Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHDHA:2020:1319 ECLI:NL:GHDHA:2020:1319 AI generated

ECLI:NL:GHDHA:2020:1319 · Gerechtshof Den Haag

Case Number ECLI:NL:GHDHA:2020:1319
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.277.904/01 Zaak- / rolnummer rechtbank : C/09/588761/ KG ZA 20-159 Arrest in kort geding van 4 augustus 2020 in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van: [appellant], wonende te [woonplaats],appellant,nader te noemen: [appellant], advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN(ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelend te Den Haag, geïntimeerde,hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag. Het geding Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken, waarvan het hof kennis heeft genomen: het procesdossier van eerste aanleg, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 25 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:2770 (hierna: het bestreden vonnis); de dagvaarding in hoger beroep van 21 april 2020, met daarin opgenomen de klachten tegen het bestreden vonnis; het verlof spoedappel; de memorie van antwoord.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:84 Awb, artikel 6:119 BW; ECLI:NL:GHDHA:2020:1319 · Gerechtshof Den Haag: Het hof stelt het volgende voorop. De Staat heeft een executieplicht. Zoals de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen, heeft de Minister een ruime beleidsvrijheid bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en dus ook bij de bepaling wie als zelfmelder moet worden aangemerkt. Het betreffende beleid ten aanzien van zelfmelders is vastgelegd in (thans) de Regeling. Volgens de hoofdregel van artikel 4:84 Awb moet de Staat overeenkomstig deze beleidsregel handelen. De beoordeling van de wijze van uitvoering van de executietaak door de Staat en (in dit geval) meer in het bijzonder de toepassing en uitleg van de Regeling kan in kort geding wél worden getoetst, maar slechts in marginale zin. Het andersluidende betoog van [appellant] wordt verworpen.

Keywords

AI generated
artikel 4:84 Awb artikel 6:119 BW

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:84 Awb
Volgens de hoofdregel van artikel 4:84 Awb moet de Staat overeenkomstig deze beleidsregel handelen.
artikel 6:119 BW

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2020:2770
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/588761 / KG ZA 20-159 Vonnis in kort geding van 25 maart 2020 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr.
ECLI:NL:GHAMS:2017:3948
afdeling strafrecht parketnummer: 23-004924-15 datum uitspraak: 28 september 2017 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-993500-14 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2017 en 14 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1:hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 10 juni 2002 tot en met heden, in Amsterdam en/of elders in Nederland, en/of in Luxemburg en/of elders in het Groothertogdom Luxemburg, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, hierin bestaande dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, (telkens) krachtens die gewoonte, van een of meer geldbedrag(en), (tot een totaalbedrag van ongeveer - EUR 5.280.000 (maximumpositie), of - EUR 3.267.000 (minimumpositie),) (sub a) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad; en/of (sub b) verworven en/of voorhanden gehad en/of overdragen en/of omgezet en/of van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, door toen en daar (telkens) opzettelijk, a. a) een of meer geldbedrag(en) te (laten) storten op een of meer (Luxemburgse) rekeningen die te naam waren gesteld van [verdachte] en/of Fondation BION; en/of b) een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) te beleggen in een of meer beleggingsproduct(en); en/of c) een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) om te zetten in een of meer charta(a)l(e) geldbedrag(en); en/of d) een of meer charta(a)l(e) geldbedrag(en) in een auto en op de plek waar het reservewiel wordt bewaard te (laten) vervoeren van het Groothertogdom Luxemburg naar Nederland; en/of e) een of meer charta(a)l(e) geldbedrag(en) te verstoppen (AMB-003), althans te bewaren in een mechanisch ventilatiesysteem in een woning gelegen aan de [adres 1] ; en/of f) een of meer charta(a)l(e) geldbedrag(en) te (laten) storten op een of meer (Nederlandse) rekeningen die te naam waren gesteld van [verdachte] en/of [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] ; en/of g) een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) te (laten) overboeken van een of meer (Nederlandse) rekeningen die te naam waren gesteld van [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] naar een of meer (Nederlandse) rekeningen die te naam waren gesteld van [verdachte] met als omschrijving huur en/of bekend en/of lening en/of een omschrijving die aan beleggen te relateren is; en/of h) een of meer gira(a)l(e) geldbedrag(en) te (laten) overboeken van en naar een of meer (Nederlandse) rekeningen die te naam waren gesteld van [verdachte] met als omschrijving rangeren; en/of i. i) een of meer gira(a)l(e) en/of charta(a)l(e) geldbedrag(en) (op moeilijk traceerbare wijze) aan te (laten) wenden ten behoeve van zichzelf, verdachte, en/of een of meer ander(en); terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en) - althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden - dat dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrij(f)(ven); 2:hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 14 maart 2014, in Amsterdam en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, als belastingplichtige in de zin van de wet inkomstenbelasting 2001, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2002; en/of - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2003; en/of - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2004; en/of - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2005; en/of - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2006; en/of - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2007; en/of - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2008; en/of - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2009; en/of - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2010; en/of - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2011; en/of - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2012; en/of - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2013 onjuist of onvolledig heeft gedaan en/of door een ander heeft laten doen, terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe strekte(n), dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangifte(n) (telkens) - een te laag bedrag aan Nederlands en/of niet-Nederlands belastbaar inkomen (uit aanmerkelijk belang) werd aangegeven, en/of - een te laag bedrag aan vermogen in een ander land dan Nederland werd aangegeven; en/of - een te laag bedrag aan voordeel uit sparen en beleggen werd aangegeven; en/of (daardoor) - een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Aan de verdachte is als feit 1 ten laste gelegd dat hij dit feit heeft begaan ‘in of omstreeks de periode van 10 juni 2002 tot en met heden’. Het hof begrijpt de aanduiding ‘heden’ aldus dat hiermee de datum wordt aangeduid waarop de inleidende dagvaarding is uitgebracht. Op de dagvaarding is een datum niet vermeld. Het hof verbindt echter aan de datum waarop door de officier van justitie aan de raadsman een afschrift van de dagvaarding is toegezonden, te weten 28 september 2015, de conclusie dat dit de datum is waarop de dagvaarding is uitgebracht en met ‘heden’ dus is bedoeld: 28 september 2015. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel bewijsuitsluiting. Door de verdediging is, aan de hand van de overgelegde pleitnota, aangevoerd dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te verklaren in de strafvervolging, dan wel dat het hof dient te komen tot uitsluiting van het tegen de verdachte vergaarde bewijs en op grond daarvan de verdachte dient vrij te spreken van het hem ten laste gelegde. Daartoe heeft de verdediging, kort gezegd, gesteld dat aan de onderhavige strafvervolging een onderzoek op grond van artikel 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) ten grondslag ligt, dat op onrechtmatige wijze is uitgevoerd door de Belastingdienst. Het door de Belastingdienst in samenwerking met de FIOD en het openbaar ministerie opgezette project Debet Credit is onrechtmatig omdat controlebevoegdheden zijn gebruikt voor een ander doel dan waarvoor ze bedoeld zijn, te weten voor de opsporing. In dit verband is door de verdediging de nadere stelling betrokken dat de toepassing van de controlebevoegdheden is aan te merken als een (onrechtmatige) ‘fishing expedition’ en het artikel 53 Awr-onderzoek (ten onrechte) niet beperkt is gebleven tot een onderzoek naar zogeheten ‘basisgegevens’ van ‘administratieplichtigen’ in de zin van artikel 53 Awr. De verdediging heeft in dit verband nog gesteld dat van een verstrengeling tussen controle en opsporing blijkt uit media-uitlatingen van het openbaar ministerie en uit het document van het ‘project-debet-en-creditcards’ waaruit blijkt van afstemming tussen het openbaar ministerie, de FIOD en het Functioneel Parket. Voorts is door de verdediging aangevoerd dat artikel 53 Awr geen deugdelijke grondslag biedt voor de privacy-schendingen die hebben plaatsgevonden en dat het openbaar ministerie (mede) verantwoordelijk is te houden voor deze onrechtmatigheden. Door de advocaat-generaal is geconcludeerd tot verwerping van de op dit punt gevoerde verweren. De advocaat-generaal heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het openbaar ministerie geen rol heeft vervuld bij het inzetten van de bevoegdheid van artikel 53 Awr door de Belastingdienst, terwijl voorts de (brede) toepassing van de bevoegdheid van art 53 Awr in vergelijkbare gevallen door de rechter is getoetst en de privacy-inbreuk die van deze toepassing het gevolg is geweest, als gerechtvaardigd moet worden aangemerkt. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Door de verdediging is een beroep gedaan op artikel 359a Sv, waarin is bepaald dat, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, de rechter kan bepalen dat de officier van justitie in de strafvervolging niet ontvankelijk is, bewijsuitsluiting kan volgen dan wel de straf kan worden verminderd. Ook kan de rechter het laten bij een enkele constatering van het verzuim. Bij de beoordeling van het gevoerde verweer is dan ook in de eerste plaats van belang of de gestelde schendingen hebben plaatsgevonden in een ‘voorbereidend onderzoek’ als bedoeld in artikel 359a Sv. Wat een voorbereidend onderzoek is, is neergelegd in artikel 132 Sv: het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. In dit verband is voorts van belang dat op grond van art. 132a Sv onder opsporing moet worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Ingevolge vaste rechtspraak heeft het ‘voorbereidend onderzoek’ in art. 359a Sv betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in art. 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Art. 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. Voorts dienen volgens die rechtspraak onder de vormverzuimen, begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte met name die vormverzuimen te worden begrepen die normschendingen bij de opsporing vormen (HR 18 april 2017, ECLI:HR:2017:706). In de onderhavige zaak blijkt dat de door de verdediging aan de orde gestelde, in de visie van de verdediging als onrechtmatig aan te merken, handelingen zijn uitgevoerd door de belastingdienst. De controlebevoegdheid van artikel 53 Awr is door de Belastingdienst gebruikt in het ‘project debet-creditcards’, welk project was gericht op het identificeren van belastingplichtige houders van creditcards van buitenlandse bankrekeningen teneinde de juistheid of volledigheid van de belastingaangiften van deze personen te controleren. Pas nadat aan de hand van de (niet op een specifieke belastingplichtige gerichte) inzet door de Belastingdienst bleek van vermoedens van strafbare feiten, specifiek ten opzichte van de verdachte, is door het openbaar ministerie een opsporingsonderzoek tegen de verdachte gestart. De omstandigheid dat sprake is geweest van coördinatie van werkzaamheden tussen de Belastingdienst, de FIOD en het Functioneel Parket, leidt niet tot de vaststelling dat bij de uitoefening van de controlebevoegdheden door de Belastingdienst sprake was van een opsporingsonderzoek, nu er daarbij niet sprake was van een onderzoek in verband met strafbare feiten, onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Er is dan ook, wat er overigens ook zij van de stellingen van de verdediging ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheden door de Belastingdienst, niet sprake van een verzuim van vormen in het voorbereidend onderzoek, als bedoeld in artikel 359a Sv. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat het verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, dan wel tot bewijsuitsluiting, wegens verzuim van vormen wordt verworpen Ook overigens leidt het door de verdediging aangevoerde niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie dan wel tot uitsluiting van het vergaarde bewijs. Daarbij heeft het hof nog in beschouwing genomen dat de door de Belastingdienst ontwikkelde activiteiten naar hun aard de strekking hadden de juistheid van de belastingheffing te controleren. Voorts leidt de door de verdediging gestelde inbreuk op de privacy van de verdachte die door het handelen van de Belastingdienst zou zijn aangebracht, niet tot het oordeel dat het gebruik van de vergaarde gegevens strijd met het in artikel 6 EVRM neergelegde recht van de verdachte op een eerlijk proces oplevert. Het hof verwerpt derhalve de verweren. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Bespreking van ter terechtzitting gevoerde verweren / bewijsoverwegingen Feiten en omstandigheden Het hof gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Ten aanzien van deze feiten en omstandigheden neemt het hof de opsomming van de feiten door de rechtbank (in het vonnis weergegeven onder 4.1) over: De verdachte werkte in de jaren tachtig en negentig als hoogleraar en afdelingshoofd Interne Oncologie bij zowel de Daniel den Hoed Kliniek als het Academisch Ziekenhuis Rotterdam (thans Erasmus Medisch Centrum). Daarbij ontving hij in zijn hoedanigheid als afdelingshoofd betalingen van de farmaceutische industrie met wie hij contracten sloot om nieuwe medicijnen te testen. De hoogte van deze vergoeding verschilde per contract. Deze betalingen, die – bij gebrek aan contra-indicaties – als inkomsten kunnen worden aangemerkt, werden niet op een van de Nederlandse bankrekeningen van verdachte gestort, maar op Luxemburgse bankrekeningen. Verdachte heeft de saldi van deze Luxemburgse bankrekeningen – en dus het ontvangen inkomen en vermogen – nooit opgegeven in zijn aangiften inkomstenbelasting. De betalingen heeft hij ontvangen van 1986 tot 2005. Er zijn geen gegevens van de Luxemburgse bankrekeningen bekend van vóór 2002. Vast staat dat er op 31 december 2002 in totaal € 2.246.067, - op de Luxemburgse bankrekeningen van verdachte stond. Nu verdachte het in Luxemburg ontvangen geld deels heeft gebruikt om te beleggen, is niet meer nauwkeurig te achterhalen welk deel van dit geld rechtstreeks afkomstig is van betalingen door de farmaceutische industrie en welk deel het resultaat is van vermogensaanwas door rendement en beleggingen. In totaal heeft verdachte in de jaren 2003 tot en met 2013 € 2.209.750, - contant opgenomen van de Luxemburgse bankrekeningen en € 908.331,61 aan deze bankrekeningen onttrokken middels betalingen met zijn creditcard(s). In totaal heeft verdachte in de periode van 2003 tot en met 2013 dus € 3.118.081,61 onttrokken aan de Luxemburgse bankrekeningen. Verdachte heeft de Luxemburgse bankrekeningen in 2013 opgeheven, omdat hij begrepen had dat het Luxemburgse bankgeheim zou worden opgegeven. Daartoe heeft hij in 2013 drie keer contant geld opgehaald in Luxemburg en op de plek van het reservewiel (in de achterbak zijn auto) vervoerd naar Nederland. Een aanzienlijk deel van dit geld heeft hij bewaard in de ruimte van de mechanische ventilatie van zijn woning aan de [adres 1] . Verdachte heeft in deze periode contant geld gegeven aan zijn kinderen [naam 1] en [naam 2] om in hun levensonderhoud te voorzien. Van dat geld betaalden zij ook huur aan verdachte voor de woningen waarin zij verbleven en die aan verdachte toebehoorden. Daarnaast gaf verdachte ook contant geld aan [naam 4] , mede voor het doen van betalingen namens hem of het overmaken van geld naar zijn bankrekening(en). Ook [naam 2] heeft betalingen namens verdachte gedaan. In deze periode heeft verdachte geen geld van zijn Nederlandse bankrekeningen gebruikt voor het doen van boodschappen of het doen van aankopen in kledingwinkels en/of drogisterijen, geen geld van zijn Nederlandse bankrekeningen gebruikt voor het betalen in restaurants of hotels en heeft hij zijn Nederlandse bankrekeningen nauwelijks gebruikt voor het betalen van vaste lasten. Ten slotte heeft verdachte in deze periode ook in totaal € 26.250, - op zijn Rabobank-betaalrekening en € 118.350, - op zijn ABN AMRO-betaalrekening gestort. Tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte op 10 juni 2014 is in totaal € 785.165, - in de woning van verdachte aangetroffen. Het merendeel van dit geld bevond zich in meergenoemde ruimte van het mechanische ventilatiesysteem van de woning. Daarnaast bevond zich ook een aanzienlijk geldbedrag in een envelop in een kastje. Feit 2 op de tenlastelegging De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde – de belastingfraude – bewezen kan worden verklaard. De verdediging heeft vrijspraak bepleit, onder verwijzing naar het aangevoerde verweer strekkende tot uitsluiting van het bewijs. Zoals hiervoor overwogen, verwerpt het hof het verweer, strekkende tot uitsluiting van het bewijs. Het hof stelt voorts vast dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft bekend. Het hof acht het ten laste gelegde als nader aan te geven, wettig en overtuigend bewezen. Feit 1 op de tenlastelegging De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de witwashandelingen die onder de letteraanduidingen a, b en h aan de verdachte zijn ten laste gelegd. De advocaat generaal heeft aangegeven in zoverre in het oordeel van de rechtbank te berusten. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank ten aanzien van deze onderdelen van het ten laste gelegde en zal de verdachte van deze onderdelen van het aan hem tenlastegelegde vrijspreken. De advocaat generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde feit – gewoontewitwassen – kan worden bewezen en heeft daartoe aansluiting gezocht bij de overwegingen en de bewezenverklaring van de rechtbank op de afzonderlijke handelingen die dit gewoontewitwassen constitueren. De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en wel op meerdere gronden. Allereerst kan het bestanddeel ‘uit misdrijf afkomstig’ slechts worden gebaseerd op de eigen verklaring van de verdachte, wat bij gebreke aan overig bewijs onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. Daarnaast ontbreekt het bewijs dat ‘de concrete witwasvoorwerpen’ (het hof begrijpt: zoals omschreven achter de respectievelijke met letters onderscheiden gedachtestreepjes in de tenlastelegging) geheel of gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig zijn. Voorts heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van een aantal – onder de met letters onderscheiden gedachtestreepjes in de tenlastelegging aangeduide – witwashandelingen. Daartoe heeft de verdediging van aanzien van die handelingen gesteld dat die niet kunnen worden aangemerkt als gericht op het verhullen van de criminele herkomst van de betreffende geldbedragen. Daarnaast heeft de verdediging gesteld dat vrijspraak dient te volgen, voor zover het gaat om geldstortingen op naam van [naam 3] , nu laatstgenoemde zelf van witwassen is vrijgesproken. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de (hiervoor bedoelde) voorwerpen van het witwassen bepaald dienen te worden tot maximaal de waarde van het fiscaal nadeel. Met betrekking tot de primair bepleite vrijspraak overweegt het hof als volgt. Ten aanzien van het verweer dat de eigen, bekennende, verklaring van de verdachte ontoereikend is voor een bewezenverklaring, overweegt het hof dat het verweer miskent dat het voorschrift van artikel 341, vierde lid, Sv – waar het verweer kennelijk op gegrond is – geldt ten aanzien van de gehele tenlastelegging en niet slechts een onderdeel. Voor het overige volstaat het hof met een verwijzing naar de bewijsmiddelen. Het verweer wordt verworpen. Voor zover dit verweer ziet op de stelling dat niet blijkt dat de in de tenlastelegging opgesomde voorwerpen die door de verdachte zouden zijn witgewassen, daadwerkelijk van misdrijf afkomstig zijn, overweegt het hof het volgende. Uit het ook door de verdediging aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 23 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN0578) volgt dat in het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, het aldus vermengde vermogen kan worden aangemerkt als ‘mede’ of ‘deels’ uit misdrijf afkomstig. In de onderhavige zaak is dat aan de orde. Immers, de legale vermogensbestanddelen (de betalingen van de farmaceutische industrie) zijn vermengd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen, te weten de bedragen die hadden moeten zijn afgedragen aan de belastingdienst doch door de verdachte als gevolg van door hem gepleegde belastingfraude zijn behouden. In zijn hierboven genoemde arrest van 23 november 2010 overweegt de Hoge Raad verder (overwegingen 3.6.2. en 3.6.3.) dat een terughoudende toepassing van de ‘vermengingsleer’ dient te worden betracht. Daarbij worden niet-limitatief enkele omstandigheden genoemd die ertoe kunnen leiden dat ook in geval van vermenging van legaal vermogen met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen geen sprake is van witwassen. In de onderhavige zaak heeft de verdachte meer dan tien jaren achtereen geen opgave aan de belastingdienst gedaan van zijn ‘Luxemburgse’ inkomsten en vermogen. Die periode strekt zich uit tot aan het moment waarop beslag is gelegd op het vermogen van de verdachte. De uit misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen betreffen een aanzienlijk deel van het totale vermogen. Immers, reeds het deel van de legale inkomsten dat op basis van inkomstenbelasting had moeten worden afgedragen bedroeg voor de verdachte ten minste 50%. De combinatie van de omvang van het aldus uit misdrijf verkregen vermogen, zowel in absolute maar vooral in relatieve zin, met de stelselmatigheid waarmee de verzwijging voor de belastingdienst gedurende een lange periode tot aan het moment van ingrijpen door de strafvorderlijke instanties heeft plaatsgevonden, maakt dat het hof het gehele vermogen van de verdachte aanmerkt als deels uit misdrijf afkomstig. Het hof verwerpt ook dit verweer. Ten aanzien van de verweren die zien op onderdelen van het ten laste gelegde gewoontewitwassen verwerpt het hof deze verweren en overweegt het hof het volgende. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de ten laste gelegde afzonderlijke handelingen – behoudens voor zover onder a, b en h aan de verdachte verweten – in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd. Het betreft een combinatie van handelingen die er op waren gericht om aan het zicht van de autoriteiten te onttrekken dat de verdachte betalingen deed met illegaal vermogen en trachtte dat vermogen een legale titel te geven. Ten aanzien van handelingen waarbij een zoon van de verdachte, [naam 3] betrokken is geweest, acht het hof het ten laste gelegde niet bewezen. Hetgeen door de verdediging daaromtrent is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking. In bovenstaand oordeel dat het gehele vermogen van de verdachte als deels van misdrijf afkomstig moet worden aangemerkt, vindt ook het subsidiair gevoerde verweer zijn weerlegging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij: 1. op tijdstippen in de periode van 10 juni 2002 tot en met 10 juni 2014, in Amsterdam en in Luxemburg, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, hierin bestaande dat hij, verdachte, telkens krachtens die gewoonte, (van) geldbedragen, tot een totaalbedrag van € 3.118.081,61 (sub a) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op die voorwerpen was en wie bovenomschreven voorwerpen voorhanden hebben gehad, en/of (sub b) voorhanden heeft gehad en/of overdragen en/of omgezet en/of van voornoemde voorwerpen gebruik gemaakt, door toen en daar telkens opzettelijk, - girale geldbedragen om te zetten in chartale geldbedragen; en - chartale geldbedragen in een auto en op de plek waar het reservewiel wordt bewaard te vervoeren van het Groothertogdom Luxemburg naar Nederland; en - chartale geldbedragen te verstoppen in een mechanisch ventilatiesysteem in een woning gelegen aan de [adres 1] ; en - chartale geldbedragen te laten storten op Nederlandse rekeningen die te naam waren gesteld van [verdachte] en [naam 1] en [naam 2] en [naam 4] ; en - girale geldbedragen te (laten) overboeken van Nederlandse rekeningen die te naam waren gesteld van [naam 1] en [naam 2] en [naam 4] naar Nederlandse rekeningen die te naam waren gesteld van [verdachte] met als omschrijving huur of bekend of lening of een omschrijving die aan beleggen te relateren is; en - girale en chartale geldbedragen aan te (laten) wenden ten behoeve van zichzelf, verdachte, en anderen; terwijl hij, verdachte, wist dat deze geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf. 2: op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 14 maart 2014, in Amsterdam, meermalen, als belastingplichtige in de zin van de wet inkomstenbelasting 2001, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2002; en - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2003; en - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2004; en - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2005; en - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2006; en - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2007; en - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2008; en - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2009; en - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2010; en - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2011; en - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2012; en - de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2013 onjuist of onvolledig heeft gedaan, terwijl dat feit er telkens toe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die aangiften telkens - een te laag bedrag aan Nederlands belastbaar inkomen werd aangegeven; en - een te laag bedrag aan vermogen in een ander land dan Nederland werd aangegeven; en daardoor een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd aangegeven. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. De rechtbank heeft voorts de teruggave gelast van de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden en tot een geldboete van € 298.100, bij niet betalen te vervangen door 365 dagen hechtenis. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat een geldbedrag van € 785.165 en een bankrekening (aandelenportefeuille) bij de BINCK bank ten name van verdachte met als saldo € 983.082,80 verbeurd worden verklaard. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich gedurende een groot aantal jaren schuldig gemaakt aan belastingfraude door gedurende twaalf opeenvolgende jaren in zijn aangiften inkomstenbelasting een te laag bedrag aan Nederlands belastbaar inkomen en een te laag bedrag aan buitenlands vermogen aan te geven waardoor een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting werd geheven. De verdachte heeft welbewust zijn frauduleuze gedragingen jaar na jaar voortgezet. Ook nadat hij wetenschap had gekregen van het bestaan van de zogenoemde ‘inkeerregeling’ heeft hij in zijn gedragingen volhard. Het is enkel aan het ingrijpen van de FIOD en het Openbaar Ministerie te danken dat het frauduleuze handelen van de verdachte is beëindigd. Door deze handelwijze heeft de verdachte het vertrouwen dat aan de inhoud van belastingaangiftes mag worden ontleend, geschaad. Tevens heeft hij door zijn handelen financieel nadeel toegebracht aan de Staat der Nederlanden. De strafbaarstelling van belastingontduiking beschermt bovendien niet alleen de gemeenschapsbelangen die door belastingheffing worden gediend, maar ook de belangen van eerlijke belastingbetalers. Belastingontduiking kan immers leiden tot verdere verzwaring van de belastingdruk voor andere ingezetenen. De handelingen van de verdachte dragen bovendien bij aan het ondermijnen van de belastingmoraal. Het uitblijven van een adequate bestraffing van belastingfraudeurs kan ertoe leiden dat ook het normbesef vervaagt onder belastingplichtigen die wel aan hun verplichtingen voldoen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van zijn, door de belastingontduiking verkregen, vermogen. De verdachte heeft girale geldbedragen omgezet in chartale geldbedragen, deze geldbedragen over landsgrenzen naar Nederland gebracht en in zijn woning verstopt. De geldbedragen heeft hij ook laten storten op Nederlandse bankrekeningen, toebehorende aan zijn kinderen en een vriendin. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij door zijn handelingen ook zijn kinderen jarenlang bij strafbare feiten heeft betrokken. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 augustus 2017 is hij eerder, zij het ter zake van andersoortige strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de excessieve media-aandacht rondom de strafzaak van de verdachte een ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer in de zin van artikel 8 EVRM oplevert en dit tot een lagere straf moet leiden. Anders dan door de verdediging betoogd, zal het hof media-aandacht voor de strafzaak tegen de verdachte niet in strafmatigende zin meewegen. Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is niet absoluut. Bij de beantwoording van de vraag of (on)gerechtvaardigd inbreuk wordt gemaakt op het, onder meer in artikel 8 EVRM gewaarborgde, recht op eerbiediging van het privéleven van de verdachte komt het aan op een weging van de omstandigheden van het geval. In het algemeen geldt dat door het verspreiden van persoonlijke informatie ten aanzien waarvan de betrokkene redelijkerwijs mag verwachten dat deze niet zonder zijn toestemming wordt openbaar gemaakt, een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan afstuiten op de omstandigheid dat openbaarmaking van de persoonlijke gegevens een voorzienbaar gevolg is van het eigen handelen van de betrokkene. De verdachte genoot een zeker sociale positie als medische specialist, zodat de publiciteit die de strafvervolging heeft gegenereerd niet als misplaatst kan worden aangemerkt. Bovendien was de media-aandacht in deze zaak vluchtig. Door de verdediging is in dit verband aangevoerd dat de verdachte heeft moeten ervaren dat door het Erasmus Medisch Centrum de zogenoemde gastvrijheidsovereenkomst is ingetrokken. Uit de door de verdachte overgelegde brief van het Erasmus Medisch Centrum van 26 november 2015 blijkt evenwel dat de verdachte niet langer een gastvrijheidsverklaring werd verleend vanwege zijn veroordeling door de rechtbank. Niet is gebleken dat de media-aandacht hierin een rol heeft gespeeld. Het hof is dan ook van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de verdachte door voornoemde berichtgeving op zodanige wijze in zijn persoonlijke levenssfeer is geschaad dat dit strafmatigend zou moeten werken. De ernst van het feit, de lange duur dat de verdachte zijn strafbaar handelen heeft voorgezet, het omvangrijke nadeel dat aan de samenleving is toegebracht en de straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd, leiden ertoe dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is aangewezen. Het hof slaat acht op de persoonlijke omstandigheden en de gevorderde leeftijd van de verdachte en zal daarom een gevangenisstraf van kortere duur opleggen dan in eerste aanleg heeft plaatsgevonden. De aard en de ernst van de feiten zijn aanleiding om aan de verdachte daarnaast een geldboete op te leggen. Het hof ziet onvoldoende aanleiding tot verbeurdverklaring van de in beslag genomen geldbedragen en overige vermogensbestanddelen. Het hof zal de teruggave daarvan gelasten, behoudens ten aanzien van een geldbedrag ter hoogte van de op te leggen geldboete. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 23, 24, 24c, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500.000,00 (vijfhonderdduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis. Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - een geldbedrag van € 4.007,00 - een bankrekening ([rekeningnummer 1]) bij de ABN-AMRO bank ten name van verdachte met als saldo € 1.328,20; - een bankrekening ([rekeningnummer 2]) bij de BINCK bank ten name van verdachte met als saldo € 16.939,29; - een bankrekening (aandelenportefeuille) bij de BINCK bank ten name van verdachte met als saldo € 983.082,80; - een bankrekening ([rekeningnummer 3]) bij de Rabobank ten name van verdachte met als saldo € 86,28; - een woning gelegen aan de [adres 1] ; - een woning gelegen aan de [adres 2] ; - een woning gelegen aan de [adres 3] . Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. V. Mul en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van mr. L.J.M. Klop, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 september 2017. Mr. L.J.M. Klop is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.277.904/01 Zaak- / rolnummer rechtbank : C/09/588761/ KG ZA 20-159 Arrest in kort geding van 4 augustus 2020 in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van: [appellant], wonende te [woonplaats],appellant,nader te noemen: [appellant], advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN(ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelend te Den Haag, geïntimeerde,hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag. Het geding Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken, waarvan het hof kennis heeft genomen: het procesdossier van eerste aanleg, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 25 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:2770 (hierna: het bestreden vonnis); de dagvaarding in hoger beroep van 21 april 2020, met daarin opgenomen de klachten tegen het bestreden vonnis; het verlof spoedappel; de memorie van antwoord.

Hierna is arrest bepaald. Beoordeling van het hoger beroep De regelgeving en feiten De regelgeving en de feiten die in het bestreden vonnis zijn genoemd, zijn in hoger beroep niet bestreden. Daarom gaat ook het hof hiervan uit. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat de feiten incompleet zijn, heeft [appellant] dit niet deugdelijk toegelicht, zodat het hof reeds hierom eraan voorbij gaat. Overigens hoeft de rechter niet alle feiten in zijn uitspraak te vermelden, maar selecteert de rechter de feiten die voor de beslissing van belang zijn. Deze feiten en hetgeen verder in hoger beroep is gebleken, komen samengevat, op het volgende neer.(2.1) [appellant] is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2018 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest wegens, samengevat, op tijdstippen in de periode 2007-2009 als leider deelnemen aan een criminele organisatie, valsheid in geschrift, feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift door een rechtspersoon en feitelijk leiding geven aan belastingfraude door een rechtspersoon, alles meermalen gepleegd.

Dit arrest is op 18 december 2019 onherroepelijk geworden.(2.2) Ten aanzien van de aan [appellant] op te leggen straf heeft het gerechtshof Amsterdam in zijn arrest onder meer overwogen:"De verdachte heeft geen inzicht getoond in het kwalijke van zijn handelen. Terwijl de verdachte wist dat hij handelde in strijd met de voor hem en de ondernemingen waar hij bij betrokken was geldende verplichtingen, laat hij zich uit alsof hij ter zake deskundig is en volledig in zijn recht staat. Dat hij daarbij anderen meesleept in het plegen van strafbare feiten, lijkt hem weinig te deren.

De hoogte van het benadelingsbedrag, de duur van de periode waarin de strafbare feiten zijn begaan en de leidende rol van de verdachte wegen in zijn nadeel bij het opleggen van de straf. (…) Het hof stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden (…) Het hof ziet hierin aanleiding een strafvermindering toe te passen en zal de op te leggen gevangenisstraf van 24 maanden verminderen met 6 maanden.”(2.3) In verband met uitzitten van deze gevangenisstraf heeft [appellant] (als niet preventief gehechte veroordeelde) aan het Openbaar Ministerie gevraagd om hem (i) uitstel van executie te verlenen tot oktober 2020 en (ii) om hem de status ‘zelfmelder’ toe te kennen.

Deze verzoeken zijn geweigerd door het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB), dat bevoegd is om namens de Minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister) de betreffende beslissingen te nemen. Het geschil in eerste aanleg 3. In deze kort geding procedure gaat het louter om de weigering om aan [appellant] de status van zelfmelder toe te kennen (hierna: de Weigering). heeft gevorderd de Staat te veroordelen hem aan te merken als zelfmelder in de zin van de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de Regeling), mede om te bereiken dat zijn verzoek om uitstel van de aanvang van de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf op juiste merites wordt beoordeeld, met veroordeling van de Staat in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4. Daartoe heeft [appellant] - samengevat - het volgende aangevoerd. De Staat (lees: het CJIB) handelt onrechtmatig jegens [appellant] door hem ten onrechte de status van zelfmelder te onthouden. Daarmee past het CJIB het op de zelfmeldprocedures toepasselijke beleid onjuist toe. Het CJIB weigert die procedure op [appellant] toe te passen vanwege de ernst van de door hem gepleegde strafbare feiten, door enkel te verwijzen naar hetgeen daarover in het arrest van 2 juli 2018 is overwogen met betrekking tot de aan [appellant] op te leggen straf. De vraag of een veroordeelde in aanmerking komt voor de zelfmeldstatus kan echter niet enkel - en willekeurig - worden afgestemd op de strafmaatmotivering in de uitspraak waarbij de straf is opgelegd.

Het CJIB moet met het oog op de vraag of een veroordeelde voor de zelfmeldprocedure in aanmerking komt een eigen - met het toepasselijke beleid overeenstemmende - afweging te maken. Dat heeft het CJIB nagelaten ten aanzien van [appellant]. Het onthouden van de zelfmeldstatus aan [appellant] heeft voor hem verschillende nadelen, onder andere met betrekking tot de wijze en het moment waarop hij in detentie wordt genomen, de mogelijkheid om urgente kwesties op te lossen en het toe te passen detentieregime.

5. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen. Daartoe heeft hij (samengevat) als volgt overwogen:(i) De Minister heeft ruime beleidsvrijheid bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en dus ook of iemand als zelfmelder moet worden aangemerkt.(ii) De voorzieningenrechter kan dergelijke beslissingen slechts marginaal toetsen.(iii) Het beleid dat de Minister in dit verband hanteert is neergelegd in de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen en in de Beleidsregel tenuitvoerlegging strafrechtelijke en administratiefrechtelijke beslissingen (voorheen de Aanwijzing met dezelfde strekking), (hierna: de Regeling).(iv) In bijlage I van de Aanwijzing executie was onder andere opgenomen dat de bijzondere aard en ernst van het strafbaar feit waarvoor aan de veroordeelde straf is opgelegd in de weg kan staan aan het verkrijgen van de status van zelfmelder.

Dit argument kan niet enkel aan de orde zijn bij ernstige geweldsmisdrijven (waarop een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld) en feiten waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt.(v) Tijdens de behandeling ter zitting heeft de Staat de Weigering nader onderbouwd. De Staat heeft met het oog op de bijzondere aard en ernst van de door [appellant] gepleegde delicten gewezen op het volgende: (a) [appellant] isveroordeeld wegens het leidinggeven aan een criminele organisatie, het feitelijk leidinggeven aan witwaspraktijken door een rechtspersoon en het plegen van valsheid in geschrift gedurende een periode van ruim tweeëneenhalf jaar. (b) De strafzaak tegen [appellant] vormde onderdeel van eenomvangrijk strafrechtelijk onderzoek naar op grote schaal gepleegde sociale zekerheids- en belastingfraude waarin vijf personen zijn vervolgd.(c) Uithet arrest van 2 juli 2018 blijkt dat [appellant] tijdens de behandeling van zijn strafzaak geen inzicht heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen en dat het hem weinig kan deren dat hij anderen heeft meegesleept in het plegen van strafbare feiten.(vi) Gelet hierop en gelet op het feit dat [appellant] is veroordeeldtot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden moet in hetbestek van dit kort geding worden geoordeeld dat de het CJIB in redelijkheid heeft kunnenbeslissen dat aan [appellant] niet de status van zelfmelder wordt toegekend.

Daarmee kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn stelling dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt.(vii) Hieraan doet niet af dat de strafbare feiten al (ruim) tien jaar geleden zijn gepleegd.(viii) Ook de eventuele omstandigheid dat [appellant] als niet-zelfmelder met een zwaarder detentieregime zal worden geconfronteerd, maakt dit niet anders.(ix) De nadelige zakelijke of persoonlijke gevolgen van de Weigering kunnen evenmin een rol spelen.Het geschil in hoger beroep 6. [appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van zijn vorderingen.

7. De klachten van [appellant] zijn als volgt samen te vatten.- De beleidsvrijheid van de Minister impliceert niet de vrijheid om naar willekeur te handelen. De Weigering is in strijd met gepubliceerd beleid, dus met recht in de zin van artikel 79 Wet RO en moet ten volle worden getoetst.- De argumenten die de voorzieningenrechter hanteert zijn niet valide en incompleet. Immers de strafmaat(overwegingen) in het arrest van het hof Amsterdam werpen geen licht op de aard van het delict in relatie tot de zelfmeldregeling. Wel degelijk is van belang dat het om oude feiten gaat, terwijl sinds het onherroepelijk worden van de straf weer een aantal maanden is verstreken. Het toe te passen detentieregime staat niet los van de zelfmeldregeling. Weliswaar zijn de nadelige gevolgen van de detentie voor rekening en risico van [appellant], maar daar gaat het niet om. Het gaat om de gevolgen van de Weigering (aanvang detentie/regime detentie). - De Weigering is bovendien niet doelmatig en in strijd met het belang van resocialisatie.

8. De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Beoordeling van de klachten 9. De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

10. Het hof stelt het volgende voorop. De Staat heeft een executieplicht. Zoals de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen, heeft de Minister een ruime beleidsvrijheid bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en dus ook bij de bepaling wie als zelfmelder moet worden aangemerkt. Het betreffende beleid ten aanzien van zelfmelders is vastgelegd in (thans) de Regeling. Volgens de hoofdregel van artikel 4:84 Awb moet de Staat overeenkomstig deze beleidsregel handelen. De beoordeling van de wijze van uitvoering van de executietaak door de Staat en (in dit geval) meer in het bijzonder de toepassing en uitleg van de Regeling kan in kort geding wél worden getoetst, maar slechts in marginale zin. Het andersluidende betoog van [appellant] wordt verworpen.

11. In deze zaak heeft het CJIB (door de Minister met de uitvoering van voornoemd beleid belast) vanwege de bijzondere aard en ernst van het strafbaar feit waarvoor aan de veroordeelde straf is opgelegd (artikel 2:1 lid 2 onder a van de Regeling) aan [appellant] de status van zelfmelder onthouden. Dit criterium is dus anders dan de toets die [appellant] lijkt voor te staan dat het moet gaan om omstandigheden die het ‘niet aanvaardbaar maken’ dat veroordeelde de status van zelfmelder krijgt.

12. Het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Staat (het CJIB) in redelijkheid heeft kunnen beslissen om [appellant] niet als zelfmelder aan te merken, wordt door het hof gedeeld, met name gelet op de feiten en omstandigheden genoemd in ro. 5.v.(a, b en c) van dit arrest en de omvang van de opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Anders dan [appellant] betoogt (o.m. punten 10 en 12 van de hoger beroep-dagvaarding) heeft de Staat aldus beslissend dus niet in strijd met het in de Regeling neergelegde beleid gehandeld. Van willekeur is dan ook geen sprake. Het hof tekent hierbij nog aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte mede de kwalificatie ‘witwassen’ heeft gebruikt, maar duidelijk is dat het gaat om de (ernstige) kwalificaties genoemd in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2018 (zie ro. 2.2 in het onderhavige arrest in kort geding).

13. De door [appellant] als vergelijkbaar genoemde zaak (arrest hof Amsterdam van 28 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3948) betreft, voor zover uit dit arrest te herleiden, een ander geval; reeds, zoals het hof ten overvloede opmerkt, omdat uit dat arrest blijkt van een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen [appellant] en de veroordeelde in genoemde zaak ([appellant], geboren in 1973 en de veroordeelde in het arrest van 2017, geboren in 1946), terwijl het gerechtshof in laatstbedoelde zaak bij de strafmaatoverweging bovendien nog aandacht heeft besteed aan deze gevorderde leeftijd. 14. [appellant] heeft gesteld dat het hem onthouden van de zelfmelderstatus nadelige gevolgen heeft (zie punt 11 inleidende dagvaarding en punt 2 hoger beroep-dagvaarding) (i) omdat hij daardoor niet kan voorzien in de meest urgente aangelegenheden op zakelijk gebied, (ii) vanwege de impact op zijn gezin (echtgenote en kinderen van 10, 13 en 14 jaar) en (iii) omdat hij daardoor een gunstiger detentieregime misloopt. Verder heeft hij gewezen op de ouderdom van de strafbare feiten.

15. Voor zover [appellant] zich hiermee beroept op de inherente afwijkingsmogelijkheid van artikel 4:84 Awb (afwijking van de hoofdregel dat overeenkomstig het beleid wordt gehandeld is geboden wanneer die hoofdregel wegens bijzondere omstandigheden onevenredige gevolgen zou hebben) faalt dit beroep om de navolgende redenen. De omstandigheden (i), (ii) en (iii) zijn algemene, ‘normale’ gevolgen van het niet-verkrijgen van de status van zelfmelder. Zij vormen dus geen voor de toepassing van de inherente afwijkingsmogelijkheid vereiste bijzondere omstandigheden. Omstandigheid (i) mist bovendien een concrete onderbouwing.

16. De ouderdom van de strafbare feiten maakt de Weigering evenmin onrechtmatig, temeer niet nu er tal van redenen – ook binnen de invloedsfeer van [appellant] – zijn geweest waardoor dit is veroorzaakt. Bovendien is in de strafzaak de duur van de strafprocedure (en daarbij impliciet de ouderdom van de feiten) al verdisconteerd in de strafmaat, die immers niet de in beginsel passend geachte 24 maanden maar 18 maanden gevangenisstraf is geworden.

17. Tot slot verdient aandacht dat [appellant] niet heeft betwist dat nadelige gevolgen van de detentie voor zijn rekening en risico komen. Evenmin heeft hij betwist dat hij met de politie een tijd en plaats kan afspreken om zichzelf te melden (zie prod 4 inleidende dagvaarding), wanneer hij wil voorkomen dat het arrestatieteam bij hem thuis langs komt. Reeds hierom is het beroep van [appellant] op de (on)doelmatigheid van de uitvoering (onder meer 37 dagvaarding hoger beroep) ongegrond, overigens los van het feit dat dit aspect [appellant] niet aangaat.Slotsom 18.

De klachten worden verworpen, althans hoeven verder niet besproken te worden. Het vonnis zal worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep. Beslissing Het hof: - bekrachtigt het bestreden vonnis; - veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 760,-- aan griffierecht en € 1074,-- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening; - verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, M.Y. Bonneur en A.A. Muilwijk-Schaaij en is getekend en uitgesproken door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2020 in aanwezigheid van de griffier.