Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2017:1615 ECLI:NL:GHARL:2017:1615 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2017:1615 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2017:1615
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:GHARL:2017:1615 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: De Rechtbank heeft geoordeeld dat nu belanghebbende in haar aangifte voor het jaar 2010 zowel bij de eigenwoningschuld als bij de rendementsgrondslag een schuld vermeldde van € 650.000, met de omschrijving ‘Hypotheek Rabo’ dan wel ‘Hypotheek’ en in beide gevallen hetzelfde rekeningnummer van haar privébankrekening vermeldde, de Inspecteur aan de juistheid van deze gegevens had moeten twijfelen en deze aan een nader onderzoek had moeten onderwerpen. Daaruit heeft de Rechtbank de conclusie getrokken dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2010:BL7165
Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is over het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete.
ECLI:NL:HR:2010:BJ9082
Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is over het jaar 2001 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premievervangende belasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 06/6367) heeft het ingestelde beroep gegrond verklaard en de navorderingsaanslag vernietigd. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2013:BX7184
Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is over het jaar 2003 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete, en voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De aanslagen en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd. De Rechtbank te Arnhem (nrs. AWB 09/116, 09/119, 09/121 en 09/330) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de aanslag, de navorderingsaanslag alsmede de boete verminderd. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de bij de Rechtbank ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem Nummer 16/00472 uitspraakdatum: 28 februari 2017 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almere (hierna: de Inspecteur) en het incidentele hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 maart 2016, nummers AWB 15/5465, 15/5466 en 15/5467, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn over de jaren 2009, 2010 en 2011 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.

Bij beschikkingen is heffingsrente berekend. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar het bezwaar voor het jaar 2009 ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen voor de jaren 2010 en 2011 verminderd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen voor de jaren 2009 en 2011 ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het beroep voor het jaar 2010 gegrond verklaard en de desbetreffende uitspraken van de Inspecteur, de navorderingsaanslag en de heffingsrentebeschikking vernietigd. 1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. 1.5. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. 2De vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft een eigenwoningschuld van € 650.000. Zij heeft in haar aangiften voor de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen voor de jaren 2009, 2010 en 2011 telkens deze schuld vermeld bij de inkomsten uit eigen woning en de daarop betaalde rente als aftrekbare kosten in aanmerking genomen.

Daarnaast heeft zij deze schuld in aanmerking genomen bij de berekening van de rendementsgrondslag. In de aangifte voor het jaar 2010 heeft zij daarbij telkens het nummer vermeld van haar privébankrekening, waarvan zij de in verband met de lening verschuldigde bedragen betaalde. Deze bankrekening stond in de aangifte ook vermeld bij haar bezittingen. 2.2. Bij het vaststellen van de aanslagen over de onderhavige jaren heeft de Inspecteur de rendementsgrondslag berekend met inachtneming van de hiervoor vermelde hypotheekschuld. Nadien is hij tot het inzicht gekomen dat deze hypotheekschuld niet aftrekbaar was en heeft hij ter zake navorderingsaanslagen opgelegd. 3Het geschil 3.1.

In geschil is of de Inspecteur de navorderingsaanslagen mocht opleggen. In het bijzonder is in geschil of sprake is van een nieuw feit. 4Beoordeling van het geschil 4.1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan, zodat niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende te kwader trouw was. De Inspecteur is tegen die beslissing niet opgekomen. 4.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat voor de jaren 2009 en 2011 sprake is van een nieuw feit. De Rechtbank heeft de beroepen voor die jaren ongegrond verklaard. 4.3.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat nu belanghebbende in haar aangifte voor het jaar 2010 zowel bij de eigenwoningschuld als bij de rendementsgrondslag een schuld vermeldde van € 650.000, met de omschrijving ‘Hypotheek Rabo’ dan wel ‘Hypotheek’ en in beide gevallen hetzelfde rekeningnummer van haar privébankrekening vermeldde, de Inspecteur aan de juistheid van deze gegevens had moeten twijfelen en deze aan een nader onderzoek had moeten onderwerpen. Daaruit heeft de Rechtbank de conclusie getrokken dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan.

Vervolgens heeft de Rechtbank geoordeeld dat daarom geen sprake is van een nieuw feit. 4.4. De Inspecteur komt op tegen deze oordelen van de Rechtbank voor het jaar 2010. Hij stelt dat de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat belanghebbende twee hypothecaire schulden had aan de Rabobank, waarvan een was aangewend ten behoeve van de eigen woning en de andere niet. Hij wijst er in dit verband op dat de WOZ-waarde van de woning voor het jaar 2010 € 1.374.000 was. Pas in 2013 kwam de Inspecteur erachter dat beide vermeldingen betrekking hadden op dezelfde schuld, aldus de Inspecteur. 4.5.

In het incidentele hoger beroep betoogt belanghebbende dat de Inspecteur ook voor 2009 in redelijkheid behoorde te twijfelen aan de aangifte nu bij de eigenwoningschuld en bij de rendementsgrondslag een exact even hoge schuld was vermeld. Daarom had de Inspecteur daarnaar een nader onderzoek moeten instellen en daarbij zou zijn gebleken dat sprake was van één schuld die ten onrechte ook was vermeld bij de rendementsgrondslag. 4.6. Het Hof overweegt het volgende, dat zowel betrekking heeft op het hoger beroep van de Inspecteur als op het incidentele hoger beroep van belanghebbende. 4.7.

Bij de beoordeling van de vraag of een inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan, komt het er in een geval als het onderhavige op aan of die inspecteur, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (vgl. HR 12 maart 2010, nr. 08/04868, ECLI:NL:HR:2010:BL7165;

HR 16 april 2010, nr. 08/05088, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082, en HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). 4.8. Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangiften van belanghebbende juist waren. Niet uitgesloten is dat belanghebbende twee door hypothecaire zekerheid verzekerde schulden bij de Rabobank had dan wel dat sprake was van een lening van € 1.300.000 die gedeeltelijk voor de eigen woning was aangewend. Dat deze schuld of die schulden samen de WOZ-waarde benaderde(n), maakt dat nog niet onwaarschijnlijk, nu de waarde van onroerende zaken pleegt te veranderen en de WOZ-waarde dus lager kan zijn dan de waarde ten tijde van de verstrekking van de lening.

Ook is mogelijk dat sprake was van andere zekerheden of dat de bank om andere redenen bereid was een in verhouding tot de waarde van de woning hoge lening te verstrekken. Daaraan doet niet af dat in de aangifte over het jaar 2010 bij beide vermeldingen ook het nummer van de privébankrekening van belanghebbende was vermeld. Ook daarvoor geldt dat de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat sprake was van twee leningen met als tegenrekening dezelfde privébankrekening. Naar het oordeel van het Hof is derhalve sprake van een ‘nieuw feit’.

De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd. 4.9. Belanghebbende stelt nog dat haar aangifte over het jaar 2011 al eerder is gecontroleerd, dat daarover is gecorrespondeerd en dat zij daaraan het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat de wijze waarop zij haar aangiften invulde juist was. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat die controle en correspondentie slechts betrekking hadden op de verrekening van dividendbelasting en niet op de hypotheekschuld. Aan de enkele omstandigheid dat over een bepaald onderdeel van de aangifte is gecorrespondeerd, in dit geval de verrekening van dividendbelasting, kan belanghebbende niet het vertrouwen ontlenen dat de Inspecteur ook de andere onderdelen van de aangifte heeft gecontroleerd en akkoord bevonden.

Deze grief faalt daarom. 4.10. Het hoger beroep van de Inspecteur is derhalve gegrond. Het Hof zal het beroep bij de Rechtbank inzake het jaar 2010 ongegrond verklaren. Het incidentele hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. 4.11. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Ook ten aanzien van het verzamelinkomen en de heffingsrente zijn de beroepen tegen de uitspraken van de Inspecteur ongegrond.

5Griffierecht en proceskosten

De griffier van het Hof heeft van belanghebbende ten onrechte griffierecht geheven in verband met de indiening van het incidentele hoger beroep. Het Hof zal de griffier gelasten dit griffierecht terug te betalen. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof: – vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, – verklaart de tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroepen ongegrond, en – gelast de griffier het van belanghebbende in verband met de indiening van het incidentele hoger beroep geheven griffierecht van € 124 terug te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. A. van Dongen en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is op 28 februari 2017 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter (J.W.J. de Kort) (J. van de Merwe) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 maart 2017 Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.