Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2017:11536 ECLI:NL:GHARL:2017:11536 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2017:11536 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2017:11536
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

pkn: 21-001424-17 - 07 Het gerechtshof heeft te beslissen op een verzoek, vervat in een verzoekschrift van 12 december 2017, ingekomen ter griffie van het hof op 13 december 2017, namens de verdachte, [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, verblijvende in het huis van bewaring te Arnhem, tot schorsing van het tegen die verdachte rechtens gegeven en nog van kracht zijnde bevel tot voortduren van de voorlopige hechtenis. Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam, in raadkamer van heden.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:GHARL:2017:11536 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: OVERWEGINGEN: De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft verdachte op 3 maart 2017 veroordeeld ter zake van parketnummer 05-880065-15, onder meer 1 primair) afpersing in vereniging, 3 primair) medeplegen van oplichting, 5) mensenhandel in vereniging, meermalen gepleegd, 6) medeplegen van gewoontewitwassen en 7) deelnemen aan een criminele organisatie, tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 jaren met aftrek. Verdachte en het openbaar ministerie zijn tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het hof constateert dat met dat vonnis thans sprake is van een rechterlijk oordeel in de zin van artikel 5, eerste lid onder a, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

pkn: 21-001424-17 - 07 Het gerechtshof heeft te beslissen op een verzoek, vervat in een verzoekschrift van 12 december 2017, ingekomen ter griffie van het hof op 13 december 2017, namens de verdachte, [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, verblijvende in het huis van bewaring te Arnhem, tot schorsing van het tegen die verdachte rechtens gegeven en nog van kracht zijnde bevel tot voortduren van de voorlopige hechtenis. Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam, in raadkamer van heden.

OVERWEGINGEN: De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft verdachte op 3 maart 2017 veroordeeld ter zake van parketnummer 05-880065-15, onder meer 1 primair) afpersing in vereniging, 3 primair) medeplegen van oplichting, 5) mensenhandel in vereniging, meermalen gepleegd, 6) medeplegen van gewoontewitwassen en 7) deelnemen aan een criminele organisatie, tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 jaren met aftrek. Verdachte en het openbaar ministerie zijn tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het hof constateert dat met dat vonnis thans sprake is van een rechterlijk oordeel in de zin van artikel 5, eerste lid onder a, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

De raadsman heeft een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis gedaan. Gelet op voornoemd vonnis is het hof van oordeel dat bij afweging van alle betrokken belangen thans het maatschappelijk en strafvorderlijk belang bij voortzetting van de voorlopige hechtenis zwaarder moet wegen dan het persoonlijk belang van verdachte bij schorsing daarvan. Het hof heeft gelet op het bepaalde in artikel 80 e.v. van het Wetboek van Strafvordering. BESLISSING: Het hof wijst het verzoek af. Aldus gegeven op 20 december 2017 door mr. E.A.K.G. Ruys, voorzitter, mr.

B.F.A. van der Krabben en mr. A.W.M. Elders, raadsheren, in tegenwoordigheid van M. van Daalen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.