Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2018:2673 ECLI:NL:GHARL:2018:2673 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2018:2673 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2018:2673
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.193.051/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 4376205 CV EXPL 15-5587) arrest van 20 maart 2018 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. F. Klemann, kantoorhoudend te Zwolle, tegen Oxeye B.V., gevestigd te 's-Gravenhage, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna: Oxeye, advocaat: mr. J.M.L.G. de Jong, kantoorhoudend te Rotterdam. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1.

Legislator headnote

AI generated

artikel 332 lid 1 Rv; ECLI:NL:GHARL:2018:2673 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Op grond van artikel 332 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kunnen partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij – voor zover hier van belang – de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-. 2.5. Het hof stelt voorop dat bij de bepaling van de waarde van de vorderingen waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen, het moment van het wijzen van het (eind)vonnis in beginsel bepalend is. Dit betekent dat niet gekeken moet worden naar de vorderingen zoals deze oorspronkelijk zijn ingesteld, maar naar de vorderingen zoals deze (na eventuele eiswijziging) luidden ten tijde van het (eind)vonnis.

Keywords

AI generated
artikel 332 lid 1 Rv

Cited Legislation

AI generated
artikel 332 lid 1 Rv

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHAMS:2009:BK3979
Het geding in hoger beroep Bij dagvaarding van 25 november 2008 is SDN in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter te Hilversum onder kenmerk CV 08-1555 dat op 10 september 2008 is uitgesproken in de zaak tussen X als eiser en SDN als gedaagde. SDN heeft bij memorie acht grieven voorgesteld, bewijs aangeboden, en geconcludeerd – kort gezegd en naar het hof begrijpt - dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vorderingen van X alsnog zal afwijzen, met veroordeling van X in de kosten van het geding in beide instanties, te berekenen op de voet van artikel 1019h Rv, uitvoerbaar bij voorraad. Bij incidentele memorie heeft X geconcludeerd dat het hof SDN in het hoger beroep niet ontvankelijk zal verklaren, met veroordeling van SDN in de kosten van het geding op de voet van artikel 1019h Rv. Daarop heeft SDN geantwoord in het ontvankelijkheidsincident met conclusie dat het hof haar ontvankelijk zal achten in haar vorderingen in hoger beroep, met veroordeling van X in de kosten van het incident. Ten slotte is arrest gevraagd in het incident.
ECLI:NL:GHARL:2017:304
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.203.020 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 4913743) arrest van 17 januari 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [plaatsnaam] , appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant] , advocaat: mr. S. Bharatsingh, tegen: 1 [geïntimeerde 1] , 2. [geïntimeerde 2], beiden wonende te [plaatsnaam] , geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden, hierna: [geïntimeerden] , advocaat: mr. J.B. Maliepaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.193.051/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 4376205 CV EXPL 15-5587) arrest van 20 maart 2018 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. F. Klemann, kantoorhoudend te Zwolle, tegen Oxeye B.V., gevestigd te 's-Gravenhage, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna: Oxeye, advocaat: mr. J.M.L.G. de Jong, kantoorhoudend te Rotterdam. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 11 juli 2017 hier over. 1.2. De in dit tussenarrest bepaalde comparitie heeft op verzoek van partijen geen doorgang gevonden. 1.3. Vervolgens hebben partijen de dossiers overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 1.4. In het door [appellant] gefourneerde dossier ontbreken de conclusie van dupliek, de akte uitlating producties van 26 januari 2016 en het vonnis in eerste aanleg. Nu deze stukken zich wel in het door Oxeye gefourneerde dossier bevinden, zal het hof dit dossier gebruiken bij zijn beoordeling. 2De ontvankelijkheid van het hoger beroep 2.1.

Oxeye heeft in eerste aanleg - na vermindering van eis - gevorderd betaling van [appellant] aan haar van een bedrag van € 1.250,- in hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2013, een bedrag van € 375,- aan buitengerechtelijke incassokosten eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding en de proceskosten. 2.2. De kantonrechter heeft bij vonnis van 22 maart 2016, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] veroordeeld tot betaling aan Oxeye van een bedrag van € 1.476,88 vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.250,- vanaf 31 januari 2013 en heeft [appellant] veroordeeld in de proceskosten van Oxeye inclusief nakosten. 2.3. [appellant] heeft in het hoger beroep gevorderd bij arrest het bestreden vonnis te vernietigen en de vorderingen van Oxeye alsnog af te wijzen, met veroordeling van Oxeye in de proceskosten. 2.4.

Op grond van artikel 332 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kunnen partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij – voor zover hier van belang – de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-. 2.5. Het hof stelt voorop dat bij de bepaling van de waarde van de vorderingen waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen, het moment van het wijzen van het (eind)vonnis in beginsel bepalend is. Dit betekent dat niet gekeken moet worden naar de vorderingen zoals deze oorspronkelijk zijn ingesteld, maar naar de vorderingen zoals deze (na eventuele eiswijziging) luidden ten tijde van het (eind)vonnis.

Daarbij geldt dat bij de beantwoording van de vraag of de in artikel 332 lid 1 Rv genoemde appèlgrens is bereikt met de vordering tot veroordeling in de proceskosten geen rekening wordt gehouden (HR 24 februari 1938, NJ 1938, 952; Hof Amsterdam 27 oktober 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK3979; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:304). De tot de dag van dagvaarding verschenen rente moet worden meegeteld. 2.6. Uit de inleidende dagvaarding en de conclusie van repliek onder 2 blijkt dat het totale beloop van de vordering van Oxeye, voor zover relevant voor de beoordeling of de appelgrens is bereikt, als volgt dient te worden vastgesteld:

€ 1.250,- in hoofdsom + € 88,96 ter zake van de op de dag van de inleidende dagvaarding verschenen samengestelde wettelijke rente voor consumententransacties (1 februari 2013 tot aan de dag van de inleidende dagvaarding 11 augustus 2015) en € 375,- aan buitengerechtelijke incassokosten. Het totale beloop van de vordering in eerste aanleg bedraagt daarmee € 1.713,96. Dit betekent dat de appèlgrens niet is bereikt. De slotsom 2.7. Het belang van de vordering in deze zaak overschrijdt niet de appèlgrens, zodat [appellant] in zijn hoger beroep niet kan worden ontvangen.

Omdat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, komt het hof niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak. 2.8. Het hof zal [appellant] als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Oxeye zullen worden vastgesteld op € 718,- aan griffierecht en € 632,- voor salaris advocaat conform het liquidatietarief (1 punt x tarief I).

3De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep: verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, locatie Zwolle) van 22 maart 2016; veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Oxeye vastgesteld op € 718,- voor verschotten en € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief; Dit arrest is gewezen door mr. I. Tubben, mr. J. H. Kuiper en mr. M.W. Zandbergen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018.