Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2018:4504 ECLI:NL:GHARL:2018:4504 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2018:4504 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2018:4504
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.232.628/02 (zaaknummer rechtbank Overijssel 6084708 en 6084706) beschikking van 17 mei 2018 op het verzoek tot schorsing inzake [de bewindvoerder] , wonende/gevestigd te [woonplaats] , gemeente [plaats] ,verzoeker, verder te noemen: de bewindvoerder, advocaat: mr. W.LJ. Fernhout te Zwolle, en [de rechthebbenden] , wonende te [woonplaats] , gemeente [plaats] , verweerster, verder te noemen: de rechthebbenden, advocaat: mr. P.P.J.T.M. Seelen te Vriezenveen, gemeente Twenterand.

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:435 lid 10 BW, artikel 360 lid 2 Rv, artikel 223 Rv, artikel 223 lid 1 Rv; ECLI:NL:GHARL:2018:4504 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: De bewindvoerder voelt zich aangesproken op zijn kwaliteit als bewindvoerder en hij wil graag met rechthebbenden om tafel om de zaken te bespreken. De rechthebbenden voeren aan dat het in hun belang is dat het bewind goed wordt uitgevoerd. Volgens de rechthebbenden worden hun belangen door de opvolgend bewindvoerder goed behartigd en willen zij bij die bewindvoerder blijven. Het hof is van oordeel dat het in dit geval in het belang van de rechthebbenden is dat de opvolgend bewindvoerder, die al drie maanden werkzaamheden verricht, zijn werkzaamheden kan voortzetten totdat inhoudelijk in hoger beroep is beslist. 3.6 Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.

Keywords

AI generated
artikel 1:435 lid 10 BW artikel 360 lid 2 Rv artikel 223 Rv artikel 223 lid 1 Rv

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:435 lid 10 BW
artikel 360 lid 2 Rv
artikel 223 Rv
Het hof: wijst de verzoeken van de bewindvoerder tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking en tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv af.
artikel 223 lid 1 Rv
3.6 Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHARL:2014:7097
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.143.394/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 2132769 AZ VERZ 13-7085 AZ VERZ 13-7084) beschikking van de familiekamer van 4 september 2014 inzake [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: [verzoeker], advocaat: mr. G.L. van der Heide-Brink, kantoorhoudende te Drachten, Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: 1 [betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: rechthebbende of betrokkene, 2 [betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: [betrokkene], advocaat: mr. S.M. Wolfert, kantoorhoudende te Groningen, 3 [betrokkene], wonende te [woonplaats], 4 [betrokkene], wonende te [woonplaats], 5 [betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: [opvolgend mentor], opvolgend mentor, 6 [betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: [opvolgend bewindvoerder], opvolgend bewindvoerder.
ECLI:NL:GHARL:2017:3292
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.205.319/02 (zaaknummer rechtbank 5421003 VO VERZ 16-2031) beschikking van 13 april 2017 op het verzoek tot schorsing in de zaak van [verzoekster] B.V. kantoorhoudend te [A] ,verzoekster,verder te noemen: [verzoekster] , advocaat: mr. M.A. Jansen te Heerenveen, en [B] B.V.,kantoorhoudend te [C] ,verder te noemen: [B] ,alsmede [de rechthebbende] ,wonende te [D] ,verder te noemen: de rechthebbende. 1Het geding in eerste aanleg 1.1 Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 12 oktober 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 1.2 In die beschikking heeft de kantonrechter met ingang van 12 oktober 2016 [verzoekster] ontslagen als bewindvoerder van de rechthebbende met benoeming van [B] tot opvolgend bewindvoerder met ingang van diezelfde datum.
ECLI:NL:HR:2015:688
20 maart 2015 Eerste Kamer 14/04367 LZ/TT Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [de man],wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incident, advocaat: mr.
ECLI:NL:HR:2008:BC5012
Het geding in feitelijke instanties Bij dit kort geding inleidende dagvaarding van 23 november 2004 heeft Newbay, tezamen met vier vennoten van deze vennootschap, de Staat voor de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage gedagvaard en heeft - samengevat - gevorderd de Staat te veroordelen tot betaling van: (i) £ 581.961,21 ter zake van de verkoop van het Hove Excelsior Hotel in Engeland tijdens het op dat hotel gelegde conservatoir derdenbeslag; (ii) £ 40.000,-- ten behoeve van aan de Engelse firma Christie & Co te betalen taxatiekosten; (iii) € 35.000,-- ter zake van de kosten voor rechtsbijstand, vertaalkosten en griffierechten van Newbay in deze kortgedingprocedure, en (iv) € 65.000,-- ter zake van de kosten voor rechtsbijstand en griffierechten in verband met de door Newbay aan te spannen bodemprocedure; een en ander bij wijze van voorschot op de nog te bepalen schadevergoeding ter zake van dat beslag, althans tot betaling van een zodanig bedrag de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot en met de dag der voldoening.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.232.628/02 (zaaknummer rechtbank Overijssel 6084708 en 6084706) beschikking van 17 mei 2018 op het verzoek tot schorsing inzake [de bewindvoerder] , wonende/gevestigd te [woonplaats] , gemeente [plaats] ,verzoeker, verder te noemen: de bewindvoerder, advocaat: mr. W.LJ. Fernhout te Zwolle, en [de rechthebbenden] , wonende te [woonplaats] , gemeente [plaats] , verweerster, verder te noemen: de rechthebbenden, advocaat: mr. P.P.J.T.M. Seelen te Vriezenveen, gemeente Twenterand.

1Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel van 24 oktober 2017, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. Bij deze beschikkingen heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de bewindvoerder met ingang van twee maanden na de datum van de beschikking ontslagen en vanaf dat moment Beschermingsbewind Oost Nederland B.V. tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - een brief van mr. Fernhout van 1 februari 2018; - een reactie van mr. Seelen van 2 februari 2018; - het verzoekschrift, ingekomen op 6 maart 2018; - een verweerschrift, ingekomen op 23 maart 2018. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 7 mei 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3De motivering van de beslissing 3.1 Aan de orde is het verzoek van de bewindvoerder om de werking van de bestreden beschikking te schorsen, zodat hij zijn werkzaamheden kan voortzetten zolang niet op het verzoek in hoger beroep is beslist.

Volgens de bewindvoerder schorst het hoger beroep de werking van de bestreden beschikking omdat dit binnen twee maanden na de bestreden beschikking is ingediend. Voor zover het ingediende hoger beroep geen schorsende werking heeft, verzoekt de bewindvoerder alsnog de werking van de beschikking te schorsen. Het is volgens de bewindvoerder niet in het belang van de rechthebbenden dat de opvolgend bewindvoerder met de uitvoering van de werkzaamheden begint. 3.2 De rechthebbenden voeren aan dat het verzoek van de bewindvoerder in strijd met de wet is, omdat de onderhavige beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Het hoger beroep heeft daarom geen schorsende werking. Subsidiair is het niet in het belang van [rechthebbende 1] en [rechthebbende 2] om de werking van de beschikking te schorsen omdat de opvolgend bewindvoerder zijn werk goed doet. 3.3 Het hof merkt op dat de bestreden beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Uit de wet vloeit voort dat de beslissing van de rechtbank om de bewindvoerder te ontslaan en Beschermingsbewind Oost Nederland B.V. tot opvolgend bewindvoerder te benoemen geldt met ingang van de daarin genoemde dag, te weten twee maanden na 24 oktober dus 24 december 2017, ondanks het instellen van een rechtsmiddel.

Artikel 1:448 lid 1 aanhef onder e Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt namelijk dat de taak van een bewindvoerder eindigt met ingang van dag van ontslag terwijl uit artikel 1:435 lid 10 BW voortvloeit dat de opvolgende benoeming tot bewindvoerder aanvangt daags na de verstrekking van de beschikking, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. Niet nodig is dat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan of uitdrukkelijk uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Een hogere rechter kan, indien hoger beroep is ingesteld tegen die beschikking, wel alsnog de werking van die beschikking schorsen op grond van artikel 360 lid 2 Rv of artikel 223 Rv (ECLI:NL:GHARL:2014:7097 en ECLI:NL:GHARL:2017:3292) 3.4 Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012. ( i) De verzoeker moet belang hebben bij de door hem gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking. (ii) Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval.

Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de beschikking. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven. (iii) Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing. (iv) Indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn verzoek ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. ( v) Indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde. 3.5 Het hof is van oordeel dat de bewindvoerder in hoger beroep onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat zijn belang bij de door hem verzochte schorsing van de werking van de bestreden beschikking groter is dan het belang van de rechthebbenden bij handhaving daarvan.

De bewindvoerder voelt zich aangesproken op zijn kwaliteit als bewindvoerder en hij wil graag met rechthebbenden om tafel om de zaken te bespreken. De rechthebbenden voeren aan dat het in hun belang is dat het bewind goed wordt uitgevoerd. Volgens de rechthebbenden worden hun belangen door de opvolgend bewindvoerder goed behartigd en willen zij bij die bewindvoerder blijven. Het hof is van oordeel dat het in dit geval in het belang van de rechthebbenden is dat de opvolgend bewindvoerder, die al drie maanden werkzaamheden verricht, zijn werkzaamheden kan voortzetten totdat inhoudelijk in hoger beroep is beslist. 3.6 Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.

Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Aangezien de hoofdzaak tussen partijen bij dit hof aanhangig is, is de bewindvoerder ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van voorlopige voorzieningen. 3.7 Het hof stelt voorop dat het karakter van een voorlopige (provisionele) voorziening een tijdelijke beslissing is die geldt voor de duur van de procedure. Het algemene vereiste is dat de partij die de provisionele voorziening vraagt, een voldoende (dringend) belang moet hebben bij een dergelijk verzoek en dat van hem niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht.

Naar het oordeel van het hof heeft de bewindvoerder, mede gelet op het hiervoor onder 3.6 overwogene, onvoldoende onderbouwd dat hij een voldoende (dringend) belang heeft bij de voorlopige voorziening zodat het verzoek van de bewindvoerder tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

4De beslissing

Het hof: wijst de verzoeken van de bewindvoerder tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking en tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv af. Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. Stolwerk, M.L. van der Bel en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 17 mei 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.