Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2018:1530 ECLI:NL:GHARL:2018:1530 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2018:1530 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2018:1530
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.229.789 beschikking van 13 februari 2018 inzake [verzoeker] , wonende te Amersfoort, verzoeker, hierna: [verzoeker] , advocaat: mr. M.J. de Witte, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerster] Letselschade specialisten B.V., gevestigd te Hengevelde, verweerster, hierna: [verweerster] , advocaat: mr. F. van Kersbergen. 1Het verloop van het geding 1.1 Bij op 19 december 2017 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift heeft [verzoeker] het hof verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, met bepaling van datum, tijd en plaats waarop de verhoren zullen plaatsvinden. 1.2 Per brief van 22 december 2017 (ter griffie ontvangen op 27 december 2017) heeft [verzoeker] , op verzoek van de griffie, een correct ondertekend exemplaar van de laatste pagina van het verzoekschrift in vijfvoud ingediend. 1.3 Per brief van 5 januari 2018 (ter griffie ontvangen op 8 januari 2018) heeft [verzoeker] het procesdossier van de procedure in eerste aanleg in viervoud overgelegd. 1.4 De griffier heeft bij brief van 8 januari 2018 partijen opgeroepen om te verschijnen op de mondelinge behandeling van 14 maart 2018. 1.5 Bij fax van 16 januari 2018 heeft [verweerster] bericht dat zij geen verweer voert tegen het verzoek van [verzoeker] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en dat zij geen behoefte heeft aan een mondelinge behandeling.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 3:303 BW; ECLI:NL:GHARL:2018:1530 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: de heer [getuige 4] , wonende te Amersfoort, en 5. de heer [getuige 5] , wonende te Almere. 2.3 [verweerster] heeft geen verweer gevoerd tegen het door [verzoeker] verzochte voorlopig getuigenverhoor en refereert zich aan het oordeel van het hof. 2.4 Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 186 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de rechter in gevallen, waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten, op verzoek van de belanghebbende een voorlopig getuigenverhoor kan bevelen. De verzoeker tot een voorlopig getuigenverhoor dient ingevolge artikel 187 lid 3, aanhef en onder a en b Rv in zijn verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering te vermelden, alsmede de feiten of rechten die hij wil bewijzen.

Keywords

AI generated
artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek artikel 3:303 BW

Cited Legislation

AI generated
artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek
artikel 3:303 BW
Voorts bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (artikel 3:303 BW).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1993:ZC0878
HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0878).
ECLI:NL:HR:2010:BK8146
Het geding in feitelijke instanties Met een op 27 maart 2007 ter griffie van de rechtbank 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft Chipshol zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, een voorlopig getuigenverhoor te bevelen omtrent de in het inleidend verzoekschrift onder 11-28 genoemde feiten. De Staat heeft het verzoek bestreden. De rechtbank heeft bij beschikking van 16 juli 2007 het verzoek van Chipshol afgewezen. Tegen deze beschikking heeft Chipshol hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij beschikking van 8 mei 2008 heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
ECLI:NL:HR:2017:3250
BENCIS BUYOUT FUND III A C.V.,gevestigd te Amsterdam, 2.
ECLI:NL:HR:2005:AR6809
Het geding in feitelijke instanties Verzoekster tot cassatie - verder te noemen: Frog - heeft bij exploot van 21 januari 2003 verweerster in cassatie - verder te noemen: Floriade - gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem en daarbij schadevergoeding gevorderd ten bedrage van € 1.011.26,68, te vermeerderen met de wettelijke rente. Met een op 21 mei 2003 ter griffie van de rechtbank te Haarlem ingekomen verzoekschrift heeft Frog de rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. De rechtbank heeft bij beschikking van 19 juni 2003 het verzoek afgewezen. Tegen deze beschikking heeft Frog hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij beschikking van 2 december 2003 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.229.789 beschikking van 13 februari 2018 inzake [verzoeker] , wonende te Amersfoort, verzoeker, hierna: [verzoeker] , advocaat: mr. M.J. de Witte, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerster] Letselschade specialisten B.V., gevestigd te Hengevelde, verweerster, hierna: [verweerster] , advocaat: mr. F. van Kersbergen. 1Het verloop van het geding 1.1 Bij op 19 december 2017 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift heeft [verzoeker] het hof verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, met bepaling van datum, tijd en plaats waarop de verhoren zullen plaatsvinden. 1.2 Per brief van 22 december 2017 (ter griffie ontvangen op 27 december 2017) heeft [verzoeker] , op verzoek van de griffie, een correct ondertekend exemplaar van de laatste pagina van het verzoekschrift in vijfvoud ingediend. 1.3 Per brief van 5 januari 2018 (ter griffie ontvangen op 8 januari 2018) heeft [verzoeker] het procesdossier van de procedure in eerste aanleg in viervoud overgelegd. 1.4 De griffier heeft bij brief van 8 januari 2018 partijen opgeroepen om te verschijnen op de mondelinge behandeling van 14 maart 2018. 1.5 Bij fax van 16 januari 2018 heeft [verweerster] bericht dat zij geen verweer voert tegen het verzoek van [verzoeker] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en dat zij geen behoefte heeft aan een mondelinge behandeling.

Ook [verzoeker] heeft meegedeeld af te zien van een mondelinge behandeling. Gelet daarop heeft het hof beslist de zaak op de stukken af te doen. 2De motivering van de beslissing 2.1 [verzoeker] heeft het hof verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, teneinde de getuigen van de aanrijding op [datum aanrijding] , waarbij hij betrokken was, onder ede te horen over het rijgedrag van de betrokken bestuurders. De rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, locatie Almelo heeft bij vonnis van 13 september 2017 de vorderingen van [verzoeker] tot vergoeding door [verweerster] van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het op advies van [verweerster] sluiten van een vaststellingsovereenkomst waarin [verzoeker] heeft ingestemd met 50% aansprakelijkheid van de WAM-verzekeraar afgewezen [verzoeker] is van dit vonnis bij dit hof in hoger beroep gekomen en heeft de zaak aangebracht tegen de roldatum 26 juni 2018. 2.2 Volgens [verzoeker] zijn er vijf betrokkenen die – uit eigen wetenschap – iets over het ongeval van [datum aanrijding] kunnen verklaren.

Deze betrokkenen wenst [verzoeker] als getuigen te doen laten horen, om te voorkomen dat er bewijs verloren gaat en om te voorkomen dat het hof bij de beoordeling uitgaat van onjuiste feiten. Onder punt 2 en 3 van het verzoekschrift heeft [verzoeker] toegelicht over welke feiten de afzonderlijke getuigen kunnen verklaren. Het verzoek ziet op het doen laten horen van de volgende vijf getuigen:

1. de heer [verzoeker] , wonende te Amersfoort;

2. de heer [getuige 2] , wonende te Zeist;

3. mevrouw [getuige 3] , wonende te Amersfoort;

4. de heer [getuige 4] , wonende te Amersfoort, en 5. de heer [getuige 5] , wonende te Almere. 2.3 [verweerster] heeft geen verweer gevoerd tegen het door [verzoeker] verzochte voorlopig getuigenverhoor en refereert zich aan het oordeel van het hof. 2.4 Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 186 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de rechter in gevallen, waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten, op verzoek van de belanghebbende een voorlopig getuigenverhoor kan bevelen. De verzoeker tot een voorlopig getuigenverhoor dient ingevolge artikel 187 lid 3, aanhef en onder a en b Rv in zijn verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering te vermelden, alsmede de feiten of rechten die hij wil bewijzen.

Dit dient hij te doen op zodanige wijze dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden, alsmede voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Niet is vereist dat de verzoeker al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen (zie bijv. HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0878). Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade.

Een voorlopig getuigenverhoor dient nu juist ertoe degene die daarom verzoekt, in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt dan ook niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor (vgl. onder meer HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8146 en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250). 2.5 Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer HR 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6809 en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250) kan een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW)), op de grond dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde, en op de grond dat het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.

Voorts bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (artikel 3:303 BW). 2.6 Gelet op het hiervoor genoemde toetsingskader blijkt uit het verzoekschrift genoegzaam over welk feitelijk gebeuren [verzoeker] de getuigen wil horen, om te bezien of deze feiten bewezen kunnen worden en of die kunnen bijdragen aan de vormgeving van de hoger beroepsprocedure tegen [verweerster] . Daarmee is het belang van [verzoeker] bij zijn verzoek gegeven. 2.7 [verweerster] heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoeker] , op grond waarvan het hof het verzoek zou moeten afwijzen.

Gesteld nog gebleken is dat [verzoeker] met het indienen van het verzoek misbruik maakt van recht of dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde. Van andere zwaarwegende belangen die aan toewijzing van het verzoek in de weg zouden staan, is het hof verder niet gebleken. 2.8 Gelet op het voorgaande is het verzoek van [verzoeker] toewijsbaar.

3De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep: beveelt een voorlopig getuigenverhoor; bepaalt dat het verhoor van de getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.H.F. van Vugt, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze vast te stellen datum en tijdstip; bepaalt dat de zaak wordt aangehouden tot 27 februari 2018 om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen de verhinderdata van alle partijen en die van de in rov. 2.2 genoemde getuigen voor de periode van 1 maart 2018 tot en met 1 juni 2018 schriftelijk door te geven aan de rekestengriffie van dit hof (Postbus 9030, 6800 EM te Arnhem), waarna datum en tijdstip van de verhoren door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend. Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Dozy, F.J.P. Lock en M.H.F. van Vugt, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2018.