Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHAMS:2012:BX3119 ECLI:NL:GHAMS:2012:BX3119 AI generated

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX3119 · Gerechtshof Amsterdam

Case Number ECLI:NL:GHAMS:2012:BX3119
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het geding in hoger beroep 1.1. Op 3 april 2012 heeft het hof in deze zaak een tussenarrest gewezen, waarnaar het hof verwijst. 1.2. De behandeling is voortgezet ter terechtzitting van 8 mei 2012. Ter zitting is niemand verschenen. De ontvankelijkheid van het hoger beroep 2.1. Bij genoemd tussenarrest zijn appellanten in de gelegenheid gesteld hun hoger beroep nader te onderbouwen ondermeer met betrekking tot het overschrijden van de termijn ex artikel 3 jo 15b Fw en de gestelde goeder trouw met betrekking tot de belasting- en CJIB-schulden. 2.2. Appellanten zijn echter niet op de nadere behandeling verschenen en hebben ook anderszins niet na het wijzen van het tussenarrest van zich laten horen. 2.3. Het hof is van oordeel dat nu appellanten enkel als grond in hun hoger beroepschrift van 30 januari 2012 hebben geformuleerd dat de schulden wel degelijk te goeder trouw zijn, zonder dit nader te onderbouwen niet is voldaan aan het vereiste ex artikel 359 in samenhang met artikel 278, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat het beroepschrift een duidelijke omschrijving van de gronden bevat waarop het hoger beroep berust.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:GHAMS:2012:BX3119 · Gerechtshof Amsterdam: Het geding in hoger beroep 1.1. Op 3 april 2012 heeft het hof in deze zaak een tussenarrest gewezen, waarnaar het hof verwijst. 1.2. De behandeling is voortgezet ter terechtzitting van 8 mei 2012. Ter zitting is niemand verschenen. De ontvankelijkheid van het hoger beroep 2.1. Bij genoemd tussenarrest zijn appellanten in de gelegenheid gesteld hun hoger beroep nader te onderbouwen ondermeer met betrekking tot het overschrijden van de termijn ex artikel 3 jo 15b Fw en de gestelde goeder trouw met betrekking tot de belasting- en CJIB-schulden. 2.2. Appellanten zijn echter niet op de nadere behandeling verschenen en hebben ook anderszins niet na het wijzen van het tussenarrest van zich laten horen. 2.3. Het hof is van oordeel dat nu appellanten enkel als grond in hun hoger beroepschrift van 30 januari 2012 hebben geformuleerd dat de schulden wel degelijk te goeder trouw zijn, zonder dit nader te onderbouwen niet is voldaan aan het vereiste ex artikel 359 in samenhang met artikel 278, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat het beroepschrift een duidelijke omschrijving van de gronden bevat waarop het hoger beroep berust.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST van 5 juni 2012 in de zaak met zaaknummer 200.101.213/01 van: X, Y, APPELLANTEN, advocaat: mr. S. van Dijk te Hilversum.

1. Het geding in hoger beroep 1.1. Op 3 april 2012 heeft het hof in deze zaak een tussenarrest gewezen, waarnaar het hof verwijst. 1.2. De behandeling is voortgezet ter terechtzitting van 8 mei 2012. Ter zitting is niemand verschenen.

2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep 2.1. Bij genoemd tussenarrest zijn appellanten in de gelegenheid gesteld hun hoger beroep nader te onderbouwen ondermeer met betrekking tot het overschrijden van de termijn ex artikel 3 jo 15b Fw en de gestelde goeder trouw met betrekking tot de belasting- en CJIB-schulden. 2.2. Appellanten zijn echter niet op de nadere behandeling verschenen en hebben ook anderszins niet na het wijzen van het tussenarrest van zich laten horen. 2.3. Het hof is van oordeel dat nu appellanten enkel als grond in hun hoger beroepschrift van 30 januari 2012 hebben geformuleerd dat de schulden wel degelijk te goeder trouw zijn, zonder dit nader te onderbouwen niet is voldaan aan het vereiste ex artikel 359 in samenhang met artikel 278, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat het beroepschrift een duidelijke omschrijving van de gronden bevat waarop het hoger beroep berust.

Bij gebreke van deze omschrijving van de gronden in het beroepschrift dienen appellanten in hun hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. 2.4. Gelet op het voren overwogene wordt als volgt beslist.

3. De beslissing Het hof: - verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroep. Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, R.H. de Bock en M.W.E. Koopmann en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 5 juni 2012 in tegenwoordigheid van de griffier. Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.