Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2017:349 ECLI:NL:GHARL:2017:349 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2017:349 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2017:349
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.204.520/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/418633 / FL RK 16-1336) beschikking van 17 januari 2017 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [A] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. L.M. Vos te Rotterdam, en [verweerder] , wonende te [B] , verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. J.M.M. Pater te Emmeloord.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:GHARL:2017:349 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 11 augustus 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 november 2016, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beslissen dat het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen, wordt afgewezen. 2.2 De vader heeft daartegen verweer gevoerd bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 januari 2017. 2.3 Voorts zijn bij de griffie van het hof binnengekomen: - een journaalbericht van 20 december 2016 van mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.204.520/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/418633 / FL RK 16-1336) beschikking van 17 januari 2017 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [A] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. L.M. Vos te Rotterdam, en [verweerder] , wonende te [B] , verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. J.M.M. Pater te Emmeloord.

1Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 11 augustus 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 november 2016, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beslissen dat het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen, wordt afgewezen. 2.2 De vader heeft daartegen verweer gevoerd bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 januari 2017. 2.3 Voorts zijn bij de griffie van het hof binnengekomen: - een journaalbericht van 20 december 2016 van mr.

Vos; - een journaalbericht van 22 december 2016 van mr. Pater. 3De motivering van de beslissing 3.1 In het kader van een pilot "complexe scheidingen" heeft een raadsheer de stukken beoordeeld in het licht van de vraag of al in dit vroege stadium van de appelprocedure op korte termijn maatregelen kunnen worden genomen die een snellere en de-escalerende afhandeling bevorderen. Gelet op de stukken hebben partijen in ieder geval onenigheid over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] , geboren [in] 2010 in de gemeente [C] . 3.2 Het hof heeft - in het kader van voornoemde pilot - bij brief van 12 december 2016 aan partijen voorgehouden dat het, zonder op de verdere procedure vooruit te willen lopen, meent dat partijen en hun kind(eren) in dit stadium gebaat zouden kunnen zijn bij een hulpverleningstraject 'Ouderschap na Scheiding' van [D] .

Aan partijen is verzocht om aan het hof kenbaar te maken of zij voor deze suggestie openstaan. Beide partijen hebben het hof laten weten te willen meewerken aan het hulpverleningstraject 'Ouderschap na Scheiding'. Het hof constateert dat per abuis in de brief het hulpverleningstraject 'Ouderschap na Scheiding' van [D] is genoemd, terwijl de kinderen woonachtig zijn in [B] en dit buiten het gebied van [D] ligt. Het hof gaat er vanuit dat partijen eveneens openstaan voor het hulpverleningstraject 'Ouderschap na Scheiden' (bemiddeling) van [E] (zie voor informatie op www. [E] .nl/ouders/scheiding).

Derhalve zal het hof beslissen als na te melden. 3.3 In afwachting van het voorgaande zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

4De beslissing

Het gerechtshof: alvorens verder te beslissen: verwijst partijen naar het hulpverleningstraject 'Ouderschap na Scheiden' (bemiddeling) van [E] en draagt partijen op om zich binnen twee weken na de datum van deze beschikking, derhalve uiterlijk op 31 januari 2017, tot het sociale wijkteam van de gemeente Noordoostpolder of Jeugdbescherming Overijssel te wenden ten behoeve van het verkrijgen van een indicatie voor deelname aan dit hulpverleningstraject; draagt (de advocaten van) partijen op het hof uiterlijk op 25 april 2017 te informeren over de rapportage en de bevindingen van [E] door toezending daarvan aan het hof; houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. G. Jonkman, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 januari 2017 in bijzijn van de griffier.