Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2016:3429 ECLI:NL:GHARL:2016:3429 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2016:3429 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2016:3429
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde sub 1] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats], advocaat: mr. P. Oskam, en 2. de rechtspersoon naar publiekrecht Gemeente Tiel, zetelend te Tiel, advocaat: mr. L. van den Ham - Leerkes, geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden. Geïntimeerde sub 1 zal hierna [geïntimeerde sub 1] worden genoemd en geïntimeerde sub 2 Gemeente Tiel.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 6:181 BW, artikel 6:74 BW, artikel 6:174 BW, artikel 6:89 BW, artikel 6:163 BW; ECLI:NL:GHARL:2016:3429 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Indien partijen niet slagen in een gezamenlijke voordracht, verzoekt het hof hen in hun tevoren over en weer aan elkaar toe te zenden akten in te gaan op de door de wederpartij voor te dragen personen en op eventuele bezwaren tegen benoeming van bepaalde personen. 5.7 Ter comparitie zal tevens met partijen van gedachten worden gewisseld over de vraag in hoeverre de omstandigheden van het onderhavige geding aanleiding geven om niet de hoofdregel van artikel 195 Rv te volgen, maar [geïntimeerde sub 1] met de betaling van het voorschot te belasten.

Keywords

AI generated
artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek artikel 6:181 BW artikel 6:74 BW artikel 6:174 BW artikel 6:89 BW artikel 6:163 BW

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek
artikel 6:181 BW
artikel 6:74 BW
artikel 6:174 BW
Daartoe heeft zij de inhoud van de deelgeschilbeschikking, welke inhoud uitsluitend ten aanzien van Gemeente Tiel gold, gehandhaafd voor zover het gaat om het beroep van [appellant] op artikel 6:174 BW en heeft zij wederom geoordeeld dat van onrechtmatig handelen van Gemeente Tiel niet is gebleken.
artikel 6:89 BW
5.2 Volgens Gemeente Tiel (zie § 32 van haar memorie van antwoord) kan [appellant] haar niet meer aanspreken tot vergoeding van de schade nu hij zijn klachtplicht ex artikel 6:89 BW niet is nagekomen.
artikel 6:163 BW
artikel 195 Rv
5.7 Ter comparitie zal tevens met partijen van gedachten worden gewisseld over de vraag in hoeverre de omstandigheden van het onderhavige geding aanleiding geven om niet de hoofdregel van artikel 195 Rv te volgen, maar [geïntimeerde sub 1] met de betaling van het voorschot te belasten.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1965:AB7079
dat hij, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, tegelijkertijd met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; dat het voor hem niet mogelijk was door de zich ter plaatse bevindende coca-colakistjes aan de rechterzijde te passeren, omdat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, en dat de kistjes en de zich aldaar bevindende personen bovendien het zicht op het keldergat hebben ontnomen; (3a) ‘’dat – wat het probandum sub 1 betreft – het Hof bewezen acht, dat Duchateau, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, (3b) dat immers uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom blijkt, dat het voor Duchateau niet mogelijk is geweest, om rechts achter de coca-colakistjes om te lopen, daar reeds de van het luik af naar voren geschoven stoelen en de daaronder geschoven opgerolde mat dit beletten; (4) ‘’dat – wat dit deel van het probandum betreft – het Hof niet bewezen acht, dat Duchateau daarop met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; (5) ‘’dat het Hof echter niet van overwegend belang acht, wat Duchateau in de laatste ogenblikken vóór zijn val na het passeren van de kistjes heeft gedaan, nu door de wederpartij niet is bestreden, dat hij per ongeluk in het kelderruim is gevallen en niet als gevolg van een gewaagde poging, om over het kelderruim heen toch in het herentoilet te komen; (6) ‘’wat het tweede deel van het probandum betreft: (6a) dat niet is bewezen, dat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, (6b) dat integendeel dit volgens de verklaring van getuige Sjouwerman niet het geval was, terwijl getuige Boom deze verklaring heeft bevestigd met zijn verklaring, dat volgens zijn herinnering aan dit tafeltje geen mensen zaten, (6c) dat daarmede allereerst een der redenen is komen te vervallen, waarom Duchateau volgens zijn posita niet rechts van de kistjes kon passeren, doch dat dit niet meer van belang is, nu is gebleken, dat hij dit uit anderen hoofde niet kon doen, (6d) dat verder echter door dit niet-bewezen zijn niet is gebleken, dat voormeld aanwezig zijn van mensen voor Duchateau het zicht op het keldergat heeft ontnomen, (6e) dat hiermede van de door Duchateau gestelde en in het probandum overgenomen redenen, waarom hij het keldergat niet heeft kunnen waarnemen, alleen de aanwezigheid der op elkaar gestapelde coca-colakistjes overblijft, (6f) dat echter, zoals de door de politie na het ongeval gemaakte en in het geding gebrachte foto’s duidelijk uitwijzen, de omvang van deze coca-colakistjes niet zodanig was, dat daarmede het gat geheel onzichtbaar werd gemaakt, terwijl voorts – naar uit die foto’s blijkt – het openstaande luik duidelijk boven de kistjes zichtbaar moet zijn geweest; (7) ‘’dat hieruit volgt, dat Duchateau niet op de omgeving van het herentoilet heeft gelet, toen hij daarbij was gekomen, en het nu de vraag is, of er reden voor hem bestond, om dit te doen; (8a) ‘’dat – al neemt men aan, dat Duchateau vóór het ongeval het openstaande luik niet heeft opgemerkt, gelijk hij beweert, doch de wederpartij betwist – toch voor Duchateau reden bestond bij het naderen van het toilet om zich heen te zien, alvorens verder te gaan, (8b) dat de deur van het herentoilet, naar Coca-Cola heeft gesteld, getuige Sjouwerman heeft verklaard en op de overgelegde situatiefoto’s is te zien, ingevolge de stand van de meergenoemde kistjes slechts gedeeltelijk open kon, (8c) dat dit feit, hetwelk Duchateau niet kan zijn ontgaan, hem zeker tot een opnemen van de omgeving had moeten brengen, zo hem de vreemde plaats van de kistjes daar – gedeeltelijk op het pad – al niet een waarschuwing had moeten zijn, om op die omgeving te letten; (9) ‘’dat, indien hij dit had gedaan, hem het zich daar ter plaatse bevindende keldergat niet had kunnen ontgaan, hetwelk naar uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom moet worden afgeleid, voldoende verlicht was; (10) ‘’dat hieruit volgt, dat hij schuld aan het ongeval heeft, en het thans nog slechts de vraag is, of hier van alle schuld, gelijk de Rechtbank heeft aangenomen, dan wel slechts van medeschuld aan zijn zijde sprake is; (11a) ‘’dat volgens de verklaring van de toenmalige eigenaar van de zaak, getuige Boom, deze in geval hij het luik moest openen, het keldergat barricadeerde met stoelen, (11b) dat getuige Sjouwerman ook gemakkelijk dit gat op deze wijze had kunnen barricaderen, (11c) dat hij dit niet heeft gedaan, maar zich volgens zijn eigen verklaring en die van getuige Boom bepaald heeft tot een opstapelen van de kistjes met lege flessen naast het keldergat, zonder de toegang tot de toiletten geheel af te sluiten; (11d) dat Sjouwerman er rekening mede had behoren te houden, dat bezoekers aan de toegang tot het toilet wellicht niet hun volledige aandacht zouden besteden, (11e) dat, gelet op de eenvoudige middelen, waarmede Sjouwerman – als voormeld – de toegang tot het keldergat afdoende had kunnen barricaderen, zo hij meende zich vandaar te moeten verwijderen, ook hem schuld aan het ongeval treft; (12) ‘’dat het Hof, de schuld van Duchateau en die van Sjouwerman tegen elkaar afwegende, van oordeel is, dat ieder van hen voor de helft aansprakelijk is voor het ongeval; (13) ‘’dat derhalve de door Duchateau aangevoerde grief gedeeltelijk is gegrond en Coca-Cola voor de helft van de door het ongeval geleden schade aansprakelijk is te stellen;’’ Overwegende dat Coca-Cola ’s Hofs arrest bestrijdt met het volgende middel van cassatie:

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.153.590 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 248818) arrest van 26 april 2016 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats], appellant in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant], advocaat: mr. C.C.J. de Koning, tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde sub 1] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats], advocaat: mr. P. Oskam, en 2. de rechtspersoon naar publiekrecht Gemeente Tiel, zetelend te Tiel, advocaat: mr. L. van den Ham - Leerkes, geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden. Geïntimeerde sub 1 zal hierna [geïntimeerde sub 1] worden genoemd en geïntimeerde sub 2 Gemeente Tiel.

1Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de tussen [appellant] en Gemeente Tiel gegeven beschikking van 28 maart 2013 de “deelgeschilbeschikking” en de inhoud van de tussen [appellant], [geïntimeerde sub 1] en Gemeente Tiel gewezen vonnissen van 20 november 2013 (vrijwaring), 29 januari 2014 het “comparitievonnis” en 28 mei 2014 het “eindvonnis” van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep d.d. 28 juli 2014, de memorie van grieven, met productie, de memorie van antwoord van [geïntimeerde sub 1], de memorie van antwoord van Gemeente Tiel, met producties. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten: 3.1 Gemeente Tiel is eigenaar van de sporthal De Betuwe in Tiel, hierna: de sporthal. [geïntimeerde sub 1] is, in elk geval sinds 2007, (onder)huurder en exploitant van de sporthal. 3.2 Een vriend van [appellant] heeft op 30 oktober 2009 van 21.30 uur tot 22.30 uur de sporthal gehuurd voor een zaalvoetbalwedstrijd, waaraan onder anderen [appellant] als speler deelnam. Tijdens deze wedstrijd is [appellant] aan de zijde van één van de doelen tegen de muur van de zaal aangelopen (“het ongeval”) en heeft hij letsel opgelopen aan zijn rechterelleboog. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 [appellant] heeft in eerste aanleg verzocht om bij beschikking in deelgeschil te bepalen dat Gemeente Tiel jegens hem aansprakelijk is ter zake van de door hem bij het ongeval opgelopen letselschade en om Gemeente Tiel te veroordelen om een voorschot van € 10.000 aan hem te betalen.

Hiertoe heeft hij gesteld dat de uitloopruimte rondom het speelveld van één meter gevaarlijk klein was, dit in strijd met KNVB-voorschriften. Nadat Gemeente Tiel verweer had gevoerd tegen het verzochte, heeft de rechtbank de verzoeken van [appellant] bij beschikking van 28 maart 2013 afgewezen. Hiertoe heeft zij onder meer overwogen dat, indien de sporthal (zoals bedoeld in artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek - BW) niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, het bepaalde in artikel 6:181 BW aan de aansprakelijkheid van Gemeente Tiel in de weg staat doordat [geïntimeerde sub 1] de hal exploiteerde, en dat Gemeente Tiel evenmin aansprakelijk is ex artikel 6:74 BW bij gebreke van een huurovereenkomst tussen [appellant] en Gemeente Tiel, terwijl ook al niet gebleken is dat Gemeente Tiel verantwoordelijk is voor belijning op en de gaten in de vloer van de sporthal, zodat er geen sprake was van onrechtmatig handelen van Gemeente Tiel. 4.2 [appellant] heeft vervolgens bij inleidende dagvaarding in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank voor recht zou verklaren dat [geïntimeerde sub 1] en Gemeente Tiel hoofdelijk jegens hem aansprakelijk zijn, [geïntimeerde sub 1] en Gemeente Tiel zou veroordelen tot betaling van een bij staat op te maken schadevergoeding, alsmede tot betaling van twee voorschotten daarop van elk € 15.000, te weten ter zake van door hem geleden immateriële respectievelijk materiële schade, een en ander met rente en proceskosten (waaronder de kosten van de deelgeschilprocedure). [geïntimeerde sub 1] en Gemeente Tiel hebben verweer gevoerd. 4.3 De rechtbank heeft de vorderingen bij het eindvonnis afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

Daartoe heeft zij de inhoud van de deelgeschilbeschikking, welke inhoud uitsluitend ten aanzien van Gemeente Tiel gold, gehandhaafd voor zover het gaat om het beroep van [appellant] op artikel 6:174 BW en heeft zij wederom geoordeeld dat van onrechtmatig handelen van Gemeente Tiel niet is gebleken. Met betrekking tot de vordering tegen [geïntimeerde sub 1] was er volgens de rechtbank geen sprake van wanprestatie nu [geïntimeerde sub 1] en [appellant] geen contractspartijen van elkaar waren, gold er geen norm die (ter voorkoming van ongevallen) een uitloopruimte van meer dan een meter voorschrijft en heeft [appellant] niet onderbouwd dat [geïntimeerde sub 1] veiligheidsmaatregelen had behoren te treffen of dat de sporthal gebrekkig was. [appellant] had (in zijn spelgedrag) rekening moeten houden met de bestaande breedte van de uitloopruimte en hij heeft niet onderbouwd dat een uitloopruimte van twee meter het ongeval had voorkomen, aldus nog steeds het bestreden vonnis. 5De beoordeling van de grieven en de vordering 5.1 Tegen het comparitievonnis staat op grond van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen hogere voorziening open, zodat het hof [appellant] bij later arrest in zijn hoger beroep tegen dat tussenvonnis niet-ontvankelijk zal verklaren. 5.2 Volgens Gemeente Tiel (zie § 32 van haar memorie van antwoord) kan [appellant] haar niet meer aanspreken tot vergoeding van de schade nu hij zijn klachtplicht ex artikel 6:89 BW niet is nagekomen. [appellant] wist namelijk op 30 oktober 2009 van het ongeval en het letsel dat hij daarbij had opgelopen, maar heeft tot 10 mei 2012 gewacht voordat hij Gemeente Tiel aansprakelijk stelde, waarmee hij voor het eerst zijn klacht heeft geuit, aldus Gemeente Tiel.

Omdat [appellant] hierop nog niet heeft kunnen reageren, zal het hof [appellant] in staat stellen die reactie te geven, voordat het beroep op de klachtplicht van artikel 6:89 BW nader zal worden beoordeeld. 5.3 Mede gelet op de rechtsregel van de reeds door partijen aangehaalde arresten HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik), en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR: 2013:47 (Bon Futuro), zal het hof beoordelen in hoeverre in het licht van de omstandigheden van het onderhavige geval [geïntimeerde sub 1] en/of Gemeente Tiel, door de aanleg in de sporthal van een zaalvoetbalveld van 40 x 20 meter en de instandhouding daarvan, een situatie in het leven hebben geroepen of hebben laten voortbestaan die voor anderen, en met name voor deelnemers aan een zaalvoetbalwedstrijd, bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk was, in hoeverre zij rekening hadden moeten houden met de mogelijkheid dat de bedoelde oplettendheid en voorzichtigheid niet in acht zouden worden genomen, en of zij met het oog daarop veiligheidsmaatregelen hadden moeten nemen, zoals door [appellant] aangedragen, zoals door te besluiten om het veld te verkleinen tot 38 x 18 meter en/of door de muren te laten bekleden, in elk geval de muren aan de zijden van het veld waar de doelen staan, tijdens het gebruik van de zaal voor vriendschappelijke (zaalvoetbal) wedstrijden. 5.4 Voor zover zal blijken dat [geïntimeerde sub 1] en/of Gemeente Tiel in de naleving van de hierboven bedoelde zorgplichten tekort zijn geschoten, blijkt in beginsel dat zij aldus (ook) jegens [appellant] onrechtmatig hebben gehandeld.

Het gaat daarbij immers om de van hen te verlangen inspanningen ter vermindering van de kans op letsel bij de (zaalvoetbal)spelers die van de sporthal gebruik maken, zoals [appellant], zodat de in dat geval geschonden norm strekt tot bescherming tegen schade zoals beweerdelijk door [appellant] is geleden, een en ander in de zin van artikel 6:163 BW. In dat geval zal nog wel onderzocht moeten worden of het ongeval ook zou hebben plaatsgevonden indien de geschonden zorgplichten wel behoorlijk zouden zijn nageleefd (dat is de vraag naar het oorzakelijk verband). 5.5 Het hof heeft behoefte aan deskundige voorlichting over de vraag in welke mate het gevaar zich voordoet, dat spelers tijdens een zaalvoetbalwedstrijd (buiten competitieverband) op zodanige wijze tegen de muren achter de doelen aankomen dat zij daardoor letsel oplopen, doordat er aan de zijde van de doelen uitloopstroken van niet meer dan een meter lagen en/of doordat de steenmuren niet waren bekleed en/of doordat er klimrekken op/aan die muren waren bevestigd.

Het feit dat [appellant] niet in aanraking met de klimrekken is gekomen, neemt immers niet weg dat de aanwezigheid daarvan aan het ongeval en/of de toedracht daarvan kan hebben bijgedragen. In dit verband valt voorts te denken aan onderzoek naar de vraag in hoeverre dergelijke ongevallen vaker voorkomen tijdens wedstrijden in verenigings- en/of competitieverband dan daarbuiten. Voorts heeft het hof behoefte aan deskundige voorlichting over de vraag hoe waarschijnlijk het is dat het onderhavige ongeval niet zou zijn gebeurd indien de uitloopstroken breder dan een meter zouden zijn geweest. 5.6 Het hof heeft zich dan ook voorgenomen om een deskundige te benoemen.

Het zal partijen de gelegenheid geven om zich voorafgaand aan een comparitie van partijen uit te laten over de te benoemen persoon van de deskundige, de voorwaarden waaronder de opdracht zou moeten of kunnen worden gegund en de inhoud van de opdracht. Het hof nodigt partijen uit om voordien in onderling overleg de te benoemen deskundige(n) aan te wijzen uitgebreide ervaring van de deskundige met de analyse van sportongevallen bij zaalvoetbal, of in elk geval bij zaalsporten in het algemeen lijkt van belang en om de vraagstelling te formuleren. Elk van de partijen zal daartoe ter comparitie een akte kunnen nemen.

Indien partijen niet slagen in een gezamenlijke voordracht, verzoekt het hof hen in hun tevoren over en weer aan elkaar toe te zenden akten in te gaan op de door de wederpartij voor te dragen personen en op eventuele bezwaren tegen benoeming van bepaalde personen. 5.7 Ter comparitie zal tevens met partijen van gedachten worden gewisseld over de vraag in hoeverre de omstandigheden van het onderhavige geding aanleiding geven om niet de hoofdregel van artikel 195 Rv te volgen, maar [geïntimeerde sub 1] met de betaling van het voorschot te belasten.

De organisatie waarvan [geïntimeerde sub 1] deel uitmaakt exploiteert immers niet alleen de onderhavige hal, maar ook ongeveer 300 andere sportaccommodaties in Nederland, zodat die organisatie gebaat is bij een veiligheidsonderzoek zoals voorgenomen, te meer nu gegevens over ongevallen als het onderhavige haar niet bekend zijn. 6De slotsom 6.1 Het hof zal een comparitie van partijen gelasten, waar elk van de drie partijen een akte kan nemen, die tevoren aan het hof en aan de andere twee partijen dient te worden toegezonden. 6.2 Voor [appellant] gaat het bij de akte om hetgeen in de rechtsoverwegingen 5.2 (klachtplicht) en 5.6 (deskundigenbenoeming) staat beschreven, terwijl het hof hem uitnodigt om tevens de voorschriften over te leggen die de KNVB op 30 oktober 2009 hanteerde voor hun zaalvoetbalwedstrijden. 6.3 [geïntimeerde sub 1] en Gemeente Tiel worden uitgenodigd in te gaan op rechtsoverweging 5.6 (deskundigenbenoeming). 6.4 Ter comparitie zal gesproken worden over de onderwerpen van de rechtsoverwegingen 5.2, 5.6 en 5.7, terwijl daarbij tevens onderzocht kan worden of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. 6.5 Verdere beslissingen, waaronder de niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in zijn hoger beroep tegen het comparitievonnis, zullen bij een later arrest volgen.

7De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep, alvorens nader te beslissen: bepaalt dat partijen, [appellant] in persoon en [geïntimeerde sub 1] en Gemeente Tiel elk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking, samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H.E. de Boer, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als onder 6 vermeld en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden; bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden juni 2016 tot en met oktober 2016 zullen opgeven op de roldatum 10 mei 2016, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld; bepaalt dat partijen de aktes met betrekking tot hetgeen in rechtsoverweging 5.2 en 5.6 is bedoeld uiterlijk vier weken vóór de comparitie in concept aan elkaar kunnen toesturen en dat zij ervoor dienen te zorgen dat het hof en de wederpartijen die aktes, aangevuld met een reactie inzake het onderwerp van rechtsoverweging 5.6, uiterlijk veertien dagen vóór de comparitie van partijen in afschrift hebben ontvangen; bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartijen uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, A.A. van Rossum en S.B. Boorsma en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 april 2016.