Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2026:2007 ECLI:NL:GHARL:2026:2007 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2026:2007 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2026:2007
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:GHARL:2026:2007 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Aangezien het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. 2.9. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 (1 punten (hogerberoepschrift) x wegingsfactor 0,5 x € 934). 2.10. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 30a van de Wet WOZ onverbindend is wegens strijd met het verbod van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2024:1060
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/03218 Datum 12 juli 2024 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 28 juni 2023, nr. SGR 22/3188, betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 6.2a, lid 1, Wet IB 2001. 1Geding in cassatie 1.1 De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.G. van Laarhoven, heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:GHARL:2025:6427
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a.
ECLI:NL:GHARL:2024:5335
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a.
ECLI:NL:HR:2025:46
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/00575 Datum 17 januari 2025 ARREST in de zaak van [X] B.V.
ECLI:NL:HR:2016:324
26 februari 2016 nr. 15/03096 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 mei 2015, nr. BK‑15/00141, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 14/1268) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Bergambacht voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2016:252
19 februari 2016 nr. 14/03907 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenaam van [A] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 juli 2014, nr. BK-13/00675, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. AWB 10/2071‑isv) betreffende het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/347 uitspraakdatum: 31 maart 2026 Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 14 december 2023, nummer UTR 23/1570, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Gooise Meren (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2021 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 3.351.000. 1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd, de beschikking verminderd tot € 3.117.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd. 1.4. Belanghebbende heeft op 30 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het Hof heeft partijen bij bericht van 23 juli 2025 gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Belanghebbende heeft verklaard van dat recht geen gebruik te willen maken. De heffingsambtenaar heeft binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Het Hof heeft bij bericht van 27 januari 2026 aan partijen gemeld dat het gerechtshof het onderzoek heeft gesloten en dat zonder mondelinge behandeling schriftelijk uitspraak wordt gedaan. 2Overwegingen 2.1. Tussen partijen is slechts in geschil of de proceskostenvergoeding die de Rechtbank heeft toegekend juist is.

Het geschil spitst zich toe op het door de Rechtbank gehanteerde tarief voor de bezwaarfase en de gehanteerde wegingsfactor voor de bezwaar- en beroepsfase. 2.2. De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 14 december 2023 aan belanghebbende een proceskostenvergoeding van € 566,50 toegekend, welke als volgt is berekend. Voor de bezwaarfase heeft de Rechtbank een proceskostenvergoeding van € 148 (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) x € 296 x wegingsfactor 0,25) en voor de beroepsfase een proceskostenvergoeding van € 418,50 (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) x € 837 x 0,25) toegekend. 2.3.

Belanghebbende heeft gesteld – en de heffingsambtenaar niet weersproken – dat de Rechtbank ten onrechte van het ‘lage’ bezwaartarief is uitgegaan bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het Hof zal, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, het hoger beroep gegrond verklaren en bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase uitgaan van een tarief van € 666 per punt. 2.4. Belanghebbende stelt verder dat de Rechtbank voor de bezwaar- en beroepsfase ten onrechte is uitgegaan van een wegingsfactor 0,25, zodat het hoger beroep ook om deze reden gegrond dient te worden verklaard. 2.5.

In een recente uitspraak van 14 oktober 2025, welk hoger beroep zag op het door de heffingsambtenaar aangehaalde ‘wegingsfactorenbeleid’ van rechtbank Midden-Nederland, heeft het Hof geoordeeld dat het bij de beoordeling van de door een rechtbank toegekende proceskostenvergoeding – indien deze vergoeding in hoger beroep in geschil is – deze ten volle dient te toetsen. Het Hof heeft in die uitspraak vervolgens – in afwijking van hetgeen de rechtbank Midden-Nederland had bepaald – de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase in overeenstemming met het richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (hierna: het Richtsnoer) vastgesteld. 2.6.

Gelet op het vorenstaande en aangezien de Rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard vanwege de vermindering van de WOZ-waarde op basis van inhoudelijke gronden, zal het Hof bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase – in overeenstemming met het Richtsnoer – een wegingsfactor van 1 (gemiddeld) hanteren. 2.7. Het Hof stelt de proceskostenvergoeding, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen en berekend naar de tarieven van 2026, vast op € 1.332 (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) x € 666 x wegingsfactor 1) voor de bezwaarfase en € 1.868 (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) x € 934 x wegingsfactor 1) voor de beroepsfase, dus tezamen € 3.200. 2.8.

Aangezien het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. 2.9. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 (1 punten (hogerberoepschrift) x wegingsfactor 0,5 x € 934). 2.10. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 30a van de Wet WOZ onverbindend is wegens strijd met het verbod van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling.

Het Hof verwerpt dat standpunt en verwijst daartoe naar onderdeel 3.6 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. 2.11. Belanghebbende heeft daarnaast de aandacht van het Hof gevraagd voor artikel 30a, lid 4, van de Wet WOZ, op grond waarvan de uitbetaling van deze proceskostenvergoeding uitsluitend mag plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Belanghebbende acht deze bepaling onrechtmatig omdat er geen enkele rechtsgrond aanwezig is voor invoering hiervan. Ook stelt belanghebbende dat de bepaling in strijd is met artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Het Hof als bestuursrechter is echter niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag. 2.12. Belanghebbende heeft in hoger beroep niet verzocht om een vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn. Na het sluiten van het onderzoek op 27 januari 2026 is in hoger beroep de redelijke termijn overschreden.

Omdat deze overschrijding vóór de sluiting van het onderzoek ter zitting voorzienbaar was, zal het Hof niet ambtshalve een vergoeding van immateriële schade toekennen. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. 3Beslissing Het Hof: – vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissingen omtrent de proceskostenvergoeding, – veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor de bezwaar- en beroepsfase tot een bedrag van € 3.200, – veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor de hogerberoepsfase tot een bedrag van € 467 en – draagt de heffingsambtenaar op het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier. De beslissing is op 31 maart 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De raadsheer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. (P.W.L. van den Bersselaar) (R.A.V. Boxem) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. ECLI:NL:HR:2024:1060. ECLI:NL:GHARL:2025:6427. Het Richtsnoer, onderdeel 1, opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335. Het Richtsnoer, onderdeel 1.3.c, opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335. ECLI:NL:HR:2025:46. Vgl. HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324, rechtsoverweging 2.2. Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.13.2.