Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2016:10176 ECLI:NL:GHARL:2016:10176 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2016:10176 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2016:10176
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.197.995/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 4952399 \ HA VERZ 16-45) beschikking van 14 december 2016 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [A] , verzoekster in hoger beroep, in eerste aanleg: verweerster, hierna: [verzoekster], advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse te Deventer tegen de stichting Stichting Zozijn Zorg, gevestigd en kantoorhoudende te Wilp, gemeente Voorst, verweerster in hoger beroep,in eerste aanleg: verzoekster, hierna: Zozijn, advocaat: mr. A.E. Doornbos te Zwolle.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:683 BW, artikel 359 lid 1 Rv, artikel 362 Rv, artikel 7:670 BW, Artikel 7:670a BW; ECLI:NL:GHARL:2016:10176 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Op deze regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, zoals in genoemd arrest is aangegeven. Deze beperkingen gelden in de meeste gevallen ook voor eisvermeerderingen, omdat de meeste vermeerderingen van eis tevens nieuwe bezwaren tegen de beroepen uitspraak impliceren. Het hof stelt evenwel vast dat het gewijzigde verzoek zoals dat luidt na de akte tot wijziging van eis van 6 oktober 2016 materieel geen vermeerdering van eis bevat of anderszins stellingen bevat die als nieuwe grieven moeten worden aangemerkt, maar de facto neerkomt op een herformulering van eis om te voldoen aan het bepaalde van artikel 7:683 BW, derde lid.

Keywords

AI generated
artikel 7:683 BW artikel 359 lid 1 Rv artikel 362 Rv artikel 7:670 BW Artikel 7:670a BW

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:683 BW
artikel 359 lid 1 Rv
artikel 362 Rv
artikel 7:670 BW
Voorts beroept [verzoekster] zich op het opzegverbod van artikel 7:670 BW.
Artikel 7:670a BW
Artikel 7:670a BW, eerste lid, bepaalt dat het opzegverbod niet geldt bij de daar geregelde gevallen waarin de werknemer zich niet houdt aan de voorschriften betreffende ziekmelding en re-integratie.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHARL:2016:7301
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.192.508/01 (zaaknummers rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, 4748807 en 4813053) beschikking van 13 september 2016 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, in eerste aanleg: verzoekster, verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek, hierna: [verzoekster], advocaat: mr. N.E. van Uitert, kantoorhoudend te Drachten, tegen A.S. Watson (Health & Beauty Continental Europe) B.V., gevestigd te Renswoude, verweerster in hoger beroep, in eerste aanleg: verweerster, tevens verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek, hierna: Watson, advocaat: mr. R.M. Kerkhof, kantoorhoudend te Veenendaal. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van 10 maart 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, waarbij de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van het haar gegeven ontslag op staande voet heeft afgewezen en Watson niet-ontvankelijk heeft verklaard in het voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - het beroepschrift met producties en de stukken van eerste aanleg van [verzoekster] , ter griffie ontvangen op 7 juni 2016; - het namens [verzoekster] nagezonden proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg; - het verweerschrift in hoger beroep met producties, waaronder een usb-stick, van Watson; - een nagekomen productie van [verzoekster] d.d. 12 augustus 2016; - de op 19 augustus 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij geen pleitnotities zijn overgelegd. 2.2 Vervolgens heeft het hof uitspraak bepaald op 30 september 2016 of zoveel eerder als mogelijk is. 2.3 [verzoekster] heeft in haar beroepschrift verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen, en opnieuw rechtdoende het ontslag op staande voet te vernietigen en de in eerste aanleg in hoofdzaak ingestelde primaire dan wel subsidiaire vorderingen alsnog toe te wijzen, met veroordeling van Watson in de kosten van beide procedures. 3De feiten 3.1 Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten is geen beroepsgrond gericht. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, zijn die feiten als volgt. 3.2 Watson exploiteert in Nederland onder andere de winkelketen Kruidvat. In ieder filiaal van Kruidvat is een filiaalmanager verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. De filiaalmanager wordt daarbij ondersteund door een assistent-filiaalmanager. Bij afwezigheid van zowel de filiaalmanager als de assistent-filiaalmanager is een daartoe aangewezen verkoopmedewerker bevoegd en verantwoordelijk voor de leiding van het filiaal. 3.3 [verzoekster] is sedert 20 juni 2011 in dienst van Watson, laatstelijk in de functie van verkoopmedewerkster Kruidvat in het filiaal te [woonplaats] (filiaal [nr.] ) voor 20 uur per week, tegen een bruto salaris van € 935,13 per maand (exclusief vakantiegeld en overige emolumenten). De vestiging van Kruidvat te [woonplaats] is op donderdag geopend tot 21.00 uur. [verzoekster] is aangewezen als vervanger voor de assistent-filiaalmanager zoals hiervoor bedoeld. 3.4 Watson hanteert gedragsregels ("Gedragsregels Filiaalmedewerkers Kruidvat, Prijsmepper en Trekpleister A.S. Watson Health & Beauty (Continental Europe) B.V.") waaraan een medewerker van Kruidvat zich dient te houden wanneer deze onder werktijd voor eigen gebruik aankopen doet in het filiaal waar hij werkzaam is. In deze gedragsregels is, voor zover van belang, het volgende bepaald: " 8. AANKOPEN DOOR MEDEWERKERS 8.1 Algemeen Personeelsaankopen die niet voor directe consumptie zijn worden uitsluitend gedaan in de 15 minuten voor sluitingstijd. Indien je werktijd eerder eindigt dan de sluitingstijd van het filiaal waar je werkzaam bent, dan doe je de aankopen buiten werktijd. De aankoop reken je af volgens de normale procedure op de door de leidinggevende aangewezen kassa. Bij het afrekenen zijn altijd minimaal twee personen aanwezig. De kassabon wordt afgetekend door de leidinggevende. De aankopen worden gecontroleerd door de leidinggevende bij het einde van de werktijd van de medewerker. De aankopen moeten dezelfde dag meegenomen worden. Personeelsaankopen van artikelen ter consumptie tijdens werktijd worden vóór consumptie afgerekend. Aangekochte goederen zonder kassabon, respectievelijk zonder bewijs van betaling worden als niet gekochte goederen beschouwd. De leidinggevende is bevoegd om de gekochte goederen, zolang deze zich nog in de bedrijfsgebouwen bevinden, op elk gewenst moment te controleren aan de hand van de kassabon. Het niet of niet correct afrekenen van goederen is diefstal en wordt beschouwd als een dringende reden voor ontslag op staande voet. (….) 10 DIEFSTAL EN FRAUDE Het wegnemen van geld of goederen of het meewerken daaraan, met inbegrip van (consumptie) van kapotte of beschadigde artikelen die het eigendom van A.S. Watson zijn, is diefstal. Diefstal of fraude door een medewerker, in welke vorm dan ook, is altijd een reden voor ontslag op staande voet. Er wordt altijd aangifte gedaan bij de politie, waarna de naam van de medewerker wordt toegevoegd aan het Waarschuwingsregister via de Stichting Fraude Aanpak Detailhandel (FAD). Het waarschuwingsregister is toegankelijk voor andere deelnemende ondernemingen. Tevens wordt overgegaan tot het verhalen van de kosten van fraudeonderzoek. In geval van diefstal door een collega informeer je je leidinggevende. Als je dit liever in vertrouwen of anoniem doet, kun je ook contact opnemen met het fraudemeldpunt via telefoonnummer (….)." 3.5 Watson verspreidt onder al haar medewerkers maandelijks het interne communicatieblad "2thePoint". In de uitgave van mei 2014 is in dit blad een artikel verschenen met de titel "Wij pikken diefstal niet!". In dit artikel, afkomstig van de afdeling derving en veiligheid van Watson (hierna verder te noemen: DV), staat onder meer: "We hebben er jammer genoeg dagelijks mee te maken; winkelcriminaliteit. Maar fraude? Diefstal? Wij pikken het niet! Ook niet van onze collega's, want helaas komt diefstal door eigen medewerkers ook nog steeds voor. Samen met jou willen we dit terugdringen. Op Intranet vind je cijfers en andere informatie over criminaliteit in Nederlandse winkels. In deze 2thePoint alvast een paar tips die winkelcriminaliteit tegengaan. Want werken met vertrouwen werkt veel prettiger.  Volg de geldende regels en procedures (…)" 3.6 Op 4 juni 2015 zijn op Intranet (de interne website van Watson), dat in ieder filiaal van Kruidvat beschikbaar is voor het personeel, de volgende, van DV afkomstige, mededelingen verschenen, voor zover van belang: "Fraude? Diefstal? Wij pikken het niet! 04-06-2015 -- Dagelijks hebben we te maken met winkelcriminaliteit. (….). Ongeveer 47,8% van de totale winkelcriminaliteit wordt veroorzaakt door winkeldieven, 25,7% door diefstal van eigen medewerkers en 26,5% procent door interne fouten (bijv. breuk en THT) en schade door leveranciers. Elke dag werken we binnen de gehele organisatie hard aan om alle vormen van criminaliteit tegen te gaan. Met de volgende tips kan jij je steentje bijdragen om de winkelcriminaliteit terug te dringen: - Volg de geldende regels en procedures (….) - Helaas worden we ook geconfronteerd met diefstal door eigen medewerkers. Dit geven we minimaal evenveel aandacht als de "gewone" winkeldiefstallen. Ook jullie kunnen helpen diefstal door eigen medewerkers terug te dringen. Daarom enkele tips: - Maak fraude bespreekbaar in je team. Volg de geldende regels en procedures. - Heb je vermoedens van fraude binnen je team? Meld het direct aan je District manager of Derving en Veiligheid (….). Ook kan je fraude vermoedens volledig anoniem melden op fraudenummer (….) of (….). Samen proberen we winkelcriminaliteit te voorkomen. Daarom is het motto van Derving &Veiligheid: Fraude? Diefstal? Wij pikken het niet! Lees meer over fraude en diefstal in de nieuwste WATSgoingON." 3.7 In de editie van juni 2015 van het personeelsblad WATSgoingON is een artikel verschenen waarin is aangegeven dat Watson korte metten maakt met interne fraude. In dit artikel is onder meer de filiaalmanager van de vestiging van Kruidvat te [plaats] (filiaal [nr.] ) aan het woord, die vertelt over door een (ondergeschikte) collega gepleegde fraude. 3.8 Op donderdag 12 november 2015 waren de filiaalmanager en de assistent-filiaalmanager afwezig en was [verzoekster] aangewezen als de verantwoordelijke medewerker voor de gang van zaken in de vestiging van Kruidvat te [woonplaats] . Op die dag, tegen sluitingstijd, heeft [verzoekster] een aantal persoonlijke aankopen gedaan in haar 'eigen' filiaal. Van deze transactie is een kassabon met nummer 405 opgemaakt. De kassabon vermeldt, voor zover van belang, de volgende gegevens: Aant. Artikel Bedrag FIETSSTOEL ACHTER 29.99 KORTING 50% OP=OP -15.00 OPSTAPJE GRIJS 5.99 KORTING 50% OP=OP -2.99 SCHMINKSET 0.99 BORDJES 0.79 VLAGGENLIJN 1.29 TAFELKLEED 1.29 SERVETTEN 0.79 INLEGZOOL 0.79 SMALL PIANO AVENGERS 1.99 PEPERNOTENBAKJE 0.79 CHOCOLADE LETTER 0.69 CHOCOLADE LETTER 0.69 CHOCOLADE LETTER 0.69 KRUIDVAT CHOCOLADE 1.09 NAVULLING BRISE 2.79 KORTING 0.00 KORTING IN UW VOORDEEL -0.79 KORTING 0.00 NAVULLING BRISE 2.79 KORTING 0.00 KORTING IN UW VOORDEEL - 0.79 FOTOFRAME 1.79 KORTING 0.00 FOTOFRAME 1.79 FOTOFRAME 1.79 FOTOFRAME 1.79 FOTOFRAME 1.79 DAMES T-SHIRT 6.99 KORTING 0.00 OPBERGBOX 10 LTR 1.99 KORTING 50% OP=OP -1.00 OPBERGBOX 10 LTR 1.99 KORTING 50% OP=OP -0.99 OPBERGBOX 4.99 KORTING 50% OP=OP -2.50 BLONDES BLAUW 5.70 HOKA #4 HOKA #4 ORDER PROMOTIONS: MIXMATCHKORTING -9.99 31 SUBTOTAAL 50.00 VVV CADEAUBON 25.00 (….) 31 SUBTOTAAL 25.00 VVV CADEAUBON 25.00 (….) WISSELGELD 0.00 (….) ================================== TOTALE ACTIEKORTING 34.05 ================================== C0014 #0405 20:57:07 12NOV2015 3.9 Op 13 november 2015 heeft Watson een anonieme melding ontvangen dat zich bij de aankopen door [verzoekster] onregelmatigheden hebben voorgedaan. Naar aanleiding van deze melding heeft DV nader onderzoek gedaan. De camerabeelden van 12 november 2015 en van de dagen in de daarop volgende week (week 47 van 2015) zijn bekeken, alsmede de kassa uitdraai (kassabon) van de door [verzoekster] op 12 november 2015 gedane aankopen. Voor dit onderzoek heeft Watson Headline, een particulier adviesbureau, ingeschakeld. 3.10 In een handgeschreven transcript heeft Headline/DV aangegeven wat de camera op 12 november 2015, vanaf omstreeks 18:30 uur, heeft geregistreerd ten aanzien van [verzoekster] . In dit transcript is het volgende aangegeven: 18:26 pakt ze uit de kooi een fietsstoel 18:32 pakt ze 2 opstapjes uit de kooi en legt deze op een kar 18:34 pakt ze een gele sticker rol uit de Pos meter 18:35 pakt ze 5 chocoladeletters uit de kooi legt deze op de kar 18:36 legt ze er een inlegzool bij 18:36:45 doet ze de producten in een rood krat 18:37 pakt ze de fotolijstjes uit de kooi en doet deze ook in het krat 18:37 legt ze nog een chocoladeletter erbij 18:38 legt ze 2 kleine opbergboxen erbij 18:38 legt ze 1 grote opbergbox en 2 middel opbergboxen erbij 18:39 legt ze de small piano avengers erbij 20:25 pakt ze 1 sinterklaas schoorsteen en legt deze ook bij de kar 20:49 pakt ze de kar en gaat naar de kassa 20:52 geeft ze haar code aan Hacer zodat Hacer wel door kan gaan met kassa draaien en dan gaat Moniek op kassa 1 haar eigen spullen afrekenen met de code van Hacer 20:53 meld Moniek haar aan op kassa 1 20:54 pakt ze nog even de fietsstoel uit het magazijn 20:54:37 scant ze de fietsstoel 20:55:30 scant ze 1 opstapje terwijl ze 2 in de handen heeft 20:55:49 scant ze de spullen uit het rode krat 20:56:33 scant ze de chocoladeletters, ze heeft 5 in haar hand maar ze scant er maar 3 20:56:39 scant ze nog een 1 groene chocoladeletter 20:57:43 pakt ze de panty, "probeert" deze te scannen maar doet dit niet 20:58:16 scant ze de fotolijstjes 20:59 scant ze een T-shirt 21:00:00 scant ze 2 kleine opbergboxen 21:00:08 scant ze 1 middel opbergbox maar heeft er 2 vast 21:02:30 berekend ze 9,99 korting 21:04:51 komt Hacer erbij om haar te "controleren" of zoiets 21:07:41 is ze bij de kassa klaar 21:29 gaat ze met de spullen naar buiten 3.11 Naar aanleiding van de bevindingen heeft op 20 november 2015, vanaf 13.00 uur, een gesprek plaatsgevonden tussen [X] , medewerker van Headline, en [verzoekster] , in aanwezigheid van [Y] , districtsmanager Kruidvat. Van het gesprek is een verklaring opgesteld, die [verzoekster] om ongeveer 14.45 uur heeft ondertekend. In de verklaring is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: " NAAM : [verzoekster] (….) CAISSIÉRENUMMER : [nummer] Hoka 4 (…). Ik ben sinds 20-06-2011 werkzaam bij het Kruidvat, momenteel in de functie van verkoopmedewerker in het Kruidvat te [woonplaats] . Mijn kassagebruikersnummer is nr. [nummer] . U zegt mij dat u een onderzoek heeft gedaan naar mijn kassahandelingen en wel met name naar de persoonlijke aankopen van mij op 12 november 2015. Zie kassabon 405 gemaakt op kassa 1 om 20:57 uur. U vraagt aan mij of ik mij kan herinneren wat ik op dat moment heb aangekocht en ook of ik hiervan alles heb gescand en betaald heb. Ik kan mij hier een en ander nog van herinneren. Ik heb in de loop van de avond de spullen die ik wilde kopen op een karretje in het magazijn verzameld en tegen sluitingstijd ben ik hiermee naar de kassa gegaan. Alle spullen stonden op het karretje. Ik weet dat ik de spullen zelf heb gescand. U vraagt aan mij of ik hierbij alles heb gescand en voor zover ik weet heb ik dat ook gedaan. Ik had ook een aantal chocoladeletters gekocht. Ik weet dat dit er 6 waren. Nu zegt u mij dat er slechts 4 van zijn gescand. Ik schrik daar van want dat betekent dat ik er dus 2 niet betaald heb. Ik heb die avond ook 5 opbergboxen gekocht en ik dacht dat ik deze ook alle 5 had gescand en had afgerekend. Nu laat u mij op de kassabon zien dat ik twee opbergboxen niet heb afgerekend, dat was een box van het format middel groot en een van het formaat groot. Deze boxen kosten € 2,50 en € 3,50. U vraagt aan mij hoeveel opstapjes ik heb gekocht, dat zijn er twee geweest, een voor boven en een voor beneden. U laat mij nu de kassabon zien en ik zie dat ik er slechts een heb gescand en heb afgerekend. U vraagt aan mij of ik de panty ook heb meegenomen. Ik ben daar niet zeker van. U vraagt aan mij of ik mij de schoorsteen kan herinneren die ik ook heb op karretje had gezet. Dit was een kartonnen uitklapbare schoorsteen en die kan ik mij herinneren want die had ik inderdaad op het karretje gezet. Ik schrik van het feit dat ik die ook niet heb afgerekend. Dit zie ik inderdaad op mijn kassabon. U vraagt aan mij waarom ik in het magazijn een rol met gele afprijsstickers had gepakt. Ik heb hiervan een 5 tal gele stickers gepakt en op de 5 fotolijstjes geplakt die ik ook heb gekocht. Ik heb hierdoor mijzelf een korting gegeven van 50%. Ik heb dit gedaan omdat ik wist dat deze lijstjes in de korting zouden komen. Ik had uitgerekend dat ik voor € 50,- aan boodschappen had. Ik had nog twee VVV kadobonnen à € 25,-. Toen ik klaar was met scannen was het totaalbedrag € 59,99. Vervolgens heb ik mij een korting van € 9,99 gegeven zodat het totaalbedrag € 50,- werd. Ik heb dat betaald met die 2 VVV bonnen. Ik dacht dat ik recht had op die korting vanwege de korting op de 5 fotolijstjes en op het T-shirt. Ik ben deze transactie gestart op het kassanummer van mijn collegaatje, dit is KSGB 14, zij stond op de andere kassa en werkte onder mijn nummer. Ik had dit zo gedaan zodat we konden doorgaan met de klanten te helpen. Nadat ik klaar was met mijn kassabon heb ik haar erbij geroepen en heb haar de kassabon laten zien, laten controleren en heb ik aan haar uitgelegd waarom er de kortingen op stonden vermeld. Ik heb op deze manier 6 producten meegenomen die ik niet heb afgerekend. Dat was een opstapje, twee opbergboxen, 2 chocoladeletters, een schoorsteen en mogelijk een panty en het totale bedrag hiervan is € 15,38 exclusief de panty. U vraagt aan mij of ik gisteren, donderdag 19 november twee chocolade letters heb gekocht en of ik die ook heb betaald. Ik heb inderdaad twee chocolade letters gekocht en die heb ik niet betaald. Ik dacht dat ik ze in de winkel had laten liggen om de volgende dag te betalen. Nu blijken ze daar niet meer te liggen maar ik kan ook niet herinneren dat ik ze mee heb genomen. Ik had ze niet betaald omdat ik geen voldoende saldo had. Ik heb gisteren ook aan een collegaatje twee CD's meegegeven. Ik had deze met een korting op gratis gezet en ik heb ze aan haar meegeven. Dit betreft kassabon 86 op kassa 2 om 20:57 uur. Ik heb ook nog een rode opberg box van het Kruidvat die avond meegenomen. Die moet ik nog terugbrengen. Het totale bedrag wat door mij als schadebedrag is veroorzaakt komt uit op € 26,80. Ik ben bereid dit bedrag aan het Kruidvat te betalen. U heeft mij verteld dat u voor uw onderzoek gebruik heeft gemaakt van de video opnamen van het CCTV systeem en dat u deze op uw kantoor bewaart. U heeft ook gezegd dat deze ter beschikking staan van de politie. Ik begrijp dat. Ik heb dit zo gedaan, ik heb dit ook zo naar eer en geweten gedaan. Maar er zijn zo door mij wel fouten gemaakt en daar neem ik mijn verantwoording voor. U zegt mij dat het Kruidvat mogelijk bij de politie aangifte gaat doen van verduistering in dienstbetrekking, ik begrijp dat. Ik begrijp dat ik een deel van de kosten van het onderzoek zoals dit is gedaan door (….) Headline (….) aan het Kruidvat moet vergoeden. U zegt mij dat dit een bedrag is van € 633,25. Ik begrijp dit. Hierdoor komt de schade op € 660,05." 3.12 [verzoekster] heeft tevens op 20 november 2015 een door haarzelf geschreven verklaring afgelegd. Daarin heeft zij onder meer het volgende verklaard: "Hierbij verklaar ik dat er een aantal dingen op mijn werk niet volgens de regels is gegaan. D.d. 12 november heb ik spullen afgerekend, naar mijn weten correct afgehandeld. Hierbij zaten producten die in de afprijzingen zaten, daar zat nog geen gele sticker op. Deze heb ik er zelf opgeplakt omdat ik wist dat deze in de general merchandise afprijzingen zaten en voor duidelijkheid voor mijn collega bij het afrekenen. Nu bleek dat deze tijdens het scannen niet automatisch eraf gingen en heb zelf de korting verrekend. Door drukte heb ik mijn collega op mijn nummer laten draaien en haar de aanwezige klanten laten helpen aan de kassa. En ik op haar nummer. Door die drukte en omdat het vlak voor sluitingstijd was, heb ik uiteindelijk zelf de producten afgerekend. Wat niet correct is. Ik loop bij mijn dokter voor diverse klachten waaronder 'mijn vergeetachtigheid' (….). De te benoemen dingen die verkeerd zijn gegaan: - 1x scannen van opstapje i.p.v. 2 - 3x scannen van opbergbox i.p.v. 5 - fotolijstjes die blijkbaar niet in de afprijzingen zaten - chocoladeletters niet op de dag afgerekend - cd + dvd aan collega meegegeven terwijl dit officieel niet mag - een panty waar ik niet van weet waar die is en waar geen code op zat en onbewust heb genomen. En een rood krat die nog bij mij thuis staat." 3.13 Bij brief van 24 november 2015, voor zover van belang, heeft Watson [verzoekster] het volgende meegedeeld: "Hiermee bevestigen wij u het gesprek van vrijdag 20 november 2015 met (….) [Y] (….) en (…) [X] (….) waarin wij u met directe ingang op staande voet hebben ontslagen. Redenen voor dit ontslag zijn:  U heeft zich onrechtmatig goederen toegeëigend, zonder te betalen en zonder dat u daartoe gerechtigd of gemachtigd was of anders daarvoor toestemming had gekregen.  U heeft u zelf korting op goederen toegeëigend zonder dat u daartoe gerechtigd of gemachtigd was of anders daarvoor toestemming had gekregen.  U heeft aan een collega goederen meegegeven zonder dat er voor die goederen betaald is.  Over bovengenoemde punten heeft u een volledige schriftelijke bekentenis afgelegd.  U hebt de gedragsregels en/of de procedures en/of de instructies gegeven door of namens (….) Watson niet nageleefd, en daarmee heeft u uw plichten als werknemer op zeer grovelijke wijze veronachtzaamd.  Het vertrouwen dat wij in u moeten kunnen stellen is hierdoor onherstelbaar geschaad. Gelet op het vorenstaande kan van ons redelijkerwijs niet gevergd worden het dienstverband met u te continueren. Deze verwijten gelden ieder voor zich doch tevens in samenhang beschouwd, als dringende reden die leiden tot ontslag op staande voet. De arbeidsovereenkomst tussen u en onze onderneming is derhalve beëindigd op 20 november 2015." 3.14 Watson heeft aangifte gedaan bij de politie. Op 1 april 2016 is [verzoekster] door de politierechter veroordeeld wegens verduistering in dienstbetrekking. [verzoekster] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. 4De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan 4.1. [verzoekster] heeft de kantonrechter, voor zover in hoger beroep nog van belang, verzocht: - primair het ontslag op staande voet te vernietigen en, kort weergegeven, te bepalen dat Watson haar alsnog moet toelaten tot haar werk alsmede Watson veroordeelt tot doorbetaling van haar loon met wettelijke verhoging en wettelijke rente; - subsidiair, indien het ontslag terecht wordt geoordeeld, Watson te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en - meer subsidiair, voor het geval [verzoekster] berust in de opzegging, Watson te veroordelen tot betaling van de in artikel 7:681 BW bedoelde billijke vergoeding, loon wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding met wettelijke rente over alle bedragen. 4.2 Watson heeft, voor het geval de kantonrechter of het hof van oordeel zou zijn dat geen sprake is van een dringende reden, ontbinding op de kortst mogelijke termijn verzocht, primair op de e-grond en subsidiair op de g-grond, zonder enige vergoeding aan [verzoekster] en met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van de procedure. 4.3 De kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van diefstal, hetgeen ondanks de ernstige gevolgen voor [verzoekster] ontslag op staande voet rechtvaardigt. Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen heeft [verzoekster] geen recht op de transitievergoeding. Nu [verzoekster] niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van haar beroep op vernietiging van het ontslag komt de kantonrechter niet aan beoordeling van haar meer subsidiaire verzoeken toe. [verzoekster] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij belang heeft bij beoordeling voor het geval zij op enig moment besluit te berusten in het ontslag, nog daargelaten of [verzoekster] die keuze niet had moeten maken binnen de vervaltermijn van twee maanden, bedoeld in artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW. [verzoekster] wordt veroordeeld in de proceskosten. 4.4 Nu het ontslag op staande voet stand houdt, is er volgens de kantonrechter geen plaats voor een voorwaardelijke ontbinding, ook niet voor het geval het hof de werkgever zou veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst. Watson wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar ontbindingsverzoek met annexe nevenverzoeken, onder compensatie van kosten in de procedure ter zake het tegenverzoek. 5De beoordeling in hoger beroep 5.1 Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft het hof, onder verwijzing naar artikel 7:683 lid 3 BW en het beroep van Watson op de niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] in haar hoger beroep onder punt 11 in het verweerschrift in hoger beroep, de advocaat van [verzoekster] verzocht hoe het hof de verzochte vernietiging van de beschikking en van het ontslag moet begrijpen. Daarop is namens [verzoekster] gevraagd het petitum te verstaan als een verzoek tot herstel, subsidiair een vervangende billijke vergoeding. Het hof zal het petitum aldus opvatten, mede nu Watson daarop blijkens de punten 41 en 43 van haar verweerschrift in hoger beroep voorbereid was. Het hof merkt nadrukkelijk op dat deze zeer coulante lezing van het petitum bij processtukken, die worden ingediend later dan een jaar na invoering van de ontslagbepalingen uit de Wet werk en zekerheid (Wwz), niet zonder meer verwacht mag worden. In dat verband wijst het hof er voorts op dat een verandering of vermeerdering van verzoek schriftelijk dient te geschieden, waarbij ingevolge artikel 130 Rv als maatstaf geldt of deze verandering of vermeerdering in strijd is met de goede procesorde (artikel 362 in verbinding met artikel 283 Rv). 5.2 [verzoekster] heeft vier gronden voor beroep opgeworpen, aangeduid als grieven, tegen de beschikking voor zover gewezen op haar verzoek. Met grief 1 voert zij aan dat de kantonrechter ten onrechte haar gedragingen heeft gekwalificeerd als diefstal. Deze term heeft de werkgever niet gebruikt, aldus [verzoekster] , en zij heeft ook niet het voor diefstal vereiste oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening gehad. Met grief 2 betoogt [verzoekster] dat de kantonrechter niet de aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen heeft behandeld, en aldus buiten het geschil treedt. Het hof verwerpt deze grieven. Met name uit randnummer 5.7, laatste alinea, van de bestreden beschikking blijkt, dat de kantonrechter onder diefstal verstaat dat [verzoekster] op 12 november 2015 tegen sluitingstijd artikelen mee naar huis heeft genomen zonder daarvoor te betalen. Deze weergave van de feiten stemt overeen met de eerste reden die Watson heeft opgegeven voor het ontslag. De kantonrechter heeft de term diefstal dus kennelijk gebruikt in dezelfde zin als aan de orde was in HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:290 en niet in de strafrechtelijke betekenis. Indien één van de aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen, indien de juistheid daarvan komt vast te staan, al voldoende is om het ontslag te dragen, behoeven de andere redenen die zijn aangevoerd niet nader te worden behandeld, nu Watson in de ontslagbrief (zie overweging 3.13, slot) uitdrukkelijk heeft opgenomen dat iedere reden op zichzelf al voldoende aanleiding is voor ontslag. 5.3 Met de grieven 1 tot en met 3 gezamenlijk legt [verzoekster] aan het hof de vraag voor of de kantonrechter terecht het ontslag op staande voet in stand heeft gehouden, mede gelet op alle omstandigheden van het geval. Daartoe voert zij aan dat het verzuim om alle meegenomen artikelen te scannen berust op een vergissing, veroorzaakt door bijwerkingen van het door haar gebruikte geneesmiddel Champix. Zij had ook stressklachten en Watson wist dat zij zich een aantal keer had ziekgemeld. De weergave van wat op de video-opname is te zien is subjectief. [verzoekster] heeft nimmer de intentie gehad zich zaken toe te eigenen. In dit geval is ontslag als ultimum remedium niet gerechtvaardigd, aldus [verzoekster] . 5.4 Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof nadere uitleg aan [verzoekster] gevraagd over de extra korting die zij via de kassa heeft aangeslagen en die dus niet bij het scannen op de bon werd vermeld. De fotolijstjes waren bijvoorbeeld regulier afgeprijsd van ongeveer € 4,- naar € 1,79, maar volgens [verzoekster] zou zij ook nog recht hebben op 50% korting op laatstgenoemde prijs. [verzoekster] heeft ter zitting verklaard dat er iedere vrijdag een lijst kwam met producten uit de 'general merchandise', welke producten een gele sticker moesten krijgen waaruit bleek dat er nog eens 50% korting op de prijs kwam. Volgens [verzoekster] hebben de fotolijstjes op zo'n lijst gestaan. Op donderdag 12 november 2015 zat er evenwel nog geen sticker op de lijstjes die [verzoekster] wilde meenemen totdat [verzoekster] die stickers er zelf opplakte. Dat de lijstjes aanvankelijk niet gestickerd waren komt, zo lijkt uit de verklaring van [verzoekster] te volgen, doordat zij al drie weken bezig was de door haar gewenste spullen te verzamelen. In reactie hierop heeft bedrijfsjurist [Z] van Watson met klem ontkend dat de fotolijstjes ooit op de lijst met general merchandise-artikelen hebben gestaan, nu het goed lopende producten uit het vaste assortiment betreft die niet voor op = op-prijzen weggaan. Zij heeft dit nog nagevraagd bij de inkoper. Naar het oordeel van het hof heeft [verzoekster] , mede gelet op de toelichting van de zijde van Watson, niet aannemelijk gemaakt dat zij recht had op extra korting op de gescande prijs van de fotolijstjes. Dat zij die korting wel heeft geclaimd door op die artikelen een gele sticker te plakken en handmatig een extra korting op de kassabon toe te voegen, kan bezwaarlijk verklaard worden door vergeetachtigheid als gevolg van medicijngebruik. 5.5 Het hof heeft voorts nadere uitleg gevraagd aan [verzoekster] over het gebruik van de kassacode van haar collega bij het scannen door [verzoekster] zelf van de door haar privé aan te schaffen goederen uit de winkel. [verzoekster] heeft daar geen verklaring voor kunnen geven die begrijpelijk maakt dat de klanten aldus sneller worden geholpen, zoals zij aanvankelijk heeft aangevoerd. Uiteindelijk heeft [verzoekster] erkend dat zij de code van haar collega heeft gebruikt omdat zij wist dat zij niet zelf haar privé-aankopen mocht afrekenen. De bewuste collega, buurmeisje van de vriend van [verzoekster] , is een goede bekende van haar; [verzoekster] is naar eigen zeggen zelfs haar vertrouwenspersoon. Het hof is van oordeel dat [verzoekster] , die aldus bewust heeft afgeweken van het vier-ogenprincipe dat volgt uit de haar bekende regels bij privé-aankopen in een situatie waarin zij alleen in de winkel was met iemand voor wie zij vertrouwenspersoon was, zich niet kan beroepen op een vergissing. Zij heeft juist, mede gelet op de kortingen die zij zichzelf toekende, berekenend gehandeld. Het hof acht hierbij van belang dat [verzoekster] op 12 november 2015 vanwege de afwezigheid van de filiaalmanager en de assistent-filiaalmanager de verantwoordelijke medewerker in het filiaal in [woonplaats] was. 5.6 Het meenemen van goederen van Watson zonder (volledige) betaling is onrechtmatig. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die meebrengen dat Watson in dit geval, gelet op alle omstandigheden, voor een minder zware sanctie had moeten kiezen. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter dan ook terecht geweigerd het ontslag te vernietigen. De daartegen gerichte gronden falen. 5.7 Met grief 4 komt [verzoekster] op tegen de afwijzing van de door haar verzochte transitievergoeding. Het hof is evenwel van oordeel dat [verzoekster] daarop geen aanspraak heeft, nu de dringende reden voor ontslag op staande voet haar ook ernstig te verwijten is. 5.8 Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan hoger beroep onderworpen, bekrachtigen en [verzoekster] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Watson te stellen op € 718,- griffierecht en € 1.788,- salaris advocaat volgens liquidatietarief (2 punten, tarief II). 6De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter te Leeuwarden van 10 maart 2016, voor zover aan hoger beroep onderworpen; veroordeelt [verzoekster] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van Watson vastgesteld op € 718,- aan griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief; verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; wijst af wat meer of anders is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.L. Fikkers, mr. E.B. Knottnerus en mr. O.E. Mulder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2016 in aanwezigheid van de griffier.
ECLI:NL:HR:2009:BI8771
Het verloop van het geding De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 16 januari 2009, NJ 2009, 55, voor het daaraan voorafgegane verloop van het geding.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.197.995/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 4952399 \ HA VERZ 16-45) beschikking van 14 december 2016 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [A] , verzoekster in hoger beroep, in eerste aanleg: verweerster, hierna: [verzoekster], advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse te Deventer tegen de stichting Stichting Zozijn Zorg, gevestigd en kantoorhoudende te Wilp, gemeente Voorst, verweerster in hoger beroep,in eerste aanleg: verzoekster, hierna: Zozijn, advocaat: mr. A.E. Doornbos te Zwolle.

1Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle) van 31 mei 2016. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - het beroepschrift met producties van [verzoekster] , ter griffie ontvangen op 25 augustus 2016; - het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, ter griffie ontvangen op 5 september 2016, zonder de daarvan deel uitmakende pleitnotities; - het verweerschrift in hoger beroep met producties van Zozijn, ter griffie ontvangen op 5 oktober 2016;- de akte tot wijziging van eis van [verzoekster] , ter griffie ontvangen op 6 oktober 2016; - nadere producties zijdens Zozijn, ter griffie ontvangen op 1 november 2016; - nadere producties zijdens [verzoekster] , ter griffie ontvangen op 3 november 2016; - de completering van het proces-verbaal in eerste aanleg, ter griffie ontvangen op 8 november 2016; - de op 7 november 2016 ontvangen pleitnotitie in eerste aanleg met productie van [verzoekster] ; - de op 8 november 2016 ontvangen pleitnotitie in eerste aanleg van Zozijn; - de op 9 november 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij mr.

Doornbos pleitnotities heeft overgelegd. 2.2 Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op 21 december 2016 dan wel zoveel eerder als mogelijk. 2.3 [verzoekster] heeft in haar hoger beroepschrift verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen in stand blijft met veroordeling van Zozijn in de kosten van beide procedures en indien het hof de ontbinding al meent te moeten bekrachtigen, naast de wettelijke transitievergoeding aan [verzoekster] toe te kennen de aanvulling op basis van de transitievergoeding op basis van de garantieregeling uit de CAO-Gehandicaptenzorg groot € 34.948,45. 2.4 Bij de "akte tot wijziging van eis" heeft [verzoekster] dit verzoek vervolgens opnieuw geformuleerd, in die zin dat primair herstel van de arbeidsovereenkomst wordt verzocht en subsidiair, naast de transitievergoeding, aanspraak wordt gemaakt op de hiervoor reeds weergegeven CAO-aanvulling, te vermeerderen met de wettelijke rente. 2.5 Zozijn heeft primair de niet-ontvankelijkheid van het beroep verzocht en subsidiair de bekrachtiging van de aangevochten beschikking, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep.

3De vaststaande feiten

In hoger beroep staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast. 3.1 [verzoekster] , geboren [in] 1980, is op 1 maart 2008 in dienst getreden bij Zozijn. De laatste functie die zij vervulde, is die van zorgondersteuner voor 29,5 uur per week met een bruto maandsalaris van € 1.876,43 exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. 3.2 Het verloop van haar dienstverband wordt gekenmerkt door veelvuldige ziekte. Zij heeft onder meer een auto-ongeval gehad met daaruit resulterende klachten, lijdt aan een ernstige vorm van hyperventilatie en heeft psychische klachten.

Vanaf haar indiensttreding tot [in] 2014 is zij in totaal 1264 dagen ziek geweest. 3.3 Vanaf 2009 zijn er meerdere conflicten tussen [verzoekster] en Zozijn omtrent de wijze en het tijdstip van ziekmeldingen door [verzoekster] en de bereikbaarheid van [verzoekster] in perioden van ziekte, waaronder ook het bij voortduring niet of niet tijdig verschijnen bij afspraken met de bedrijfsarts. [verzoekster] is hier door Zozijn op aangesproken en daarvan is op 13 januari 2011 aantekening gemaakt in haar dossier, met een waarschuwing dat het zich niet houden aan de afspraken reden kan zijn voor ontslag (prod. 19 verzoekschrift Zozijn). 3.4 Deze waarschuwing is, naar aanleiding van nieuwe incidenten, herhaald op 31 januari 2012 (prod. 21 verzoekschrift Zozijn).

Op 10 december 2012 is haar, vanwege wederom overtreding van deze voorschriften, een officiële schriftelijke waarschuwing gegeven bij aangetekend schrijven (prod. 24 verzoekschrift Zozijn). 3.5 Als gevolg van het auto-ongeval was [verzoekster] tussen 2012 en 2014 grotendeels uitgeschakeld. Haar re-integratie vond plaats in een ander team dan het eigen team, omdat het daar niet lekker liep (prod. 34 verzoekschrift Zozijn). Ook in deze periode van ziekte hielden de conflicten aan, hetgeen heeft geleid tot een kortstondige loonsanctie in 2013. 3.6 In 2014 keerde [verzoekster] terug bij Zozijn, nadat onderhandelingen over financiering van een opleiding in de beveiliging waren mislukt.

Een poging van Zozijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden leed schipbreuk vanwege de weigering van het UWV daaraan mee te werken. 3.7 In oktober 2014 werden nieuwe afspraken tussen partijen gemaakt teneinde de werksituatie te verbeteren. (prod. 37 verzoekschrift Zozijn). 3.8 Op 3 november 2015 verscheen [verzoekster] niet op een verplichte bedrijfsopleiding noch meldde zij zich af. Pas in de loop van de dag reageerde zij telefonisch op gemiste telefoontjes en appberichten van de assistent manager [B] (prod.4 verzoekschrift Zozijn). De leidinggevende [C] heeft contact met [verzoekster] opgenomen op 4 november 2015, waarbij werd afgesproken dat [verzoekster] 5 november 2015 weer op het werk zou verschijnen. [verzoekster] verscheen evenwel niet, noch meldde zij zich telefonisch ziek, doch zij zond die ochtend om 9.30 uur een appje dat ze ziek was.

De manager dagbesteding van Zozijn schreef haar op 9 november 2015: "Maandag 9 nov heb je nog steeds geen contract met mij gezocht en ben je niet op het werk verschenen, ook met de collega's van de dagbestedingsgroep heb je geen contact gezocht (…). Je afwezigheid, onbereikbaarheid en onduidelijkheid over wanneer je weer aanwezig bent leidt tot problemen in onze bedrijfsvoering. Doordat je mij als werkgever niet informeert over de duur van je afwezigheid, niet bereikbaar bent en de afspraken niet nakomt. Om de ontstane situatie met je te bespreken verwacht ik je op woensdag 11 november voor een gesprek," (prod. 7 verzoekschrift Zozijn). 3.9 Op 11 november 2015 zegde [verzoekster] het gesprek af. 3.10 Zozijn heeft [verzoekster] laten oproepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts van 16 november 2015.

Daar verscheen zij te laat. De bedrijfsarts oordeelt (prod. 9 verzoekschrift Zozijn): "er bestaat in medisch opzicht geen bezwaar tegen persoonlijk contact van betrokkene met (vertegenwoordigers van ) de werkgever. Advies is verder, om in dat gesprek ook concrete afspraken te maken over hoe nu verder met de terugkeer naar werk. Er is sprake geweest van een tijdelijke afname van de belastbaarheid; inmiddels neemt deze weer toe. Er is nu nog een lichte beperking t.a.v. conflicthantering, werken onder tijdsdruk en met de deadlines, veelvuldige storingen/onderbrekingen en intensieve samenwerking.

Naar verwachting kan betrokkene over een week gaan starten met halve dagen eigen werk (…)." 3.11 Op 23 november 2015 vond er een gesprek plaats tussen [verzoekster] en [C] . (prod. 12 verzoekschrift Zozijn). Blijkens het door Zozijn opgemaakte verslag van dit gesprek heeft Zozijn [verzoekster] een officiële waarschuwing gegeven en werd aangegeven dat [verzoekster] de volgende dag het voor halve dagen moest proberen, conform het advies van de bedrijfsarts. [verzoekster] verklaarde dat zij goed functioneerde en dat haar gedrag normaal is. 3.12 Nadat [verzoekster] op 24 november 2015 niet op het werk was verschenen, heeft Zozijn een loonsanctie opgelegd. 3.13 [verzoekster] heeft op 2 mei 2016 een dagvaarding uitgebracht tot doorbetaling van loon (prod. 38 verzoekschrift Zozijn). [verzoekster] heeft ook in dit kader een deskundigenoordeel van het UWV gevraagd.

De verzekeringsarts [D] schrijft op 12 februari 2016 (prod. 3 [verzoekster] ): "Na eigen onderzoek blijkt dat er ten tijde van de beoordeling door de bedrijfsarts, deze de klachten, bijbehorende diagnose en beperkingen goed heeft ingeschat en een adequaat re-integratieadvies heeft gegeven, inclusief het verwijzen naar de Steckr richtlijnen. De bedrijfsarts geeft tevens aan dat er geen reden is waarom cliënt en werkgever geen persoonlijk contact kunnen hebben. Ook hiermee ben ik het eens: de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid lag in de privésfeer op dat moment. (…) Eind november (24-11) gaat cliënt naar de huisarts en deze constateert ernstigere problematiek dan er tot dan aan de orde is geweest; er start een behandeling en uiteindelijk wordt cliënt doorverwezen naar de tweede lijn.

Ik ben van mening dat er op datum in geding sprake is van ernstigere problematiek dan eerder werd aangenomen. De werkgever kon hier geen weet van hebben wegens communicatieproblemen en cliënt heeft de mogelijkheid om bij de bedrijfsarts komen om haar moverende redenen laten lopen. Ik kom tot de conclusie dat er op aangenomen datum in geding (1-12-2015) sprake was van een ander medisch toestandsbeeld dan ten tijde van het oordeel van de bedrijfsarts en dat dit had geleid tot een ander belastbaarheidsprofiel dan daarvoor werd aangenomen. Cliënt heeft verzuimd om persoonlijk in contact te treden met werkgever, anders dan per email of sms.

Ik kan geen medische reden hiervoor aangeven: zij was niet continu in een toestand waarin dat onmogelijk was door bijvoorbeeld opname of om andere medische redenen niet in staat tot telefoneren.(…) 3.14 In het nadere rapport van 15 februari 2016 schrijft [D] nog dat wat betreft het niet verschijnen bij de bedrijfsarts werknemer het voordeel van de twijfel moet hebben omdat het ziektebeeld ertoe aanleiding kon geven dat zij tijdelijk en op dat moment niet in staat was om op het spreekuur te kunnen verschijnen. Zij had evenwel op een later moment wel contact op kunnen nemen om alsnog een beoordeling door de bedrijfsarts mogelijk te maken. 4Het verzoek aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan 4.1 Zozijn heeft de kantonrechter verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten (artikel 7:669 lid 3 sub e BW) zonder toekenning van enige vergoeding en subsidiair de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 sub g BW), ook zonder toekenning van een vergoeding, onder veroordeling van [verzoekster] in de kosten van de procedure. 4.2 [verzoekster] heeft in eerste aanleg geen verweerschrift met tegenverzoeken ingediend.

In haar pleitaantekeningen heeft zij het verzoek bestreden, subsidiair aanspraak gemaakt op de transitievergoeding en gesteld dat "men" per 1 januari 2016 recht heeft op een aanvulling op de transitievergoeding op basis van de CAO Gehandicaptenzorg, bij een dienstverband van 8 jaar ter grootte van € 34.948,45. 4.3 De kantonrechter heeft overwogen dat het verzoek geen verband houdt met een opzegverbod, geoordeeld dat de verwijtbaarheid aan de zijde van [verzoekster] op onderdelen niet is komen vast te staan en voor het overige onvoldoende is om een ontbinding op de e-grond te rechtvaardigen.

Het ontbreken van persoonlijk contact met een leidinggevende, het niet nakomen van de geldende ziekteverzuimregels en de moeizaam verlopen langdurige re-integratietrajecten hebben volgens de kantonrechter ertoe geleid dat de relatie tussen partijen verstoord is geraakt. Het gedeukte vertrouwen is na oktober 2014 niet voldoende hersteld. Volgens de kantonrechter is sprake van een duurzaam verstoorde verstandhouding tussen partijen, zodat in redelijkheid van de werkgever niet gevergd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst op de g-grond ontbonden per 1 juli 2016 en aan [verzoekster] de transitievergoeding toegekend.

Het garantierecht is ingevolge het bepaalde in artikel 15:2, tweede lid, van de CAO Gehandicaptenzorg niet van toepassing op [verzoekster] . 5De beoordeling in hoger beroep ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep en de wijziging van het verzoek 5.1 Zozijn heeft in haar verweerschrift betoogd dat [verzoekster] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar beroep, omdat hetgeen zij in haar beroepschrift vordert niet mogelijk is, gelet op het bepaalde in artikel 7:683 BW, derde lid. Zij heeft voorts gewezen op de uitspraak van dit hof van 13 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7301, waarin het hof heeft aangekondigd dat, een jaar na invoering van de Wet werk en zekerheid (Wwz), een coulante lezing van het petitum niet zonder meer verwacht mag worden. [verzoekster] heeft naar aanleiding van dit verweer haar verzoek gewijzigd. 5.2 Het hof stelt voorop dat de in artikel 359 lid 1 Rv besloten "twee-conclusieregel" meebrengt dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in het beroepschrift, dan wel, in een dagvaardingsprocedure, bij memorie van grieven dan wel (in het geval van een incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd (ECLI:NL:HR:2009:BI8771).

Op deze regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, zoals in genoemd arrest is aangegeven. Deze beperkingen gelden in de meeste gevallen ook voor eisvermeerderingen, omdat de meeste vermeerderingen van eis tevens nieuwe bezwaren tegen de beroepen uitspraak impliceren. Het hof stelt evenwel vast dat het gewijzigde verzoek zoals dat luidt na de akte tot wijziging van eis van 6 oktober 2016 materieel geen vermeerdering van eis bevat of anderszins stellingen bevat die als nieuwe grieven moeten worden aangemerkt, maar de facto neerkomt op een herformulering van eis om te voldoen aan het bepaalde van artikel 7:683 BW, derde lid.

In zoverre acht het hof dan ook geen beletsel aanwezig om de wijziging van het verzoek toelaatbaar te achten. Ook uit 's hofs uitspraak van 13 september 2016 vloeit niet voort dat de wijziging van het verzoek niet toelaatbaar zou zijn. In die uitspraak heeft het hof alleen aangekondigd dat een welwillende lezing van het petitum in Wwz-zaken niet langer regel zou zijn. Nog daargelaten dat het beroepschrift van [verzoekster] in deze zaak voor die uitspraak is ingediend moet die uitspraak gelezen worden als een aansporing om in nog niet op zitting geplaatste zaken het petitum zorgvuldig te formuleren en zo nodig aan te passen, hetgeen is geschied.

Dat dat is gebeurd naar aanleiding van opmerkingen van Zozijn, maak nog niet dat sprake is van strijd met een goede procesorde. Het hof zal dan ook in beginsel beschikken op het gewijzigde verzoek, evenwel met inachtneming van hetgeen hieronder nog volgt. De vraag of een beroepschrift met een niet toewijsbaar petitum leidt tot niet-ontvankelijkverklaring of tot afwijzing van het hoger beroep kan in dit licht onbeantwoord blijven. 5.3 Het voorgaande betekent evenwel niet dat het hof het gehele verzoek zoals dat bij de akte tot wijziging van eis te zijner beoordeling is voorgelegd daadwerkelijk kan beoordelen. [verzoekster] heeft in eerste aanleg geen verweerschrift ingediend en derhalve ook geen zelfstandig tegenverzoek ingesteld.

Haar subsidiaire verzoek in hoger beroep om haar, ingeval de arbeidsovereenkomst niet wordt hersteld, naast de transitievergoeding ook de garantieregeling uit de CAO Gehandicaptenzorg tot een bedrag van € 34.948,45 toe te kennen, is niet toelaatbaar gelet op het bepaalde in artikel 362 Rv dat niet voor het eerst in hoger beroep een zelfstandig tegenverzoek kan worden gedaan. Het hof verwerpt het standpunt van [verzoekster] dat haar pleitaantekeningen in eerste aanleg als een zelfstandig tegenverzoek moeten worden aangemerkt. Daarin wordt weliswaar over de CAO Gehandicaptenzorg gerept maar een duidelijk verzoek om een concreet bedrag aan [verzoekster] toe te kennen ontbreekt daarin. met betrekking tot de grieven 5.4 De grieven richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een ernstige verstoorde arbeidsverhouding.

Voorts beroept [verzoekster] zich op het opzegverbod van artikel 7:670 BW. 5.5 Het hof overweegt aangaande de verstoorde verhoudingen als volgt. Uit artikel 7:669 lid 3 aanhef en sub g BW bezien in samenhang met artikel 7:671b lid 1 aanhef en sub a BW, volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst kan ontbinden indien sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het hof heeft ter zitting geconstateerd dat [verzoekster] alle krediet bij de ter zitting aanwezig leidinggevenden van Zozijn heeft opgebruikt.

In het bijzonder de strijd over het bij voortduring niet-naleven door [verzoekster] van de verzuimregels heeft ertoe geleid dat Zozijn een terugkeer van [verzoekster] niet meer zag zitten. Ter zitting heeft Zozijn onderstreept dat de betrouwbaarheid van [verzoekster] in het geding is, dat er met haar geen afspraken gemaakt kunnen worden terwijl, juist gelet op haar werk als zorgondersteuner, het van groot belang is dat zij er "staat" wanneer zij is ingeroosterd. Zozijn heeft er voorts op gewezen dat in de diverse procedures die er inmiddels tussen partijen zijn gevoerd, [verzoekster] weigerde om haar leidinggevende de hand te drukken. 5.6 Het hof overweegt voorts dat uit de hiervoor onder 3.3 tot en met 3.5 gememoreerde bescheiden voldoende blijkt van de moeizame relatie die partijen al jaren onderhouden.

In 2014-2015 is er gedurende ongeveer een jaar sprake geweest van enigszins genormaliseerde verhoudingen, doch ook in die periode is van voldoende vertrouwen in elkaar geen sprake geweest. Het hof wijst er in dat verband op dat uit de door [verzoekster] in het geding gebrachte medische gegevens blijkt van problemen op het persoonlijke vlak, die onder meer samenhangen met de teelt van weed in haar woning - naar zij stelt onder bedreiging - en de daarmee samenhangende dreigende huisuitzetting. Over deze problemen, die volgens haar debet waren aan de escalatie van de problemen in de verstandhouding met Zozijn in november 2015, heeft zij Zozijn nimmer willen inlichten. 5.7 In november 2015 is het tot een nieuwe eruptie gekomen in de relatie van [verzoekster] met Zozijn, met als directe oorzaak het niet verschijnen door [verzoekster] op een verplichte bedrijfscursus.

Hoewel de hyperventilatieklachten van [verzoekster] in de gebeurtenissen van november zeker een rol spelen, blijkt uit de door haar in het geding gebrachte medische gegevens dat de psychische problemen waaraan zij leed, althans zeker in de eerste periode van november 2015, niet werk gerelateerd waren en samenhingen met persoonlijke problemen, waaronder de hiervoor gememoreerde weedteelt en daaruit voortvloeiende problemen, waarover zij noch naar Zozijn noch ter zitting bij het hof openheid heeft willen verschaffen. Nadat Zozijn over was gegaan tot looninhouding hebben de psychische klachten ook een werk gerelateerde inhoud gekregen. [verzoekster] heeft, desgevraagd, ter zitting ook niet kunnen aangeven op welke wijze zij zich voorstelde weer binnen Zozijn aan de slag te gaan en hoe zij het wantrouwen jegens haar bij Zozijn zou kunnen wegnemen. 5.8 Het hof acht op grond van het bovenstaande voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding.

De grieven 1 en 3 treffen geen doel. 5.9 Het hof verwerpt het beroep van [verzoekster] dat een en ander het gevolg is van haar ziekte en dat zij op die grond ontslagbescherming geniet. Het hof wijst erop dat het opzegverbod tijdens ziekte (artikel 7:670 BW) niet absoluut is geformuleerd. Artikel 7:670a BW, eerste lid, bepaalt dat het opzegverbod niet geldt bij de daar geregelde gevallen waarin de werknemer zich niet houdt aan de voorschriften betreffende ziekmelding en re-integratie. Bij ontbinding bepaalt artikel 7:671b, zesde lid, dat het opzegverbod aan ontbinding niet in de weg hoeft te staan als er - toegespitst op deze zaak - geen verband bestaat tussen de ziekte en de slechte arbeidsverhouding. 5.10 Zozijn heeft aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd dat [verzoekster] zich bij herhaling niet heeft gehouden aan de regels omtrent ziekmelding.

Dat [verzoekster] bij een ziekmelding niet mocht volstaan met een sms'je of een appje maar met haar leidinggevende moest bellen, was [verzoekster] voldoende bekend naar ook blijkt uit het dossier (het hof verwijst naar de reeds in 2010 daarover uitdrukkelijk gemaakte afspraken, overgelegd als prod. 30 bij het inleidende verzoek). Uit de overgelegde rapporten van de verzekeringsgeneeskundige [D] - hiervoor onder 3.13 en 3.14 geciteerd - blijkt niet dat [verzoekster] , psychisch dan wel fysiek, niet in staat was om telefonische contacten te onderhouden met Zozijn en, zo zij op enige moment fysiek al niet in staat was om bij de bedrijfsarts te verschijnen, een nieuwe afspraak met de bedrijfsarts te maken teneinde een nader onderzoek mogelijk te maken.

Het hof merkt in dit verband voorts nog op dat ter zitting van het hof is gebleken dat de opname in de tweedelijns psychische zorg, waarover de verzekeringsarts [D] rept, nimmer heeft plaatsgevonden en naar verwachting ook niet meer zal plaatsvinden. 5.11 Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de ziekmelding van [verzoekster] per 24 november 2015 aan de toewijzing van de ontbinding niet in de weg staat, nu deze betrekking heeft op het zich niet houden aan ziekmeldingsvoorschriften en controlevoorschriften in november 2015 welke gerelateerd zijn aan soortgelijke overtredingen vóór 2014.

Deze voortdurende overtreding van de voorschriften heeft geleid tot de verstoorde arbeidsrelatie, niet de ziekteklachten van [verzoekster] als zodanig. 5.12 Grief 2 is tevergeefs voorgesteld. 5.13 Grief 4 ontbeert zelfstandige betekenis en deelt het lot van de voorgaande grieven. Datzelfde lot treft grief 5 die betrekking heeft op de kostenveroordeling. 5.14 Grief 6, ten slotte, ziet op de overweging van de kantonrechter dat het garantierecht zoals verwoord in de COA Gehandicaptenzorg 2016 niet van toepassing is op [verzoekster] . Het hof overweegt dat artikel 15:1 van genoemde CAO bepaalt dat de voormalige wachtgeldregeling uit voorgaande versies van de CAO Gehandicaptenzorg is vervallen en is vervangen door het garantierecht.

Het tweede lid van dat artikel stelt dat de werknemer recht heeft op een aanvulling op de transitievergoeding als aan de voorwaarden van artikel 15:2 wordt voldaan. Artikel 15:2, tweede lid, bepaalt dat het garantierecht van toepassing is op de werknemer met een dienstverband voor onbepaalde tijd, die uitsluitend wordt ontslagen wegens a. vermindering/ beëindiging van werk of reorganisatie of b. onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid voor de in de instelling te vervullen functie die niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, als gevolg van ontwikkelingen in de organisatie of ten aanzien van zijn functie dan wel beroep, die buiten de persoon van de werknemer liggen, waarbij arbeidsongeschiktheid niet wordt verstaan onder onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid.

De ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen Zozijn en [verzoekster] heeft niet plaatsgevonden op één van de in artikel 15:2 van de CAO genoemde gronden. Daarmee strandt ook grief 6. De slotsom 5.15 Alle grieven falen. Het hof zal de aangevochten beschikking, met aanvulling van gronden, bekrachtigen en [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaren in haar subsidiaire verzoek. Het hof zal [verzoekster] als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten zullen tot aan deze beschikking aan de zijde van Zozijn worden vastgesteld op € 718,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten, tarief II).

6De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep: verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar subsidiaire verzoek; bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle) van 31 mei 2016, onder aanvulling van gronden; veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van Zozijn vastgesteld op € 718,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking; verklaart deze beschikking, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad; wijst af wat meer of anders is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, M.E.L. Fikkers en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 december 2016.