 2017; het arrest in de zaak 200.223.734/01 van het gerechtshof Amsterdam van 16 oktober 2018. IV-Groep heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Zwitserleven heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Zwitserleven mede door J.B. van de Velden. De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.271.919/01 Repnummer rechtbank : 7017814 RP VERZ 18-50362 Beschikking van 27 september 2022 inzake: [naam onderneming] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats], verzoekster in hoger beroep, nader te noemen: [verzoekster], advocaat: onttrokken (voorheen: mr. J.A.J. Hendriks te ’s-Gravenzande), tegen: de Vereniging van Eigenaren flatgebouw hoek Van Foreestweg/Van Adrichemstraat/Van der Lelystraat te Delft, gevestigd in Delft, verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de VvE, advocaat: mr.

Y.H. van Ballegooijen te Breda. 1De zaak in het kort 1.1 [verzoekster] is eigenaar van twee appartementen. De vraag is in welke verhouding [verzoekster] als appartementseigenaar moet bijdragen in de kosten, lasten en schulden van de VvE. De VvE heeft daarover een besluit genomen. [verzoekster] is het daarmee niet eens en heeft in deze procedure verzocht om vernietiging van dat besluit. 1.2 Het hof beslist, net zoals de kantonrechter, dat het verzoek van [verzoekster] moet worden afgewezen. 2Procesverloop 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 4 december 2019 (hierna: de beschikking) en de daarin genoemde processtukken uit de eerste aanleg; het verzoekschrift in hoger beroep van [verzoekster], met producties, bij het hof binnengekomen op 3 januari 2020; het verweerschrift in hoger beroep van de VvE; de processen-verbaal van de zitting op 11 april 2022 en van de voorzetting daarvan op 18 augustus 2022, waarin onder meer melding is gemaakt van de stukken die voorafgaand aan beide zittingen zijn toegestuurd. 2.2 Na afloop van de zitting van 18 augustus 2022 heeft de heer [bestuurder 1] nog stukken aan de griffie toegezonden.

Het hof heeft deze stukken buiten beschouwing gelaten omdat ze te laat en daarom in strijd met de goede procesorde zijn ingediend. De vraag of deze stukken zonder tussenkomst van een advocaat konden worden ingediend, kan onbeantwoord blijven. 3Feitelijke achtergrond 3.1 Het hof zal onder meer uitgaan van de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden in het verzoekschrift in hoger beroep (zie onder 3 daarvan) of het verweerschrift in hoger beroep en staan daarom ook in hoger beroep vast. 3.2 Het flatgebouw hoek Van Foreestweg/Van Adrichemstraat/Van der Lelijstraat in Delft (hierna: het flatgebouw) is gesplitst bij akte van splitsing van 5 november 1963.

Bij die akte van splitsing is de VvE opgericht. In de akte is het (model) Reglement van Splitsing van 3 september 1962 (hierna: het Splitsingsreglement) van toepassing verklaard. 3.3 In het Splitsingsreglement staat onder meer: “Aandeel in de gemeenschap. Artikel 13.

1. Ieder der eigenaren is in de gemeenschap gerechtigd voor het in de akte van splitsing vastgestelde aandeel.

2. De gemeenschappelijke baten moeten in eenzelfde verhouding tussen de eigenaren worden verdeeld.

3. In gelijke verhouding zijn de eigenaren verplicht bij te dragen in en zijn zij tegenover derden aansprakelijk voor de gezamenlijke schulden, kosten en lasten, behoudens het bepaalde in artikel 19.” 3.4 Het flatgebouw bestaat uit zowel woningen als bedrijfspanden. 3.5 [verzoekster] is eigenaar van twee appartementen in het flatgebouw: een servicestation (met de kadastrale aanduiding [kadasternummer 1], hierna: het servicestation) en een winkel (met kadastrale aanduiding [kadasternummer 2], hierna: de winkel). [bestuurder 1] en [bestuurder 2] zijn middellijk aandeelhouder en bestuurder van [verzoekster]. 3.6 [verzoekster] is lid van de VvE. 3.7 In de akte van splitsing is het aandeel in de gemeenschap van de eigenaar van het servicestation bepaald op 265/2500 en dat van de eigenaar van de winkel op 85/2500. 3.8 In de vergadering van eigenaars van 12 juni 2018 is onder meer een besluit genomen over de bijdrage van de verschillende appartementseigenaren in de kosten, lasten en schulden van de VvE (hierna: het besluit van 12 juni 2018).

Volgens dat besluit dient [verzoekster], overeenkomstig haar twee aandelen in de gemeenschap, voor 265/2500e deel respectievelijk 85/2500e deel bij te dragen in de kosten, lasten en schulden van de VvE, in totaal dus voor 350/2500e deel. 4Verzoek en beslissing van de kantonrechter 4.1 Het hof zal hierna het verloop van de verzoekschriftprocedure in eerste aanleg weergeven voor zover dat van belang is voor dit hoger beroep. 4.2 [bestuurder 1] en [bestuurder 2] hebben bij verzoekschrift van 22 juni 2018 diverse verzoeken ingediend, waaronder het verzoek tot vernietiging van het besluit van 12 juni 2018 van de VvE over de bijdragen van de appartementseigenaren. 4.3 De VvE heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 4.4 De kantonrechter heeft [bestuurder 1] en [bestuurder 2] niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken omdat zij geen lid zijn van de VvE.

De kantonrechter heeft hun verzoeken opgevat als verzoeken namens [verzoekster]. 4.5 De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van het besluit van 12 juni 2018 afgewezen. 5Verzoek in hoger beroep en bezwaren tegen de beschikking Verzoeker in hoger beroep 5.1 Tegen de beschikking is hoger beroep ingesteld. Volgens het verzoekschrift in hoger beroep is dat beroep ingesteld door “[naam] B.V.”. Ter zitting in hoger beroep heeft [bestuurder 1] toegelicht dat er sprake is van een vergissing omdat [verzoekster] als verzoekende partij in het verzoekschrift in hoger beroep had moeten worden vermeld (de door de kantonrechter als verzoeker aangemerkte partij).

De VvE heeft in haar verweerschrift vermeld en ook op zitting verklaard dat zij heeft begrepen dat sprake is van een vergissing en dat zij geen beroep doet op niet-ontvankelijkheid. 5.2 Nu er sprake is van een kennelijke vergissing en de VvE dat ook zo heeft begrepen en zij daardoor niet is benadeeld, zal het hof [verzoekster] aanmerken als de partij die het verzoekschrift in hoger beroep heeft ingediend. Vordering in hoger beroep 5.3 [verzoekster] vordert in hoger beroep vernietiging van de beschikking en alsnog vernietiging van het besluit van 12 juni 2018 van de VvE met betrekking tot de bijdrage van de verschillende appartementseigenaars in de kosten, lasten en schulden (althans een verklaring voor recht dat dit besluit nietig is).

Ook vordert zij veroordeling van de VvE in de proceskosten in beide instanties. 5.4 [verzoekster] heeft één grief tegen de beschikking gericht. Zij voert daarmee kort gezegd aan dat artikel 13 lid 3 van het Splitsingsreglement zo moet worden uitgelegd dat elke eigenaar dezelfde bijdrage dient te leveren in de gezamenlijke schulden, kosten en lasten, ongeacht het aandeel in de gemeenschap. [verzoekster] wijst daarbij op het verschil in bewoordingen van artikel 13 lid 2 (“in eenzelfde verhouding”) en lid 3 (“in gelijke verhouding”). 5.5 De VvE heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Ook heeft zij gevorderd dat [verzoekster] in de volledige proceskosten wordt veroordeeld omdat er volgens de VvE sprake is van misbruik van recht.

6Beoordeling door het hof

Geschilpunt van partijen: uitleg artikel 13 van het Splitsingsreglement 6.1 [verzoekster] stelt met haar verzoek aan de orde in welke verhouding zij als appartementseigenaar verplicht is bij te dragen in de schulden, kosten en lasten van de VvE. Meer in het bijzonder stelt zij aan de orde hoe artikel 13 van het Splitsingsreglement moet worden uitgelegd. Zij verwijst daartoe onder meer naar de bewoordingen van artikel 13. 6.2 Over dit geschilpunt is beslist in een eerdere uitspraak van dit hof tussen partijen, namelijk bij arrest van 8 juni 2021, gepubliceerd onder ECLI:NL:GHDHA:2021:1024 (hierna: het arrest van 8 juni 2021).

In de procedure die heeft geleid tot het arrest van 8 juni 2021 vorderde de VvE betaling van [verzoekster] van achterstallige onderhoudsbijdragen en toekomstige voorschotbedragen. Deze vordering is door de rechtbank toegewezen bij vonnis van 14 februari 2019 (gepubliceerd onder ECLI:NL:RBDHA:2019:2331). Het hof heeft dat vonnis in zijn arrest van 8 juni 2021 bekrachtigd en daartoe overwogen op welke wijze artikel 13 van het Splitsingsreglement moet worden uitgelegd. 6.3 Tegen het arrest van 8 juni 2021 is geen beroep in cassatie ingesteld. Dat arrest heeft daarom kracht van gewijsde gekregen. [verzoekster] heeft wel herroeping van het arrest van 8 juni 2021 gevorderd (als bedoeld in artikel 382 Rv) maar een vordering tot herroeping is een buitengewoon rechtsmiddel en doet daarom niet af aan de kracht van gewijsde (zolang geen herroeping is uitgesproken).

Gezag van gewijsde arrest van 8 juni 2021 6.4 De VvE heeft een beroep gedaan op het gezag van gewijsde (als bedoeld in artikel 236 Rv jo. 353 Rv) van het arrest van 8 juni 2021 (zie onder meer het verweerschrift in hoger beroep onder 13 en 20). Dit beroep slaagt. Het hof licht dat hierna toe. 6.5 Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is (zie o.a.

HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099). Het arrest van 8 juni 2021 voldoet aan deze vereisten; het is gewezen tussen [verzoekster] en de VvE - dat zijn dezelfde partijen als in het onderhavige hoger beroep - en daarin is beslist over het geschilpunt dat ook in het onderhavige hoger beroep speelt, namelijk de verhouding waarin [verzoekster] als appartementseigenaar verplicht is bij te dragen in de schulden, kosten en lasten ingevolge artikel 13 van het Splitsingsreglement. 6.6 Op grond van het gezag van gewijsde heeft het arrest van 8 juni 2021 tussen partijen bindende kracht.

Dat betekent dat het hof in het onderhavige hoger beroep gehouden is voort te bouwen op de dragende overwegingen en beslissingen van het arrest van 8 juni 2021. Die dragende overwegingen luiden als volgt (waarbij met “[verzoekster]” wordt bedoeld: [verzoekster]): “20. Het hete hangijzer in deze zaak betreft de verhouding waarmee [verzoekster] moet bijdragen aan de gemeenschappelijke kosten (de verdeelsleutel van artikel 13 splitsingsreglement).

21. Zoals hiervoor is overwogen is de VvE rechtsgeldig opgericht, kan de VvE deelnemen aan het rechtsverkeer en kan zij ook stappen ondernemen om haar beheerstaken uit te voeren en om bijdragen van haar leden te innen. De verdeelsleutel daarbij wordt gevormd door artikel 13 van het splitsingsreglement. [verzoekster] als lid van de VvE is verplicht om de op deze basis door de ALV vastgestelde (onderhouds)bijdragen te betalen.

22. Anders dan [verzoekster] stelt volgt uit artikel 13 splitsingsreglement onmiskenbaar dat (lid 1): [verzoekster] in de gemeenschap gerechtigd is voor het daar vastgestelde aandeel van 85/2500ste en 265/2500ste (in totaal dus 350/2500ste). (lid 2): [verzoekster] in dezelfde verhouding gerechtigd is tot de gemeenschappelijke baten. (lid 3): [verzoekster] in gelijke verhouding moet bijdragen aan de gemeenschappelijke schulden, kosten en lasten. 23. [verzoekster] moet dus voor haar beide appartementsrechten (de indexnummers 1 en 2) bijdragen in de gemeenschappelijke lasten, schulden en kosten in de verhouding van haar in lid 1 vastgestelde aandeel, 350/2500, zoals ook de ALV heeft vastgesteld.

Van nietige vergaderbesluiten (stelling memorie van grieven 4.1.2.) is geen sprake. Grief 1 faalt.” 6.7 Het besluit van de VvE van 12 juni 2018 met betrekking tot de bijdrage van de verschillende appartementseigenaars in de kosten, lasten en schulden is in lijn met (de dragende overwegingen van) het arrest van 8 juni 2021. De grief die [verzoekster] tegen de beschikking naar voren heeft gebracht, faalt dan ook. Het besluit van 12 juni 2018 komt niet voor vernietiging in aanmerking en is ook niet nietig. Nieuwe stellingen/verzoeken 6.8 Nadat het appelschrift en het verweerschrift in hoger beroep waren ingediend, heeft [bestuurder 1] diverse stukken met nieuwe stellingen ingediend en stukken ter onderbouwing van deze nieuwe stellingen.

Deze nieuwe stellingen verdragen zich niet met de tweeconclusieregel (waarover het hof in zijn arrest van 8 juni 2021 in r.o. 13 uitleg heeft gegeven), mede gelet op het bezwaar dat de VvE heeft gemaakt tegen het aanvoeren van nieuwe grieven. Het hof laat deze nieuwe stellingen, en de stukken ter onderbouwing daarvan, daarom buiten beschouwing. De vragen of (i) [bestuurder 1] zonder tussenkomst van een advocaat stukken heeft kunnen indienen en (ii) deze stukken tijdig zijn ingediend (gelet op het bepaald in artikel 87 lid 6 Rv) kunnen daardoor onbeantwoord blijven. 6.9 Overigens overweegt het hof dat één van bedoelde nieuwe stellingen luidt dat de VvE niet rechtsgeldig is opgericht en niet bevoegd is in rechte op te treden.

Die stelling stuit niet alleen af op de hiervoor genoemde tweeconclusieregel, maar ook op het gezag van gewijsde van het arrest van 8 juni 2021, in het bijzonder de dragende rechtsoverwegingen 16 tot en met 19 daarvan, die er kort gezegd op neerkomen dat de VvE rechtsgeldig is opgericht en bevoegd is om in rechte op te treden. Conclusie en proceskosten 6.10 De conclusie is dat de beschikking dient te worden bekrachtigd. Het hof zal [verzoekster] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in hoger beroep, waarbij het hof uitgaat van 3 punten x tarief II omdat de zitting van 11 april 2022 wegens een door [bestuurder 1] ingediend wrakingsverzoek, dat is afgewezen, moest worden voortgezet op een nieuwe datum (zie onder 2.2). 6.11 Het hof wijst het verzoek van de VvE om [verzoekster] in de volledige proceskosten te veroordelen af.

Het hof begrijpt dat de VvE op kosten wordt gejaagd door de vele procedures die [verzoekster] voert. De onderhavige procedure betreft echter (voor zover het hof bekend is) de eerste procedure waarin geoordeeld is over het gezag van gewijsde van het arrest 8 juni 2021. Beslissing Het hof: - bekrachtigt de beschikking van 4 december 2019 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag; - veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de kant van de VvE begroot op € 772,- aan griffierecht en € 3.342,- aan salaris advocaat en op € 163,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 85,- indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan deze beschikking is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden; - wijst af het anders of meer verzochte; - verklaart deze beschikking voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E. Honée, J.E.H.M. Pinckaers en J.N. de Blécourt en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2022 in aanwezigheid van de griffier.