Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHARL:2015:683 ECLI:NL:GHARL:2015:683 AI generated

ECLI:NL:GHARL:2015:683 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Case Number ECLI:NL:GHARL:2015:683
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Parketnummer hoger beroep: 21-006035-14 Parketnummer eerste aanleg: 16-701965-13 3 februari 2015 GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN LOCATIE LEEUWARDEN Afwijzing vordering verlenging gevangenhouding Het hof heeft gezien de vordering van de advocaat-generaal d.d. 23 januari 2015, strekkende tot verlenging van de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding van: [verdachte], geboren op [1980] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres], thans verblijvende in de P.I. Flevoland - HvB Almere Binnen te Almere. Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal, de verdachte en diens raadsman mr.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:GHARL:2015:683 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: Voorts ziet het hof in deze zaak, waarin de voorlopige hechtenis voorafgaande aan het vonnis van de rechtbank gedurende meer dan een jaar geschorst is geweest, onvoldoende aanleiding om de verlenging van de gevangenhouding van de verdachte te baseren op de in artikel 75, eerste lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering genoemde grond, verband houdende met het veroordelende vonnis van de rechtbank. Naar het oordeel van het hof zijn er onvoldoende argumenten aanwezig waarom verdachte niet in vrijheid de berechting in hoger beroep mag afwachten.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Parketnummer hoger beroep: 21-006035-14 Parketnummer eerste aanleg: 16-701965-13 3 februari 2015 GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN LOCATIE LEEUWARDEN Afwijzing vordering verlenging gevangenhouding Het hof heeft gezien de vordering van de advocaat-generaal d.d. 23 januari 2015, strekkende tot verlenging van de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding van: [verdachte], geboren op [1980] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres], thans verblijvende in de P.I. Flevoland - HvB Almere Binnen te Almere. Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal, de verdachte en diens raadsman mr.

C.J. Nierop, advocaat te Amsterdam. De raadsman heeft tijdens de behandeling in raadkamer een mondeling verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte gedaan. Overwegingen Voornoemd bevel tot gevangenhouding is gegeven bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 7 augustus 2013, en is laatstelijk verlengd d.d. 18 september 2013. Uit het onderzoek in raadkamer en de daar door de advocaat-generaal overgelegde stukken betreffende de tijd die de verdachte feitelijk in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, is het hof gebleken dat het bevel tot gevangenhouding ingevolge het bepaalde in artikel 66, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering - (onder meer) in verband met de omstandigheid dat dat de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst is geweest naar aanleiding van de beslissing van de rechtbank van 8 oktober 2013 - van kracht is tot 6 februari 2015.

Het hof overweegt ten aanzien van de vordering tot verlenging van de gevangenhouding, dat de gronden waarop het bevel tot verlenging van de gevangenhouding berust, thans niet (meer) aanwezig zijn. De in dat bevel genoemde 6-jaars recidivegrond acht het hof niet aanwezig, gelet op de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis van de verdachte geruime tijd geschorst is geweest, terwijl niet gebleken is van nieuwe strafbare feiten die in die periode zijn gepleegd. Het hof acht de onderzoeksgrond, gegeven het feit dat de rechtbank de strafzaak ter openbare terechtzitting inhoudelijk heeft behandeld, op dit moment ook niet meer aanwezig.

Voorts ziet het hof in deze zaak, waarin de voorlopige hechtenis voorafgaande aan het vonnis van de rechtbank gedurende meer dan een jaar geschorst is geweest, onvoldoende aanleiding om de verlenging van de gevangenhouding van de verdachte te baseren op de in artikel 75, eerste lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering genoemde grond, verband houdende met het veroordelende vonnis van de rechtbank. Naar het oordeel van het hof zijn er onvoldoende argumenten aanwezig waarom verdachte niet in vrijheid de berechting in hoger beroep mag afwachten.

Gelet op het voorgaande zal het hof de vordering tot verlenging van de gevangenhouding van de verdachte afwijzen. Het hof acht geen termen aanwezig om het in raadkamer gedane verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis toe te wijzen, nu in dat verzoek onvoldoende is onderbouwd waarom de persoonlijke belangen van de verdachte ertoe nopen dat gedurende de resterende dagen van de geldigheidsduur van de (verlengde) gevangenhouding - tot 6 februari 2015 derhalve - de voorlopige hechtenis dient te worden geschorst. Derhalve zal het hof dat verzoek afwijzen.

BESCHIKKING HET GERECHTSHOF: wijst de vordering van de advocaat-generaal tot verlenging van de gevangenhouding van de verdachte af; wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Aldus gewezen op 3 februari 2015 door mr. W.M. van Schuijlenburg als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E. Verdoorn als griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier voornoemd. De advocaat-generaal gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beschikking en brengt deze ter kennis van verdachte. Leeuwarden, de advocaat-generaal,