Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2017:3712 ECLI:NL:GHARL:2017:3712 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2017:3712 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2017:3712
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummers gerechtshof 200.209.055 en 200.209.312 (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 366036 en 395816) arrest van 2 mei 2017 in de zaak met zaaknummer 200.209.055 van [appellante] , wonende te [plaatsnaam] , appellante, in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie, hierna: [appellante] , advocaat: mr. R.V.C.F. Dingemans, tegen: [geïntimeerde 1] , wonende te [plaatsnaam] , geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie, hierna: [geïntimeerde 1] , advocaat: mr.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3:301 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 3:300 lid 1 BW, Artikel 3:301 BW, Artikel 3:301 lid 2 BW, art. 433 Rv, art. 3:301 BW; ECLI:NL:GHARL:2017:3712 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: De rechtbank bepaalt immers dat het vonnis in de plaats zal treden van door [appellante] noodzakelijk te verrichten rechtshandelingen en dus niet in de plaats van een op te maken akte. Artikel 3:301 BW ziet enkel op een uitspraak die in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte. Nu het bestreden vonnis van de rechtbank niet spreekt van een akte maar van door [appellante] te verrichten rechtshandelingen kan haar de in artikel 3:301 lid 2 genoemde termijn van acht dagen dan ook niet worden tegengeworpen en is zij ontvankelijk in haar vorderingen in hoger beroep, aldus [appellante] . 3.5 Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Keywords

AI generated
artikel 3:301 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek artikel 3:300 lid 1 BW Artikel 3:301 BW Artikel 3:301 lid 2 BW art. 433 Rv art. 3:301 BW

Cited Legislation

AI generated
artikel 3:301 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek
Nu in art. 3:301 BW op een verzuim van inschrijving de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid wordt gesteld, bestaat onvoldoende aanleiding om die bepaling, die een beperkte strekking heeft, uit te breiden tot een geval dat door de wettekst niet wordt bestreken (vgl.
artikel 3:300 lid 1 BW
3.4 Volgens [appellante] heeft de rechtbank in het bestreden vonnis, gezien de bewoordingen in het dictum onder 6.2, uitdrukkelijk beoogd toepassing te geven aan artikel 3:300 lid 1 BW.
Artikel 3:301 BW
Artikel 3:301 BW ziet enkel op een uitspraak die in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte.
Artikel 3:301 lid 2 BW
Artikel 3:301 lid 2 BW schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verzet, hoger beroep en cassatie tegen een uitspraak als bedoeld in het eerste lid van die bepaling, worden ingeschreven in het in art.
art. 433 Rv
Artikel 3:301 lid 2 BW schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verzet, hoger beroep en cassatie tegen een uitspraak als bedoeld in het eerste lid van die bepaling, worden ingeschreven in het in art. 433 Rv bedoelde register.
art. 3:301 BW
Nu in art. 3:301 BW op een verzuim van inschrijving de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid wordt gesteld, bestaat onvoldoende aanleiding om die bepaling, die een beperkte strekking heeft, uit te breiden tot een geval dat door de wettekst niet wordt bestreken (vgl.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2004:AP4743
Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 20 februari 2002 verweersters in cassatie - tezamen in enkelvoud verder te noemen: Witadi - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te Arnhem en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet dit toelaat: - Witadi te bevelen voor 2 februari 2002 het perceel gelegen te [plaats] aan de [a-straat 1], kadastraal bekend gemeente Didam, sectie [A], nummer [001], aan [eiseres] te leveren voor de getaxeerde prijs van € 378.906,-- en mee te werken aan alle daartoe benodigde rechtshandelingen te verrichten zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag of gedeelte van een dag dat Witadi na betekening van het te dezen te wijzen vonnis daarmee in gebreke blijft, zulks met een maximum € 300.000,--; - en voorts te bevelen dat het te dezen te wijzen vonnis dezelfde rechtskracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot levering van het registergoed, althans een vertegenwoordiger aan te wijzen die, indien Witadi in gebreke blijft aan genoemd bevel te voldoen, de rechtshandelingen voor Witadi zal verrichten; - en voorts Witadi te veroordelen medewerking te verlenen aan doorhaling van de procedure bij de rechtbank te Arnhem, bekend onder rolnummer 00/1752, zoals overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst, zulks op straffe van een te verbeuren boete van € 2.500,-- per dag of gedeelte van een dag dat zij hiermee in gebreke blijft.
ECLI:NL:HR:2015:2531
11 september 2015 Eerste Kamer 14/02749 RM/TT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: STICHTING BOERENHOFSTEDE STRAND-VLIET, in haar hoedanigheid van enig erfgenaam van [betrokkene 1] ,gevestigd te Ouderkerk aan de Amstel, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. M.J. Schenck, t e g e n 1. [verweerder 1] , 2. [verweerster 2] , beiden wonende te [woonplaats] , VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. H.J.W. Alt. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Stichting en [verweerder] c.s.
ECLI:NL:HR:2016:1468
ESCONADO BELEGGINGEN B.V.,gevestigd te Utrecht, 2.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummers gerechtshof 200.209.055 en 200.209.312 (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 366036 en 395816) arrest van 2 mei 2017 in de zaak met zaaknummer 200.209.055 van [appellante] , wonende te [plaatsnaam] , appellante, in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie, hierna: [appellante] , advocaat: mr. R.V.C.F. Dingemans, tegen: [geïntimeerde 1] , wonende te [plaatsnaam] , geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie, hierna: [geïntimeerde 1] , advocaat: mr.

D.H.J. Hooreman, en in de zaak met zaaknummer 200.209.312 van [appellante] , wonende te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, appellante, in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie, hierna: [appellante] , advocaat: mr. R.V.C.F. Dingemans, tegen: [geïntimeerde 2] , wonende te [plaatsnaam] , en [geïntimeerde 3] , wonende te [plaatsnaam] , geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eisers in reconventie, hierna: [geïntimeerden 2 en 3] , advocaat: mr. D.H.J. Hooreman.

1Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 28 mei 2014 en 2 november 2016 die de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft gewezen.

2Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.209.055: 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 26 januari 2017, - het anticipatie-exploot van 6 februari 2017, - een akte van [appellante] , - een akte van [geïntimeerde 1] , - een akte van [appellante] . In de zaak met zaaknummer 200.209.312: 2.2 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 26 januari 2017, - het anticipatie-exploot van 6 februari 2017, - een akte van [appellante] , - een akte van [geïntimeerden 2 en 3] , - een akte van [appellante] .

In beide zaken: 2.3 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald (op het griffiedossier). 3De motivering van de beslissing 3.1 Bij vonnis van 2 november 2016 heeft de rechtbank (kort gezegd): - een strook grond (aan [adres] , verder: de strook) en een recreatieperceel (in de [adres] , verder: het recreatieperceel) toegedeeld aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden 2 en 3] onder de bepaling dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden 2 en 3] de helft van de (door een makelaar/taxateur bindend vast te stellen) waarde van de strook en van het recreatieperceel aan [appellante] dienen te vergoeden en onder de vaststelling van een meerwaardeclausule waarbij [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden 2 en 3] een eventuele meerwaarde van de strook ten gevolge van een wijzing van de daarop rustende bestemming dienen te delen met [appellante] (r.o. 6.1); - [appellante] veroordeeld tot medewerking aan de levering van haar aandeel in de strook en in het recreatieperceel aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden 2 en 3] binnen vier weken na de door de makelaar verrichte taxatie van de percelen en bepaald dat het vonnis in de plaats zal treden van de door [appellante] noodzakelijk te verrichten rechtshandelingen voor de levering van het genoemde aandeel indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: de notaris die met het transport is belast heeft partijen uitgenodigd de transportakte op zijn kantoor te ondertekenen dan wel een volmacht daartoe verstrekt, een tijdstip daartoe bepaald en partijen ten minste een week voor dit tijdstip een ontwerp van de akte en een afrekening toegezonden en [appellante] heeft niet uiterlijk op het door de notaris bepaalde tijdstip meegewerkt aan de ondertekening van de transportakte of de volmacht (r.o. 6.2); - het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; - de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen. 3.2 [appellante] is bij dagvaarding van 26 januari 2017 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 november 2016.

Op de roldatum 28 februari 2017 heeft [appellante] een akte van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht in het geding gebracht. In deze akte verklaart de griffier van de rechtbank dat 22 februari 2017 in het daartoe bestemde register als bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aantekening is gemaakt dat tegen het bestreden vonnis hoger beroep is ingesteld. 3.3 Ter beoordeling ligt voor de vraag of [appellante] in haar vorderingen in hoger beroep kan worden ontvangen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden 2 en 3] stellen dat [appellante] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat zij heeft nagelaten de appeldagvaarding tijdig – binnen de wettelijke termijn van acht dagen na het instellen van hoger beroep – in te schrijven in het rechtsmiddelenregister zoals bepaald in artikel 3:301 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Zij voeren daartoe aan dat, alhoewel de rechtbank in het bestreden vonnis niet (letterlijk) heeft bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte, de rechtbank in het dictum wel heeft beoogd een hiermee gelijk te stellen veroordeling/bepaling uit te spreken door te bepalen dat het vonnis van de rechtbank in de plaats treedt van de door [appellante] noodzakelijk te verrichten rechtshandelingen voor levering van haar aandeel in de gemeenschap tussen partijen aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden 2 en 3] indien [appellante] weigert mee te werken aan de levering. 3.4 Volgens [appellante] heeft de rechtbank in het bestreden vonnis, gezien de bewoordingen in het dictum onder 6.2, uitdrukkelijk beoogd toepassing te geven aan artikel 3:300 lid 1 BW.

De rechtbank bepaalt immers dat het vonnis in de plaats zal treden van door [appellante] noodzakelijk te verrichten rechtshandelingen en dus niet in de plaats van een op te maken akte. Artikel 3:301 BW ziet enkel op een uitspraak die in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte. Nu het bestreden vonnis van de rechtbank niet spreekt van een akte maar van door [appellante] te verrichten rechtshandelingen kan haar de in artikel 3:301 lid 2 genoemde termijn van acht dagen dan ook niet worden tegengeworpen en is zij ontvankelijk in haar vorderingen in hoger beroep, aldus [appellante] . 3.5 Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Artikel 3:301 lid 2 BW schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verzet, hoger beroep en cassatie tegen een uitspraak als bedoeld in het eerste lid van die bepaling, worden ingeschreven in het in art. 433 Rv bedoelde register. De in lid 1 vermelde uitspraken zijn die, waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treden van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte. Volgens vaste rechtspraak strekt artikel 3:301 lid 2 BW ertoe de betrouwbaarheid van de openbare registers zoveel mogelijk te waarborgen met het oog op de rechtszekerheid die ten aanzien van de verkrijging van registergoederen is vereist; het strekt niet ter bescherming van het belang van de wederpartij van degene die het rechtsmiddel heeft ingesteld.

In het licht van deze beperkte strekking van artikel 3:301 lid 2 BW leidt de niet tijdige inschrijving van het rechtsmiddel in de registers slechts tot niet-ontvankelijkheid voor zover wordt opgekomen tegen oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte en daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen. Nu in art. 3:301 BW op een verzuim van inschrijving de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid wordt gesteld, bestaat onvoldoende aanleiding om die bepaling, die een beperkte strekking heeft, uit te breiden tot een geval dat door de wettekst niet wordt bestreken (vgl. HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4743, HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2531 en HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1468).

In het onderhavige geval treedt het bestreden vonnis, gezien ook rechtsoverweging 5.8 van dat vonnis, niet in de plaats van een (tot levering van de onroerende zaak bestemde) akte maar alleen in de plaats van de door [appellante] noodzakelijk te verrichten rechtshandelingen. Hieruit volgt dat [appellante] kan worden ontvangen in haar vorderingen in hoger beroep. 3.6 Het hof ziet aanleiding ambtshalve over te gaan tot rolvoeging van de onderhavige zaken. Dit betekent dat op de rol zal worden aangetekend dat beide zaken samenhangen en dat beide zaken telkens op dezelfde roldatum dienen, zodat zij voor het wijzen van arrest in één hand komen. 3.7 Het hof zal beide zaken naar de rol verwijzen voor memorie van grieven.

Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep: voegt de zaken met zaaknummers 200.209.055 en 200.209.312; verwijst beide zaken naar de roldatum 13 juni 2017 voor memorie van grieven; houdt verder iedere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2017.