Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2016:2714 ECLI:NL:GHARL:2016:2714 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2016:2714 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2016:2714
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.155.473/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/134863 / KG ZA 14-163) arrest van 5 april 2016 in de zaak van Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA), gevestigd te Rijswijk, appellante, in eerste aanleg: eiseres in conventie, tevens verweerder in reconventie; hierna: COA advocaat: mr. W.H.J. Semeijn, kantoorhoudend te Zwolle, tegen 1 [geïntimeerde] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen: [kind] [kind] [kind] [kind] [kind] allen wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden, tevens verzoeker in reconventie hierna te noemen: [geïntimeerde] dan wel [geïntimeerden] advocaat: mr.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:GHARL:2016:2714 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Hoewel de aangeboden woning [adres] als passend moet worden aangemerkt, was [geïntimeerde] zich onvoldoende bewust van de consequenties toen hij de woning weigerde, onder meer omdat er geen tolk bij het woningweigeringsgesprek was. Bovendien werd [geïntimeerde] zo in beslag genomen door de brandwonden van zijn dochter [kind] dat hij zich onvoldoende rekenschap heeft kunnen geven van de consequenties van een woningweigering. De voorzieningenrechter heeft vervolgens geoordeeld dat geen sprake was van een woningweigering in de door COA bedoelde zin.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1993:ZC0927
Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie - verder te noemen [eiser] - heeft bij exploit van 10 september 1990 verweerder in cassatie - verder te noemen de Staat - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage, zitting houdende te Zwolle, en gevorderd de Staat te verbieden [eiser] uit Nederland te (doen) verwijderen, totdat in beroep is beslist op zijn aanvraag om toelating als vluchteling c.q. verlening van een vergunning tot verblijf. Nadat de Staat had geconcludeerd tot weigering van de gevraagde voorziening, heeft de President bij vonnis van 19 november 1990 de Staat veroordeeld om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van [eiser], c.q. van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, zulks zolang op het namens [eiser] ingediende herzieningsonderzoek nog niet zal zijn beslist.
ECLI:NL:HR:2000:AA6341
Het geding in feitelijke instanties [De man] - heeft bij exploit van 23 oktober 1996 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Assen en gevorderd de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man binnen acht dagen na betekening van het vonnis van een bedrag van ƒ 57.077,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 augustus 1993. De vrouw heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd de man te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van ƒ 36.749,-- met de wettelijke rente daarover vanaf 6 november 1996.
ECLI:NL:HR:2002:AE3437
Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: Scaramea - heeft bij exploit van 13 oktober 1999 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Telfort - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd Telfort te bevelen haar onvoorwaardelijke toezegging aan Scaramea de interconnectie-capaciteit ter grootte van 5000 poorten ter beschikking te stellen en de daaraan gerelateerde diensten aan Scaramea marktconform en volgens de overeengekomen service levels naar behoren te leveren, na te komen conform het aan de inleidende dagvaarding gehechte schema, alsmede al datgene te doen wat nodig is om Scaramea in staat te stellen de door haar elders ingekochte interconnectie-capaciteit zoveel als technisch mogelijk ingepast in het door Telfort voor Scaramea ontworpen concept te benutten, zulks inclusief het gebruik van het door Telfort aan Scaramea toegewezen inbelnummer, alles op straffe van een dwangsom van ƒ 5 miljoen voor elke dag of gedeelte daarvan dat Telfort geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.155.473/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/134863 / KG ZA 14-163) arrest van 5 april 2016 in de zaak van Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA), gevestigd te Rijswijk, appellante, in eerste aanleg: eiseres in conventie, tevens verweerder in reconventie; hierna: COA advocaat: mr. W.H.J. Semeijn, kantoorhoudend te Zwolle, tegen 1 [geïntimeerde] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen: [kind] [kind] [kind] [kind] [kind] allen wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden, tevens verzoeker in reconventie hierna te noemen: [geïntimeerde] dan wel [geïntimeerden] advocaat: mr.

K.J. Meijer, kantoorhoudend te [plaats] . 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 15 december 2015 hier over. 1.2 Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 17 februari 2016 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. 1.3 Daarna is de zaak naar de rol van 23 februari 2016 verwezen teneinde arrest te vragen 1.4 Vervolgens heeft uitsluitend COA de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald. 2Ten aanzien van de feiten 2.1 [geïntimeerde] is afkomstig uit [land] .

Aan hem is bij beschikking van 1 maart 2014 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onder a, Vreemdelingenwet 2000 verleend, met ingang van 11 februari 2014. 2.2 Hij verbleef op dat moment met zijn kinderen in het Asielzoekerscentrum (AZC) te [plaats] . Zijn echtgenote verbleef in [woonplaats] . 2.3 COA heeft bemiddeld een woning voor hem en zijn kinderen, hetgeen heeft geleid tot het aanbod van de woning [adres] te [woonplaats] bij brief van 11 maart 2014. 2.4 [geïntimeerde] heeft deze woning niet bezichtigd.

Dochter [kind] heeft op 11 maart tweede en derdegraads brandwonden opgelopen aan haar benen waarvoor zij op 21 maart 2014 een operatie heeft moten ondergaan. 2.5 Op 17 april 2014 heeft een woningweigeringsgesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en een locatiemedewerkster van het AZC. Op 6 mei 2014 heeft een tweede woningweigeringsgesprek plaatsgevonden waarbij aan [geïntimeerde] is meegedeeld dat het COA de woningweigering onterecht heeft bevonden en dat het COA een ontruimingsprocedure zou beginnen wanneer hij de opvanglocatie niet zou verlaten. 2.6 Op 9 mei 2014 is [geïntimeerde] gesommeerd het AZC te verlaten. 2.7 Nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan hebben [geïntimeerden] nog enige maanden in het AZC te [plaats] verbleven.

In maart 2015 hebben zij het AZC verlaten en zijn in [woonplaats] gaan wonen, waar zij zelf een woning hebben gevonden. 3De beslissing in eerste aanleg. 3.1 COA heeft in eerste aanleg in conventie de ontruiming van [geïntimeerden] uit het AZC gevorderd. In reconventie heeft [geïntimeerde] gevorderd dat het COA zal worden veroordeeld om de huisvesting van [geïntimeerden] in het AZC voort te zetten, inclusief ziektekostenverzekering en doorbetaling van de uitkering ingevolge de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva 2005). 3.2 De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de opvang van een asielzoeker op grond van artikel 7 lid 1 sub a van de Rva 2005 in verband met artikel 44, lid 1 van de Vreemdelingenwet, van rechtswege eindigt nadat op de asielaanvraag inwilligend is beslist en naar het oordeel van COA passende huisvestiging buiten een centrum kan worden gerealiseerd.

Hoewel de aangeboden woning [adres] als passend moet worden aangemerkt, was [geïntimeerde] zich onvoldoende bewust van de consequenties toen hij de woning weigerde, onder meer omdat er geen tolk bij het woningweigeringsgesprek was. Bovendien werd [geïntimeerde] zo in beslag genomen door de brandwonden van zijn dochter [kind] dat hij zich onvoldoende rekenschap heeft kunnen geven van de consequenties van een woningweigering. De voorzieningenrechter heeft vervolgens geoordeeld dat geen sprake was van een woningweigering in de door COA bedoelde zin.

Om die reden heeft de voorzieningenrecht de door COA gevorderde ontruiming afgewezen. In reconventie heeft hij COA veroordeeld om opvang in de zin van de Rva 2005 te verstrekken aan [geïntimeerden] tot dat [geïntimeerde] passende woonruimte heeft geaccepteerd dan wel passende woonruimte ten onrechte heeft geweigerd, alsmede doorbetaling van de ziektekostenverzekering en de financiële toelagen op grond van de Rva 2005. 4De beoordeling van het appel 4.1 Het hof dient eerst conform vaste jurisprudentie te beoordelen of COA nog een spoedeisend belang bij het door haar gevorderde heeft.

Het hof stelt vast dat nu [geïntimeerden] het AZC te [plaats] inmiddels per maart 2015 hebben verlaten, het COA geen belang - laat staan een spoedeisend belang - heeft bij hetgeen zij aanvankelijk in conventie heeft gevorderd en waarbij zij in hoger beroep heeft gepersisteerd. 4.2 COA heeft aangevoerd dat zij een in verband met mogelijke precedentwerking een principieel belang heeft bij de beoordeling van haar grieven tegen het oordeel van de voorzieningenrechter. Het hof oordeelt evenwel dat naar vaste jurisprudentie vrees voor precedentwerking niet kwalificeert als een voldoende procesbelang (HR 16 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0927, NJ 1993, 444). 4.3 Anders ligt dat met het hoger beroep voor zover gericht tegen de vordering in reconventie, waar reeds het feit dat COA in de daarop gevallen kosten is veroordeeld, voor haar een voldoende procesbelang in appel oplevert.

Bij de memorie van grieven heeft COA ook om vernietiging van dit oordeel verzocht. Het hof dient vervolgens, zo nodig ambtshalve, te beoordelen of [geïntimeerde] thans nog belang heeft bij de door hem verzochte voorziening (vergelijk HR 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6341 en HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437). Het hof stelt vast dat dat belang is komen te ontvallen na zijn verhuizing naar [woonplaats] . Om die reden zal het hof het vonnis voor zover in reconventie gewezen, vernietigen en de vordering, ex nunc, oordelend, afwijzen. COA heeft verder geen grieven opgeworpen tegen de beoordeling in reconventie.

De procestukken ontberen dan ook aangrijpingspunten om te beoordelen of de voorziening in reconventie, ex tunc oordelende, voor de periode tot maart 2015, al dan niet terecht is gegeven, zodat het hof die beslissing van de voorzieningenrechter in stand zal laten. De slotsom 4.4 Het hof zal het beroep van COA tegen het in conventie gewezen vonnis verwerpen en het hof zal het vonnis voor zover in reconventie gewezen vernietigen voor zover dat ziet op de periode na maart 2015 en voor het overige bekrachtigen. In appel zal het hof de kosten compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep: verwerpt het beroep gericht tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, d.d. 1 augustus 2014 voor zover in conventie gewezen; vernietigt dit vonnis, voor zover in reconventie gewezen en betrekking hebbende op de periode na maart 2015 en in zoverre op nieuw rechtdoende, wijst de vordering af vanaf het moment dat [geïntimeerden] het AZC in die maand hebben verlaten; bekrachtigt het vonnis in reconventie voor het overige; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.E.L. Fikkers en mr. R.E. Weening en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 5 april 2016.