Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2026:786 ECLI:NL:CRVB:2026:786 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:786 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2026:786
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

26/304 PW, 26/305 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van6 januari 2026, 24/4474 en 25/283 Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas (college) Datum uitspraak: 16 juni 2026 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:24 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2026:786 · Centrale Raad van Beroep: De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Keywords

AI generated
artikel 6:24 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:24 van de Awb
Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

26/304 PW, 26/305 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van6 januari 2026, 24/4474 en 25/283 Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas (college) Datum uitspraak: 16 juni 2026 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.

OVERWEGINGEN In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden. Bij brief van 12 maart 2026 is appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Bij aangetekende brief van 13 april 2026 is aan appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen.

Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld. Via e-mailbericht van 22 april 2026 heeft appellante de Raad verzocht om uitstel voor het indienen van de beroepsgronden. Bij aangetekende brief van 29 april 2026 heeft de Raad dit uitstel verleend en appellante in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na datum van die brief de gronden van het hoger beroep in te dienen. Daarbij is appellante erop gewezen dat nader uitstel niet verleend zal worden en dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.

De in de brief gestelde termijn eindigde aldus op 27 mei 2026. Appellante heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Op 5 juni 2026 zijn aanvullende gronden ontvangen. Dit is buiten de door de Raad gestelde termijn. Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor het verzuim van het niet tijdig indienen van de hogerberoepsgronden. Het hoger beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026. (getekend) C.F.E. van Olden-Smit (getekend) A. Giesen Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.