Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2018:10200 ECLI:NL:GHARL:2018:10200 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2018:10200 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2018:10200
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

WAHV 200.206.870 22 november 2018 CJIB 192675313 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 14 november 2016 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:16 van de Awb; ECLI:NL:GHARL:2018:10200 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Het hof stelt vast dat het in het beroepschrift van 11 april 2016 gedane verzoek tot toezending van stukken is gedaan buiten de termijn, zoals omschreven in artikel 11, vierde lid (oud), Wahv. Dit verzoek van de gemachtigde kan dan ook worden aangemerkt als prematuur en voor premature verzoeken biedt de wet geen ruimte. De kantonrechter heeft echter niet op grond hiervan overwogen dat geen afschrift van het procesdossier wordt verstrekt, maar op de grond dat de gemachtigde al in het bezit zou zijn van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Keywords

AI generated
artikel 7:16 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:16 van de Awb
Ingevolge artikel 7:16 van de Awb in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de Wahv moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHARL:2017:2045
WAHV 200.185.549 10 maart 2017 CJIB 167577584 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Tussenarrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 november 2015 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats] , voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde ] ., kantoorhoudende te [plaats] . Het tussenarrest van 21 november 2016 De inhoud van het tussenarrest van 21 november 2016 wordt hier overgenomen. Het verdere procesverloop De gemachtigde van de betrokkene is opgeroepen voor een zitting van het hof. Op 23 februari 2017 is nog een schrijven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. De zaak is behandeld ter zitting van 24 februari 2017. Namens de gemachtigde van de betrokkene is verschenen [gemachtigde ] . Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. J.J. Lammers. Beoordeling 1. Gelet op hetgeen in het tussenarrest van 21 november 2016 is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Ter beoordeling van het hof staat vervolgens het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. 2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 32,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 5 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 2 december 2012 om 11.34 uur op de Ringbaan West nabij K.V.K. Tilburg te Tilburg met het voertuig met het kenteken [kenteken] . 3. De gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd, voor zover hier van belang, dat op grond van de stukken in het dossier niet kan worden nagegaan of het ijkrapport, dat zich bij de stukken bevindt, ook daadwerkelijk betrekking heeft op de bij onderhavige meting gebruikte meeteenheid. De gemachtigde wijst erop dat bovenaan de foto van de gedraging niet zowel het nummer van de meeteenheid als het nummer van de camera is vermeld. Het is, aldus de gemachtigde, de bedoeling dat beide nummers op die plaats vermeld worden. Bovendien moeten beide nummers met elkaar overeenstemmen, zodat kan worden vastgesteld dat de meeteenheid op de juiste camera is aangesloten. In dit geval is slechts één van de bedoelde nummers vermeld; dit betreft volgens de gemachtigde het vooraf in de camera geprogrammeerde nummer van de juiste meeteenheid. Daarnaast is echter vermeld: “-----”. Dit laat de mogelijkheid open dat niet de juiste meeteenheid op de camera is aangesloten, zodat ook niet kan worden nagegaan of het ijkrapport die meeteenheid betreft. De gemachtigde verwijst in dit verband naar de inhoud van het arrest van het hof van 20 maart 2012 (WAHV 200.087.495, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHLEE:2012:BZ6620). 4. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. 5. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in: “De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel. Gemeten (afgelezen) snelheid: 58 km per uur. Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 55 km per uur. Toegestane snelheid: 50 km per uur. Overschrijding met: 5 km per uur.” 6. Het dossier bevat twee foto's van de gedraging. Voor zover hier van belang, is daarop te zien dat het voertuig met bovenvermeld kenteken ter plaatse rijdt. De gedragingsgegevens die zijn vermeld in de databalk bovenaan die foto's komen overeen met voormelde gedragingsgegevens. Voorts is bovenaan de foto vermeld, voor zover van belang: “TS-SR520 71146/----- (…) TP6990” Onderaan de foto bevindt zich nog een kader met verschillende gegevens. Voor zover thans van belang is daar vermeld: “TP-nr NMi: TP6990 Camera CRS: A01994A6” 7. Door de advocaat-generaal is een afschrift van een NMi-verklaring, d.d. 23 oktober 2012, overgelegd. Die verklaring betreft de ijking van het snelheidsmeetmiddel, fabricaat Robot Visual Systems, type Traffistar SR 520, met typegoedkeuringsnummer TP 6990. Het nummer van de meeteenheid is: 593-071/71146. Als nummer van de digitale camera is vermeld: 649-000-61196. 8. In voormeld arrest van 20 maart 2012 heeft het hof een aanvullende verklaring van de in die zaak betrokken verbalisant aangehaald. In die verklaring is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “De antenne-eenheid en camera (en de aanwijseenheid) worden door het NMi als set onderzocht. Het nummer van de camera staat weliswaar niet op de foto maar op de NMi-verklaring wordt het cameranummer (en ook de aanwijseenheid) genoemd die bij deze antenne-eenheid hoort. De camera, antenne-eenheid en aanwijseenheid worden altijd als set (1 geheel) gebruikt. De antenne-eenheid is de meeteenheid, de camera legt de overtreding fotografisch vast. Het serienummer van een antenne-eenheid die bij een bepaalde camera behoort, is softwarematig door de leverancier van de apparatuur "vast" in die camera gezet. Wanneer er een antenne-eenheid wordt aangesloten op een camera dan komt het serienummer van die antenne-eenheid naast het in de camera ingevoerde serienummer van de antenne-eenheid op de foto te staan. Mochten de nummers op de foto niet gelijk zijn dan is dat een indicatie dat er een verkeerde antenne-eenheid is aangesloten op die camera. ” 9. In de databalk bovenaan de foto van onderhavige gedraging is vermeld: “71146/-----”. Het hof stelt vast dat het eerstgenoemde nummer valt te herleiden tot het in de NMi-verklaring genoemde nummer van de meeteenheid. De onder 8. genoemde verklaring in aanmerking genomen, valt dit nummer bij de foto mogelijk aan te merken als het door de leverancier in de camera voorgeprogrammeerde nummer van de (beoogde) meeteenheid. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag welke betekenis eraan toekomt dat na dit eerstgenoemde nummer louter “-----” is vermeld, en niet datzelfde nummer van de meeteenheid wordt herhaald (of een ander, afwijkend nummer wordt vermeld). Op grond van de beschikbare stukken wordt niet duidelijk of die omstandigheid de conclusie rechtvaardigt - zoals door de gemachtigde is betoogd - dat ten tijde van onderhavige meting een andere meeteenheid op de camera kan zijn aangesloten, dan de (beoogde) meeteenheid die samen met de gebruikte camera als set is getest en geijkt door het NMi. Ook acht het hof onduidelijk, ingeval niet kan worden uitgesloten dat een andere meeteenheid was aangesloten, wat daarvan de betekenis is voor wat betreft de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting die hier in het geding is. Tevens is het hof niet gebleken welke betekenis toekomt aan de gegevens zie zijn vermeld in het kader onderaan de foto van de gedraging. Daarin zijn eveneens gegevens vermeld die zijn te herleiden tot bovenvermelde NMi-verklaring. Onduidelijk is of deze gegevens hier zijn vermeld omdat ze zijn voorgeprogrammeerd in de bij deze meting gebruikte camera, dan wel dat deze gegevens hier zijn vermeld omdat ze rechtstreeks afkomstig zijn van de bij deze meting gebruikte meeteenheid. 10. Het hof acht zich derhalve onvoldoende voorgelicht met betrekking tot het voorgaande. Het hof zal daarom het onderzoek in deze zaak heropenen en de advocaat-generaal verzoeken om binnen 4 weken na dagtekening van dit arrest - met inachtneming van hetgeen onder 9. is overwogen en bij voorkeur door middel van een aanvullend ambtsedig proces-verbaal van de hier betrokken verbalisant- nadere informatie aan het hof te verstrekken met betrekking tot de bij de foto van de gedraging vermelde gegevens van het gebruikte meetmiddel, de wijze waarop die gegevens zijn te herleiden tot de door de advocaat-generaal overgelegde NMi-verklaring en de betekenis van een en ander voor de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting. 11. De gemachtigde van de betrokkene zal in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk te reageren op de door de advocaat-generaal verstrekte informatie. De zaak zal vervolgens op een nieuwe zitting van het hof worden behandeld, tenzij de advocaat-generaal en de gemachtigde bij het verstrekken van de nadere informatie respectievelijk het geven van een reactie daarop aangeven dat een nieuwe zitting achterwege kan blijven. In dat geval zal het hof de zaak verder op de stukken van het dossier afdoen. 12. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verzoekt de advocaat-generaal om binnen 4 weken na dagtekening van dit arrest nadere informatie in de hiervoor bedoelde zin aan het hof te verstrekken; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.
ECLI:NL:GHARL:2017:4167
WAHV 200.185.549 17 mei 2017 CJIB 167577584 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 november 2015 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats], voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde], [B.V. X], kantoorhoudende te [kantoorplaats]. Het tussenarrest van 21 november 2016 De inhoud van de tussenarresten van 21 november 2016 en 10 maart 2017 wordt hier overgenomen. Het verdere procesverloop Naar aanleiding van het tussenarrest van het hof van 10 maart 2017 heeft de advocaat-generaal aanvullende informatie aan het hof verstrekt. De advocaat-generaal heeft daarbij medegedeeld dat van mening is dat een nadere zitting van het hof achterwege kan blijven. De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk gereageerd op de door de advocaat-generaal verstrekte aanvullende informatie. De gemachtigde heef daarbij eveneens aangegeven dat een nadere zitting van het hof naar zijn mening achterwege kan blijven. Het hof zal de zaak verder afdoen op de stukken va het dossier. Beoordeling 1. In laatstgenoemd tussenarrest heeft het hof - zakelijk weergegeven - overwogen dat het zich onvoldoende voorgelicht acht met betrekking tot het in deze zaak gebruikte snelheidsmeetmiddel en de bij de foto van de gedraging vermelde gegevens van dat meetmiddel. Het hof acht daarbij van belang, welke betekenis eraan toekomt dat bovenaan de foto van de gedraging is vermeld: “71146/-----”. Door de gemachtigde van de betrokkene is betoogd, onder meer met verwijzing naar eerdere jurisprudentie van het hof, dat gezien deze vermelding niet uitgesloten kan worden dat ten tijde van onderhavige snelheidsmeting een andere meeteenheid op de camera is aangesloten geweest, dan de meeteenheid die gezamenlijk met de camera als set is geijkt door het NMi, blijkens de NMi-verklaring daaromtrent. In het verlengde daarvan acht het hof van belang - indien dat inderdaad niet kan worden uitgesloten - wat daarvan de betekenis is voor de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting. Tenslotte acht het hof van belang welke betekenis toekomt aan de gegevens die onderaan de foto van de gedraging zijn vermeld en die zijn te herleiden tot de NMi-verklaring in het dossier. Onduidelijk acht het hof of dié gegevens hier zijn vermeld, omdat ze rechtstreeks afkomstig zijn van de gebruikte meeteenheid, of omdat ze in de camera zijn voorgeprogrammeerd en er in dit geval mogelijk ook een andere meeteenheid kan zijn gebruikt. 2. Het hof heeft de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld met betrekking tot deze punten nadere informatie te (doen) verstrekken (door de verbalisant). De advocaat-generaal heeft daarop een proces-verbaal van aanvulling van de verbalisant, d.d. 30 maart 2017, in het geding gebracht. De verbalisant verklaart daarin, voor zover hier van belang: “Op 2 december 2012 omstreeks 11 uur 34 min, reed betrokkene met het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken] op de Ringbaan West in de gemeente Tilburg met een snelheid van 58 km per uur daar waar 50 km per uur is toegestaan. De overtreding werd vastgelegd door middel van een vaste digitale camera/meetunit gekeurd door het N.M.I. Deze meeteenheid is onafscheidelijk met elkaar verbonden en zowel de camera als de meeteenheid hebben een eigen serienummer. Als er een meetunit of camera vervangen wordt komt er ook een nieuwe N.M.I. verklaring met de juiste serienummers die dan van toepassing zijn.” 3. Het hof stelt vast dat deze aanvullende verklaring van de verbalisant geen helderheid schept met betrekking tot de door het hof in het tussenarrest gesignaleerde onduidelijkheden, die zijn toegespitst op een aantal concrete gegevens die uit het dossier blijken. Die gegevens zijn in het geheel niet toegelicht door de verbalisant, die heeft volstaan met een (zeer) algemene toelichting op de werking en ijking van een meetset. Ook de advocaat-generaal heeft kennelijk geen aanleiding gezien omtrent de door het hof gesignaleerde onduidelijkheden nog aanvullende informatie te verstrekken. Dit brengt mee dat de bij het hof gerezen onduidelijkheid niet is weggenomen. Gelet daarop kan het hof niet met de vereiste mate van zekerheid vaststellen dat deze snelheidsmeting is verricht met de meeteenheid waarop de NMi-verklaring omtrent de ijking betrekking heeft. Dat de meting is verricht met een geijkt snelheidsmeetmiddel, zoals het zaakoverzicht is vermeld, is derhalve onvoldoende komen vast te staan. 4. Het voorgaande brengt mee dat het dossier onvoldoende basis biedt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Het hof zal daarom, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie vernietigen, alsmede de inleidende beschikking waarbij de sanctie aan de betrokkene is opgelegd. 5. Het voorgaande geeft aanleiding voor toewijzing van het verzoek om vergoeding van proceskosten, bestaande uit de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft, voor zover nog van belang, de volgende proceshandelingen verricht die hier voor vergoeding in aanmerking komen: het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van een hoger beroepschrift, het verschijnen ter zitting van het hof van 24 februari 2017 en het indienen van een schriftelijke reactie op de door de advocaat-generaal verstrekte aanvullende informatie. Aan het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting dient (telkens) 1 punt te worden toegekend en aan het indienen van de schriftelijke reactie op de aanvullende informatie 0,5 punt. De waarde per punt bedraagt hier € 496,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1116,- (= 4,5 punten x € 496,- x 0,5). Beslissing Het gerechtshof: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 167577584 de administratieve sanctie is opgelegd; bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1116,-. Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.
ECLI:NL:GHARL:2017:2855
WAHV 200.163.569 4 april 2017 CJIB 173648678 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden locatie Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 27 november 2014 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

WAHV 200.206.870 22 november 2018 CJIB 192675313 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 14 november 2016 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 124,-. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Beoordeling 1. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Hij voert daartoe - onder meer - aan dat de kantonrechter ten onrechte geen stukken heeft verstrekt, hetgeen een schending oplevert van het bepaalde in artikel 11, vierde lid (oud), van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

2. Ingevolge artikel 11, vierde lid (oud), van de Wahv worden alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken in de fase van het beroep bij de kantonrechter nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.

3. Uit het dossier blijkt het volgende. Bij brief van 11 april 2016 heeft de gemachtigde op nog nader aan te voeren gronden beroep ingesteld bij de kantonrechter. In dit beroepschrift heeft hij verzocht om toezending van de zaakstukken. Op 3 oktober 2016 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde drie brieven gestuurd. In de eerste brief is de gemachtigde medegedeeld dat niet (kosteloos) een afschrift van het procesdossier wordt verstrekt, nu uit het dossier blijkt dat de gemachtigde hiervan reeds in bezit is. Gewezen wordt op de mogelijkheid om met de griffier van de rechtbank een afspraak te maken om de stukken in te zien.

In de tweede brief is de gemachtigde erop geattendeerd dat nog geen gronden van beroep zijn ingediend en dat hij dit verzuim binnen vier weken dient te herstellen, op straffe waarvan het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De derde brief betreft een oproeping voor de zitting van de kantonrechter op 14 november 2016. In dit schrijven is de gemachtigde gewezen op de mogelijkheid om tot uiterlijk één week voor de zitting de stukken te kunnen inzien op de griffie. Hiervoor dient telefonisch een afspraak te worden gemaakt.

4. De rechtbank heeft op 1 november 2016 een op 31 oktober 2016 gedateerd schrijven van de gemachtigde ontvangen. Hierin is verzocht om aanhouding van de zaak. De gemachtigde stelt in deze brief vast dat de kantonrechter zich kennelijk reeds voorafgaand aan de zitting op het standpunt heeft gesteld dat geen afschrift van het procesdossier wordt toegezonden, terwijl de mondelinge en inhoudelijke behandeling van de zaak nog moet plaatsvinden. De gemachtigde vindt dit onaanvaardbaar. Bovendien wordt zonder goede grond verondersteld dat de zaakstukken reeds zijn toegezonden. Bij schrijven van 10 november 2016 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde wederom medegedeeld geen afschrift van het procesdossier te zullen verstrekken. Gewezen wordt op de mogelijkheid om de stukken voor en/of tijdens de zitting in te zien.

5. Het hof stelt vast dat het in het beroepschrift van 11 april 2016 gedane verzoek tot toezending van stukken is gedaan buiten de termijn, zoals omschreven in artikel 11, vierde lid (oud), Wahv. Dit verzoek van de gemachtigde kan dan ook worden aangemerkt als prematuur en voor premature verzoeken biedt de wet geen ruimte. De kantonrechter heeft echter niet op grond hiervan overwogen dat geen afschrift van het procesdossier wordt verstrekt, maar op de grond dat de gemachtigde al in het bezit zou zijn van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

De gemachtigde heeft vervolgens binnen de in de derde brief van 3 oktober 2016 gegeven termijn om stukken in te zien gereageerd middels schrijven van 31 oktober 2016. Dat de gemachtigde in dit schrijven zijn verzoek tot toezending van stukken niet nadrukkelijk heeft herhaald, kan hem niet worden tegengeworpen. Hem was immers middels brief van 3 oktober 2016 duidelijk gemaakt geen afschrift van stukken te krijgen. Een herhaling van een verzoek om stukken zou dan ook zinloos zijn. Gelet op de inhoud van het beroepschrift en het schrijven van 31 oktober 2016 had het de kantonrechter echter duidelijk moeten zijn dat de gemachtigde zijn verzoek om toezending van stukken onverkort handhaafde.

Nu de gemachtigde binnen de in artikel 11, vierde lid (oud), Wahv omschreven termijn heeft gereageerd, en de kantonrechter uit dit schrijven een verzoek tot verstrekking van stukken had moeten afleiden, heeft de kantonrechter in strijd met zijn informatieverplichting gehandeld door de gemachtigde niet in het bezit te stellen van een afschrift van het procesdossier. De uit artikel 11, vierde lid (oud), Wahv voortvloeiende verplichting voor de kantonrechter tot het verstrekken van een afschrift van de zaakstukken is niet afhankelijk gesteld van de vraag of deze stukken reeds in de administratief beroepsprocedure zijn toegestuurd, nog daargelaten dat op basis van de stukken in het dossier niet kan worden vastgesteld dat deze stukken daadwerkelijk door de gemachtigde zijn ontvangen.

Gelet op het voorgaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen en het beroep tegen de beslissing van de officier beoordelen.

6. De gemachtigde voert aan dat deze beslissing dient te worden vernietigd wegens schending van de hoorplicht.

7. Ingevolge artikel 7:16 van de Awb in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de Wahv moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Hij kan daar, voor zover hier van belang, van afzien, indien het beroep kennelijk ongegrond is.

8. Nu de gemachtigde in administratief beroep expliciet heeft verzocht om te worden gehoord en het beroep, waarin de gedraging is betwist, niet kennelijk - dat wil zeggen aanstonds blijkend, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is - ongegrond is, had de officier van justitie de gemachtigde moeten horen. Nu dit niet is gebeurd, kan de beslissing van de officier van justitie wegens strijd met de hoorplicht niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing dan ook, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, vernietigen.

9. Ter beoordeling van het hof staat nu het beroep tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 195,- is opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 23 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 30 september 2015 om 22:49 uur op de trajectcontrole A2 links te Baambrugge met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .

10. De gemachtigde is van mening dat de gedraging niet kan worden vastgesteld op basis van de stukken in het dossier. Hiertoe wordt aangevoerd dat het kenteken van het voertuig op de foto's niet goed leesbaar is en dat hierop ook de gemeten snelheid niet wordt genoemd, dat het dossier niets behelst omtrent de lengte en de start van de trajectcontrole en ook ontbreken schouwrapporten waaruit kan worden afgeleid dat de bebording in orde was. Voorts blijkt uit het zaakoverzicht niet met welk meetmiddel de overtreding is geconstateerd en kan niet worden vastgesteld of het gebruikte meetmiddel ook geijkt is. De gegevens omtrent het meetmiddel op de foto's stemmen niet overeen met de NMi-verklaring op deze locatie die de gemachtigde in het geding heeft gebracht. In dit verband wijst de gemachtigde op een tussenarrest van het hof d.d. 10 maart 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:2045) en een eindarrest van het hof d.d. 17 mei 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:4167).

11. Het zaakoverzicht bevat - naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens - onder meer de volgende gegevens: “De overtreding werd langs elektronische weg geconstateerd en vastgelegd. (…) De werkelijke snelheid stelt ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van factoren tijd en afstand. Gemeten (afgelezen) snelheid: 127 km/h. Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 123 km/h. Toegestane snelheid: 100 km/h. Overschrijding met: 23 km/h.” 12. Tot het dossier behoren een tweetal foto’s. Op beide foto’s is de achterzijde van het voertuig van de betrokkene te zien.

Het kenteken is, in tegenstelling tot hetgeen de gemachtigde beweert, goed leesbaar. In de databalk onder de eerste foto is onder meer opgenomen: "30-09-2015 22:47:52.762 A2 E1 R-1." In de databalk onder de tweede foto is onder meer opgenomen: "30-09-2015 22:49:16.717 A2 XI R-4." 13. Bij trajectcontrole kan de gemiddelde snelheid worden vastgesteld met een berekening op basis van de tijdsduur en trajectlengte (vgl. ov. 17 van het arrest van 4 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2855, gepubliceerd op rechtspraak.nl.). In de onderhavige zaak is op of boven de foto's van de vermeende gedraging niet vermeld wat de lengte van het traject is en bij welke hectometerpaal de trajectmeting is gestart en geëindigd.

Ook in het zaakoverzicht ontbreekt deze informatie. Op of boven de foto is niets vermeld omtrent de in het zaakoverzicht vermelde snelheden. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat van de zijde van het openbaar ministerie hieromtrent geen aanvullende informatie in de procedure is gebracht, kan op basis van de voorhanden gegevens niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de inleidende beschikking is gegrond. De overige daartegen aangevoerde argumenten behoeven nu geen bespreking meer.

13. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 501,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 751,50. Beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 192675313 de administratieve sanctie is opgelegd; bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 751,50, over te maken op bankrekeningnummer [00000] ten name van [D] B.V. te [C] .

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.