Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2017:9784 ECLI:NL:GHARL:2017:9784 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2017:9784 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2017:9784
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.221.063 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 301814) arrest van 24 oktober 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [plaatsnaam] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna: [appellant] , advocaat: mr. M. van Hunnik, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [plaatsnaam] , geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna: [geïntimeerde] , niet verschenen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3:301 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 433 Rv, artikel 3:301 lid 1 BW, artikel 3:301 BW; ECLI:NL:GHARL:2017:9784 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2531. Het betoog van [appellant] , dat niet-ontvankelijkheid achterwege kan blijven omdat het bestreden vonnis is ingehaald door het latere verstekvonnis van 26 juli 2017, wordt verworpen. Dat latere vonnis heeft geen betekenis voor de vraag of [appellant] , gezien artikel 3:301 BW, ontvankelijk is in zijn hoger beroep van het thans bestreden vonnis van 30 november 2016. Voor zover de door [appellant] nog te formuleren grieven zich richten tegen andere oordelen, zoals tegen de afwijzing van de vordering in reconventie van [appellant] , is [appellant] wel ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Keywords

AI generated
artikel 3:301 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek artikel 433 Rv artikel 3:301 lid 1 BW artikel 3:301 BW

Cited Legislation

AI generated
artikel 3:301 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek
3.3 Op grond van artikel 3:301 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna:
artikel 433 Rv
BW) dient verzet, hoger beroep en cassatie, tegen een uitspraak als bedoeld in het eerste lid van die bepaling, op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel te worden ingeschreven in het in artikel 433 Rv bedoelde register (het rechtsmiddelenregister).
artikel 3:301 lid 1 BW
De in artikel 3:301 lid 1 BW vermelde uitspraken zijn die, waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in plaats treden van een tot levering van een registergoed bestemde akte of deel daarvan.
artikel 3:301 BW
Dat latere vonnis heeft geen betekenis voor de vraag of [appellant] , gezien artikel 3:301 BW, ontvankelijk is in zijn hoger beroep van het thans bestreden vonnis van 30 november 2016.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.221.063 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 301814) arrest van 24 oktober 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [plaatsnaam] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna: [appellant] , advocaat: mr. M. van Hunnik, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [plaatsnaam] , geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna: [geïntimeerde] , niet verschenen.

1Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 30 november 2016, dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 23 februari 2017, hersteld bij exploot d.d. 12 juni 2017;- een akte uitlating ontvankelijkheid in hoger beroep (met producties). 2.2 [geïntimeerde] is in hoger beroep niet verschenen. Aan haar is in hoger beroep verstek verleend. 2.3 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald (op het griffiedossier). 3De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 Tussen partijen is – kort samengevat – een geschil ontstaan omtrent een chalet met ondergrond, waarvan partijen gezamenlijk eigenaar zijn.

In eerste aanleg vorderde [geïntimeerde] in conventie onder meer dat [appellant] medewerking zal verlenen om tot verkoop van het chalet te geraken, waaronder het ondertekenen van de verkoopopdracht aan de makelaar en het tekenen van de koopovereenkomst, alsmede het verlenen van medewerking aan de levering van het chalet aan de kopers. In reconventie vorderde [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bijdrage van € 7.674,57 in de gezamenlijke kosten van het chalet, vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. 3.2 In het bestreden vonnis heeft de rechtbank [appellant] in conventie onder meer veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de verkoop en de notariële levering van het chalet met ondergrond, door – kort gezegd – met betrekking tot dit chalet een verkoopopdracht te verstrekken.

Het vonnis bepaalt dat bij gebreke van medewerking van [appellant] aan de verkoopopdracht, de koopovereenkomst en de notariële levering, het vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [appellant] , dan wel dat het vonnis in de plaats treedt van de benodigde akte of deel daarvan. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen. Zowel in conventie als in reconventie zijn kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd. 3.3 Op grond van artikel 3:301 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna:

BW) dient verzet, hoger beroep en cassatie, tegen een uitspraak als bedoeld in het eerste lid van die bepaling, op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel te worden ingeschreven in het in artikel 433 Rv bedoelde register (het rechtsmiddelenregister). De in artikel 3:301 lid 1 BW vermelde uitspraken zijn die, waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in plaats treden van een tot levering van een registergoed bestemde akte of deel daarvan. 3.4 Het hof is gehouden ambtshalve te beoordelen of [appellant] ontvankelijk is in het hoger beroep. [appellant] erkent dat het hoger beroep niet tijdig is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. [appellant] kan niet worden ontvangen in zijn hoger beroep, voor zover dat zich richt tegen oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat blijkens het dictum in de plaats treedt van een tot levering bestemde akte en daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen.

Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2531. Het betoog van [appellant] , dat niet-ontvankelijkheid achterwege kan blijven omdat het bestreden vonnis is ingehaald door het latere verstekvonnis van 26 juli 2017, wordt verworpen. Dat latere vonnis heeft geen betekenis voor de vraag of [appellant] , gezien artikel 3:301 BW, ontvankelijk is in zijn hoger beroep van het thans bestreden vonnis van 30 november 2016. Voor zover de door [appellant] nog te formuleren grieven zich richten tegen andere oordelen, zoals tegen de afwijzing van de vordering in reconventie van [appellant] , is [appellant] wel ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Pas als duidelijk is tegen welke onderdelen van het vonnis [appellant] zijn grieven richt, kan verder worden beoordeeld in hoeverre [appellant] in hoger beroep al dan niet ontvankelijk is. 3.5 Het hof zal de zaak daarom naar de rol verwijzen voor het nemen van een memorie van grieven. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep: verwijst de zaak naar de roldatum 5 december 2017 voor memorie van grieven; houdt verder iedere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2017.