Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2017:11447 ECLI:NL:GHARL:2017:11447 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2017:11447 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2017:11447
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

WAHV 200.203.908 29 december 2017 CJIB 191609531 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 6 oktober 2016 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gemachtigde van de betrokkene het verzuim om de gronden in te dienen niet heeft hersteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:GHARL:2017:11447 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift heeft verzocht om te worden gehoord. Geen van de uitzonderingssituaties van artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doet zich hier voor. De officier van justitie heeft niettemin op het beroep beslist zonder de gemachtigde te horen. De hoorplicht is dus geschonden. Gelet daarop wordt de beslissing van de officier van justitie vernietigd. De overige bezwaren tegen die beslissing kunnen onbesproken blijven.

Keywords

AI generated
artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht
Geen van de uitzonderingssituaties van artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doet zich hier voor.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHARL:2017:11074
WAHV 200.183.085 15 december 2017 CJIB 186845863 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 4 december 2015 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:GHARL:2017:4167
WAHV 200.185.549 17 mei 2017 CJIB 167577584 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 november 2015 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats], voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde], [B.V. X], kantoorhoudende te [kantoorplaats]. Het tussenarrest van 21 november 2016 De inhoud van de tussenarresten van 21 november 2016 en 10 maart 2017 wordt hier overgenomen. Het verdere procesverloop Naar aanleiding van het tussenarrest van het hof van 10 maart 2017 heeft de advocaat-generaal aanvullende informatie aan het hof verstrekt. De advocaat-generaal heeft daarbij medegedeeld dat van mening is dat een nadere zitting van het hof achterwege kan blijven. De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk gereageerd op de door de advocaat-generaal verstrekte aanvullende informatie. De gemachtigde heef daarbij eveneens aangegeven dat een nadere zitting van het hof naar zijn mening achterwege kan blijven. Het hof zal de zaak verder afdoen op de stukken va het dossier. Beoordeling 1. In laatstgenoemd tussenarrest heeft het hof - zakelijk weergegeven - overwogen dat het zich onvoldoende voorgelicht acht met betrekking tot het in deze zaak gebruikte snelheidsmeetmiddel en de bij de foto van de gedraging vermelde gegevens van dat meetmiddel. Het hof acht daarbij van belang, welke betekenis eraan toekomt dat bovenaan de foto van de gedraging is vermeld: “71146/-----”. Door de gemachtigde van de betrokkene is betoogd, onder meer met verwijzing naar eerdere jurisprudentie van het hof, dat gezien deze vermelding niet uitgesloten kan worden dat ten tijde van onderhavige snelheidsmeting een andere meeteenheid op de camera is aangesloten geweest, dan de meeteenheid die gezamenlijk met de camera als set is geijkt door het NMi, blijkens de NMi-verklaring daaromtrent. In het verlengde daarvan acht het hof van belang - indien dat inderdaad niet kan worden uitgesloten - wat daarvan de betekenis is voor de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting. Tenslotte acht het hof van belang welke betekenis toekomt aan de gegevens die onderaan de foto van de gedraging zijn vermeld en die zijn te herleiden tot de NMi-verklaring in het dossier. Onduidelijk acht het hof of dié gegevens hier zijn vermeld, omdat ze rechtstreeks afkomstig zijn van de gebruikte meeteenheid, of omdat ze in de camera zijn voorgeprogrammeerd en er in dit geval mogelijk ook een andere meeteenheid kan zijn gebruikt. 2. Het hof heeft de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld met betrekking tot deze punten nadere informatie te (doen) verstrekken (door de verbalisant). De advocaat-generaal heeft daarop een proces-verbaal van aanvulling van de verbalisant, d.d. 30 maart 2017, in het geding gebracht. De verbalisant verklaart daarin, voor zover hier van belang: “Op 2 december 2012 omstreeks 11 uur 34 min, reed betrokkene met het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken] op de Ringbaan West in de gemeente Tilburg met een snelheid van 58 km per uur daar waar 50 km per uur is toegestaan. De overtreding werd vastgelegd door middel van een vaste digitale camera/meetunit gekeurd door het N.M.I. Deze meeteenheid is onafscheidelijk met elkaar verbonden en zowel de camera als de meeteenheid hebben een eigen serienummer. Als er een meetunit of camera vervangen wordt komt er ook een nieuwe N.M.I. verklaring met de juiste serienummers die dan van toepassing zijn.” 3. Het hof stelt vast dat deze aanvullende verklaring van de verbalisant geen helderheid schept met betrekking tot de door het hof in het tussenarrest gesignaleerde onduidelijkheden, die zijn toegespitst op een aantal concrete gegevens die uit het dossier blijken. Die gegevens zijn in het geheel niet toegelicht door de verbalisant, die heeft volstaan met een (zeer) algemene toelichting op de werking en ijking van een meetset. Ook de advocaat-generaal heeft kennelijk geen aanleiding gezien omtrent de door het hof gesignaleerde onduidelijkheden nog aanvullende informatie te verstrekken. Dit brengt mee dat de bij het hof gerezen onduidelijkheid niet is weggenomen. Gelet daarop kan het hof niet met de vereiste mate van zekerheid vaststellen dat deze snelheidsmeting is verricht met de meeteenheid waarop de NMi-verklaring omtrent de ijking betrekking heeft. Dat de meting is verricht met een geijkt snelheidsmeetmiddel, zoals het zaakoverzicht is vermeld, is derhalve onvoldoende komen vast te staan. 4. Het voorgaande brengt mee dat het dossier onvoldoende basis biedt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Het hof zal daarom, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie vernietigen, alsmede de inleidende beschikking waarbij de sanctie aan de betrokkene is opgelegd. 5. Het voorgaande geeft aanleiding voor toewijzing van het verzoek om vergoeding van proceskosten, bestaande uit de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft, voor zover nog van belang, de volgende proceshandelingen verricht die hier voor vergoeding in aanmerking komen: het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van een hoger beroepschrift, het verschijnen ter zitting van het hof van 24 februari 2017 en het indienen van een schriftelijke reactie op de door de advocaat-generaal verstrekte aanvullende informatie. Aan het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting dient (telkens) 1 punt te worden toegekend en aan het indienen van de schriftelijke reactie op de aanvullende informatie 0,5 punt. De waarde per punt bedraagt hier € 496,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1116,- (= 4,5 punten x € 496,- x 0,5). Beslissing Het gerechtshof: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 167577584 de administratieve sanctie is opgelegd; bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1116,-. Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

WAHV 200.203.908 29 december 2017 CJIB 191609531 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 6 oktober 2016 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gemachtigde van de betrokkene het verzuim om de gronden in te dienen niet heeft hersteld.

Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Op 10 oktober 2017 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

Bij brief van 27 november 2017 heeft de gemachtigde van de betrokkene zijn verzoek om een behandeling ter zitting ingetrokken. Beoordeling 1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,-. Ingevolge het tweede lid van die bepaling kan tevens hoger beroep worden ingesteld in geval de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet (tijdig) stellen van zekerheid.

2. De sanctie die aan de betrokkene is opgelegd bedraagt € 26,-. De situatie als bedoeld in het tweede lid van artikel 14, Wahv, doet zich hier niet voor. Tegen de beslissing van de kantonrechter staat daarom in beginsel geen hoger beroep open.

3. De gemachtigde bepleit doorbreking van het appelverbod. Hij verwijst naar een arrest van het hof van 8 november 2010, waarin is overwogen dat het toepassingsgebied van artikel 14, tweede lid, van de Wahv is verruimd, in die zin dat niet alleen hoger beroep mogelijk is wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet (tijdig) stellen van zekerheid, maar ook in andere gevallen van niet-ontvankelijkheid, waarin de kantonrechter (louter) op formele gronden niet tot een inhoudelijke beoordeling van de sanctie heeft kunnen komen. De gemachtigde stelt verder dat hij niet is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter.

4. Anders dan in het door de gemachtigde aangehaalde arrest van 8 november 2010, is het hof thans van oordeel dat de tekst van artikel 14 van de Wahv leidend is bij de beantwoording van de vraag of hoger beroep openstaat tegen de beslissing van de kantonrechter (vgl. het arrest van het hof van 15 december 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2017:11074). Gelet daarop is hoger beroep in Wahv-zaken slechts mogelijk in de hiervoor onder 1. genoemde situaties.

5. Wanneer zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging worden geschonden dat daardoor geen sprake meer is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en daarop een beroep wordt gedaan, rechtvaardigt dit de doorbreking van het appelverbod.Van schending van het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor kan sprake zijn indien een partij niet behoorlijk is opgeroepen om te worden gehoord en de rechter niettemin een beslissing in de zaak van die partij neemt.

6. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat de betrokkene en diens gemachtigde niet op de openbare zitting zijn verschenen. Bij de stukken bevindt zich een aan de gemachtigde geadresseerde brief d.d. 27 juli 2016, waarin de griffier van de rechtbank hem uitnodigt om op de zitting te verschijnen. Echter, niet blijkt dat deze brief daadwerkelijk ter post is aangeboden. De rechtbank beschikt niet over een deugdelijke verzendadministratie. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de gemachtigde niet op de juiste wijze is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Daarmee is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, wat doorbreking van het appelverbod rechtvaardigt.

7. Het voorgaande leidt tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. De overige bezwaren tegen die beslissing kunnen onbesproken blijven. De zaak is niet ter zitting van het hof behandeld, nu de gemachtigde van de betrokkene te kennen heeft gegeven dat niet meer nodig te vinden. Aan de orde is nu het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep.

8. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de officier van justitie hem ten onrechte niet heeft gehoord.

9. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift heeft verzocht om te worden gehoord. Geen van de uitzonderingssituaties van artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doet zich hier voor. De officier van justitie heeft niettemin op het beroep beslist zonder de gemachtigde te horen. De hoorplicht is dus geschonden. Gelet daarop wordt de beslissing van de officier van justitie vernietigd. De overige bezwaren tegen die beslissing kunnen onbesproken blijven.

10. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 26,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom met 4 km/u”, welke gedraging zou zijn verricht op 11 augustus 2015 om 17:31 uur op de Viaductweg (t.h.v. brandweerkazerne Willem Alexanderweg - Franciscus Romanusweg) te Maastricht met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

11. De gemachtigde betwist dat te hard is gereden. Op de plaats van de gedraging geldt een maximumsnelheid van 70 km/u , zo stelt de gemachtigde, onder verwijzing naar een door hem bijgevoegde foto.

12. In Wahv-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien door of namens de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden worden aangevoerd, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

13. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB kort gezegd in dat de verbalisant, op basis van een foto en meetgegevens afkomstig van een vaste flitspaal, waarin zich een geijkt en conform de voorschriften bediend snelheidsmeetmiddel bevindt, heeft geconstateerd dat de onder 10. genoemde snelheidsovertreding met het voertuig van de betrokkene is begaan. De verbalisant heeft verder verklaard dat ter plaatse een maximumsnelheid geldt van 50 kilometer per uur.

14. Door de gemachtigde is een foto overgelegd waarop (onder meer) een verkeersbord A1: ’70 km/u’ is te zien dat geplaatst is langs een als zodanig aangeduide autoweg.

15. Bij de stukken bevinden zich een tweetal foto’s van de vermeende gedraging. Daarop is het voertuig van de betrokkene vastgelegd ter hoogte van een kruising met verkeerslichten. Te zien is dat even verderop het door de gemachtigde bedoelde bord A1: ’70 km/u’ is geplaatst. Verkeersborden gelden vanaf de positie waar zij zijn geplaatst. Dat brengt mee dat de maximumsnelheid van 70 km/u eerst ingaat voorbij de kruising. Gelet daarop vormt hetgeen de gemachtigde aanvoert geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat ter plaatse een maximumsnelheid gold van 50 km/u.

16. De gemachtigde voert verder aan dat het fotofilmnummer in het zaakoverzicht niet op de foto’s terug te vinden is. Ook komen de zaaknummers op de foto’s en op het zaakoverzicht niet overeen. De gemachtigde voert tot slot nog aan dat uit een ijkrapport, waarover hij beschikt en dat hij heeft meegestuurd, slechts blijkt dat de digitale camera is geijkt. Ten aanzien van de meeteenheid blijkt dit niet. Er is niet na te gaan of het ijkrapport wel betrekking heeft op de gebruikte meeteenheid. Een identificatie-code of nummer is niet op de foto’s vermeld en ook niet in het ijkrapport. De gemachtigde verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar een arrest van het hof van 17 mei 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2017:4167).

17. Het hof stelt vast dat het fotobijschrift (onder meer) de volgende gegevens bevat:- datum : 11-08-2015- tijdstip overtreding : 17:31- kenteken : [00-YYY-0]- snelheid : 57 km/h- typegoedkeuringsnummer : TP8290- serienummer : 14-21-029-008 Het kenteken op de foto komt overeen met het kenteken in het fotobijschrift.

18. Het hof stelt vast dat de datum, het tijdstip, het kenteken en de gemeten snelheid die in het fotobijschrift zijn opgenomen alle overeenkomen met de informatie in het zaakoverzicht. Gelet daarop staat voldoende vast dat de foto’s en het zaakoverzicht betrekking hebben op de onderhavige gedraging.

19. Het hof stelt verder vast dat het door de gemachtigde overgelegde NMi-ijkrapport, dat is opgemaakt op 11 mei 2015 en één jaar geldig is, (onder meer) de volgende gegevens bevat:- typegoedkeuringsnummer : TP8290- digitale camera nummer : 1421029008 20. Het betoog van de gemachtigde geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat het snelheidsmeetmiddel ten tijde van de meting niet zou zijn geijkt. De camera en het meetmiddel zijn blijkens het NMi-rapport gezamenlijk (als set) geijkt. Deze apparaten zijn gekoppeld en bevinden zich in een vaste flitspaal. De gegevens op de foto en in het ijkrapport stemmen met elkaar overeen. Anders dan in de zaak waarnaar de gemachtigde verwijst, bevat het dossier in de onderhavige zaak geen tegenstrijdige of (schijnbaar) ontbrekende gegevens, die een aanwijzing zouden kunnen zijn dat de camera en het meetmiddel na de ijking zijn ontkoppeld of verwisseld. Het verweer faalt.

21. Nu het hof ook overigens geen aanleiding ziet om te betwijfelen dat van een juiste meting sprake is geweest, staat vast dat de gedraging is verricht. Daarvoor is terecht een sanctie opgelegd. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond.

22. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van een hoger beroepschrift en het indienen van een nadere toelichting.

Aan het indienen van een beroepschrift dient telkens één punt te worden toegekend en aan het indienen van een nadere toelichting een halve punt. De waarde per punt bedraagt € 496,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 620,- (= 2,5 x € 496,- x 0,5). Beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 620,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.