Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2017:9381 ECLI:NL:GHARL:2017:9381 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2017:9381 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2017:9381
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006107-16 Uitspraak d.d.: 31 oktober 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 14 november 2016 met parketnummer 18-016647-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Legislator headnote

AI generated

artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, artikel 261 van het wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:GHARL:2017:9381 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Door de raadsman is betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat niet bewezen kan worden dat verdachte 'een bepaald feit' heeft 'ten laste gelegd' - zoals bedoeld in artikel 261 van Strafrecht - waardoor de eer en/of goede naam van [benadeelde] is aangerand. Verdachte heeft [benadeelde] 'een beul' genoemd in een bericht op Facebook. Dit is niet het ruchtbaarheid geven aan een strafbare of beschamende daad van [benadeelde] door verdachte en derhalve geen smaad.

Keywords

AI generated
artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering artikel 261 van het wetboek van Strafrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering
Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
artikel 261 van het wetboek van Strafrecht
Het handelden van aangever, te weten het afsluiten van de meter, dat door verdachte in zijn tekst wordt omschreven is verder geen tenlastelegging van een bepaald feit als bedoeld in artikel 261 van het wetboek van Strafrecht.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2016:1198
14 juni 2016 Strafkamer nr.
ECLI:NL:HR:2009:BI1171
Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De benadeelde partij [...], advocaat te [plaats A], heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen. 1.2. De benadeelde partij heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. Nu deze reactie na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingekomen, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
ECLI:NL:HR:2001:AB3143
De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 20 november 1998, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 2. "eenvoudige belediging, aangedaan aan het openbaar gezag" veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis, waarvan driehonderd gulden, subsidiair zes dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. 2.Geding in cassatie Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken - is ingesteld door de verdachte.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006107-16 Uitspraak d.d.: 31 oktober 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 14 november 2016 met parketnummer 18-016647-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een geldboete van € 350,-- subsidiair 7 dagen hechtenis en tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van € 250,-- met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J. Hemelaar, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een geldboete van € 350,-- subsidiair 7 dagen hechtenis, waarvan € 175,--, subsidiair 3 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 100,-- zonder wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 28 oktober 2015 te [plaats] opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door op Facebook een bericht te plaatsen voorzien van een foto van die [benadeelde] met daarbij een tekst waarin door verdachte de opmerking is geplaatst: "...dan wordt je op een achterbakse wijze via via uiteindelijk door een uitvoerder, je ziet hem hier staan, het is een zekere beul met de naam [benadeelde] , die niet op een uitspraak van de rechter wil wachten afgesloten, in de kou gezet", welke bericht door een (groot) aantal mensen is gedeeld en/of gelezen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Door de raadsman is betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat niet bewezen kan worden dat verdachte 'een bepaald feit' heeft 'ten laste gelegd' - zoals bedoeld in artikel 261 van Strafrecht - waardoor de eer en/of goede naam van [benadeelde] is aangerand. Verdachte heeft [benadeelde] 'een beul' genoemd in een bericht op Facebook. Dit is niet het ruchtbaarheid geven aan een strafbare of beschamende daad van [benadeelde] door verdachte en derhalve geen smaad.

Het handelden van aangever, te weten het afsluiten van de meter, dat door verdachte in zijn tekst wordt omschreven is verder geen tenlastelegging van een bepaald feit als bedoeld in artikel 261 van het wetboek van Strafrecht. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Voorop staat dat bij aanranding van iemands eer of goede naam door middel van telastlegging van een bepaald feit, zoals omschreven in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht, het anders dan bij belediging, waarvan aangifte is gedaan, moet gaan om een op zodanige wijze tenlastegelegd feit, dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging tegen één of meer aanwijsbare personen betreft.

Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien het "feit" niet het gedrag van de betrokkene betreft maar een eigenschap die hem wordt toegedicht en evenmin, zo het wel gaat om zijn gedrag, indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging. (Vgl. HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1198 en HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1171.) De ratio van de strafbaarstelling van smaad(schrift) ligt in de bescherming van de morele integriteit waarop een ieder in het maatschappelijk verkeer aanspraak kan maken.

Bij het bestanddeel “ telastelegging van een bepaald feit” moet het niet alleen gaan om een ernstig feit zoals een misdrijf of een gedraging die moreel verwerpelijk (of: in strijd met de positieve moraal).wordt geacht, maar ook om een duidelijk te onderkennen concrete historische gedraging waarbij de betrokkenheid van het slachtoffer bij dat feit tot uitdrukking komt (zie Hoge Raad 3 mei 1937, NJ 1937, 1022 en Hoge Raad 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3143) Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, stelt het hof het volgende vast.

Verdachte heeft op Facebook een bericht geplaatst met daarbij een foto van aangever [benadeelde] en de tekst "… dan wordt je op een achterbakse wijze via via uiteindelijk door een uitvoerder, je ziet hem hier staan, het is een zekere beul met de naam [benadeelde] , die niet op een uitspraak van de rechter wil wachten afgesloten, in de kou gezet". Het hof is van oordeel dat deze bewoordingen die verdachte jegens [benadeelde] heeft gebezigd op Facebook niet het ten laste leggen van een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van [benadeelde] is zoals bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht gelet op hetgeen het hof hierboven voorop heeft gesteld..

Het verweer van de raadsman treft derhalve doel. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het tenlastegelegde. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 250,--. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100,--. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt.

De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk. Aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. H.L. Stuiver en mr. E. Pennink, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier, en op 31 oktober 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr.

E. Pennink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.