Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2017:10680 ECLI:NL:GHARL:2017:10680 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2017:10680 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2017:10680
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

WAHV 200.185.000 5 december 2017 CJIB 183399284 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 14 oktober 2015 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:22 van de Awb; ECLI:NL:GHARL:2017:10680 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Het beroep bij de kantonrechter richt zich tegen het niet nemen van een beslissing door de officier van justitie. Gelet op artikel 6:20, derde lid, Awb, wordt dit beroep geacht te zijn gericht tegen de vervolgens alsnog door de officier van justitie genomen beslissing. Artikel 4:19, eerste lid, van de Awb brengt mee dat dit beroep mede betrekking heeft op de verschuldigdheid en de hoogte van de vaststelling van de dwangsom, voor zover die wordt betwist.

Keywords

AI generated
artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 6:22 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht
Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn administratief beroepschrift niet heeft verzocht om te worden gehoord, zodat de officier van justitie er op grond van artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van kon afzien de gemachtigde te horen.
artikel 6:22 van de Awb
Dat dit is nagelaten, behoeft echter – gelet op artikel 6:22 van de Awb – niet tot vernietiging van diens beslissing te leiden, nu het hof aannemelijk acht dat de betrokkene door dit motiveringsgebrek niet is benadeeld (vgl.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHARL:2017:1044
WAHV 200.165.567 13 februari 2017 CJIB 181454002 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 18 december 2014 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats], voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde], kantoorhoudende te [kantoorplaats]. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.
ECLI:NL:GHARL:2016:10365
WAHV 200.154.462 22 december 2016 CJIB 161481194 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden locatie Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 26 juni 2014 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats] , voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] , kantoorhoudende te [plaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2014:1290
201302645/1/A3. Datum uitspraak: 16 april 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Bedum, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 februari 2013 in zaak nr. 12/869 in het geding tussen: [appellant] (lees: [appellant A]) en [appellant B] en de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. Procesverloop Bij besluit van 18 januari 2012 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat hij een dwangsom van € 550,00 aan [appellanten] is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een beschikking als bedoeld in artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

WAHV 200.185.000 5 december 2017 CJIB 183399284 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 14 oktober 2015 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Beoordeling 1. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom van het horen is afgezien. De kantonrechter had diens beslissing daarom moeten vernietigen.

2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn administratief beroepschrift niet heeft verzocht om te worden gehoord, zodat de officier van justitie er op grond van artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van kon afzien de gemachtigde te horen. De officier van justitie had op grond van artikel 7:26, eerste lid, van de Awb moeten aangeven waarom van het horen is afgezien. Dat dit is nagelaten, behoeft echter – gelet op artikel 6:22 van de Awb – niet tot vernietiging van diens beslissing te leiden, nu het hof aannemelijk acht dat de betrokkene door dit motiveringsgebrek niet is benadeeld (vgl. het arrest van het hof van 13 februari 2017, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2017:1044).

3. De gemachtigde betoogt dat de officier van justitie heeft beslist op het administratief beroep zonder eerst de gemachtigde gelegenheid te bieden beroepsgronden aan te voeren.

4. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift geen gronden heeft aangevoerd, en evenmin heeft verzocht om een termijn daarvoor. Bij beslissing van 3 maart 2015 is het administratief beroep ongegrond verklaard.

5. Het is vaste rechtspraak van het hof dat bij het ontbreken van beroepsgronden slechts een termijn voor het indienen daarvan behoeft te worden gegeven wanneer uit het beroepschrift uitdrukkelijk en zonder voorbehoud blijkt van de wens daartoe (vgl. het arrest van het hof van 22 december 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:10365). Nu de gemachtigde niet heeft verzocht om een termijn voor het indienen van gronden, heeft de officier van justitie het beroep ongegrond kunnen verklaren zonder de gemachtigde eerst de gelegenheid te bieden gronden in te dienen.

6. Overigens stelt het hof vast dat zich bij de stukken een brief van de officier van justitie d.d. 17 februari 2015 bevindt, waarin de gemachtigde de gelegenheid wordt geboden om binnen vier weken beroepsgronden in te dienen. Bij brief van 17 maart 2015 heeft de gemachtigde de ontvangst van die brief bevestigd, zodat zijn verweer op dit punt niet alleen juridisch niet slaagt, maar ook feitelijke grondslag mist.

7. De gemachtigde stelt verder dat de kantonrechter ten onrechte niet de door de officier van justitie verschuldigde dwangsom heeft vastgesteld.

8. Het beroep bij de kantonrechter richt zich tegen het niet nemen van een beslissing door de officier van justitie. Gelet op artikel 6:20, derde lid, Awb, wordt dit beroep geacht te zijn gericht tegen de vervolgens alsnog door de officier van justitie genomen beslissing. Artikel 4:19, eerste lid, van de Awb brengt mee dat dit beroep mede betrekking heeft op de verschuldigdheid en de hoogte van de vaststelling van de dwangsom, voor zover die wordt betwist.

9. De gemachtigde heeft in de procedure bij de kantonrechter geen verweer gevoerd ten aanzien van het niet vaststellen van een dwangsom door de officier van justitie. Het kennelijke oordeel van de officier van justitie dat geen dwangsom was verschuldigd, is dus in de procedure bij de kantonrechter niet betwist. Gelet daarop was de kantonrechter niet gehouden een dwangsom vast te stellen.

10. De gemachtigde verzoekt het hof alsnog vast te stellen dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd aan de betrokkene.

11. Hiervoor is reeds gewezen op artikel 4:19, eerste lid, Awb. Uit die bepaling volgt dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie alleen dan mede betrekking heeft op de hoogte (dan wel de verschuldigdheid) van een dwangsom, wanneer die wordt betwist. De gemachtigde heeft omtrent de verschuldigdheid van de dwangsom bij de kantonrechter niets aangevoerd. Het beroep is dus beperkt tot de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Artikel 4:19, eerste lid, Awb is daarom niet van toepassing. Dat brengt mee dat de verschuldigdheid van een dwangsom geen onderwerp van geschil is geworden zodat die in hoger beroep niet meer kan worden getoetst (vgl. ABRvS, 16 april 2014, r.o. 6, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2014:1290).

12. Ten aanzien van de opgelegde sanctie wordt ongemotiveerd betwist dat de gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd, is verricht. Het is vaste rechtspraak dat een enkele ontkenning van de gedraging niet leidt tot twijfel aan de verklaring van de verbalisant, zodat vaststaat dat de gedraging is verricht.

13. Nu geen van de bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter slaagt, zal die beslissing worden bevestigd.

14. Voor de verzochte proceskostenvergoeding is geen aanleiding, nu de bezwaren van de gemachtigde niet leiden tot het vernietigen van enige beslissing. Beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af. Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.