Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2026:782 ECLI:NL:CRVB:2026:782 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:782 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2026:782
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 232144 PW-PV-S Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek tot veroordeling van schade Partijen: [appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 9 juni 2026 Zitting hebben: P.W. van Straalen als voorzitter, W.A. Timmer en D.H. Harbers als leden Griffier: R.R. Olde Engberink Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. T.S. Brinkman, kantoorgenoot van mr. N. Velthorst. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 467,-.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:782 · Centrale Raad van Beroep: Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Verzoekers hebben ter zitting van de Raad op 9 juni 2026 het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 juni 2023, 21/3293 en 22/1623 ingetrokken. Wel hebben zij verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 232144 PW-PV-S Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek tot veroordeling van schade Partijen: [appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 9 juni 2026 Zitting hebben: P.W. van Straalen als voorzitter, W.A. Timmer en D.H. Harbers als leden Griffier: R.R. Olde Engberink Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. T.S. Brinkman, kantoorgenoot van mr. N. Velthorst. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 467,-.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Verzoekers hebben ter zitting van de Raad op 9 juni 2026 het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 juni 2023, 21/3293 en 22/1623 ingetrokken. Wel hebben zij verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd.

De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tegen het intrekkings- en terugvorderingsbesluit door het college op 9 maart 2021 tot aan deze uitspraak zijn vijf jaar en drie maanden verstreken. In de zaak zelf en ook in de opstelling van verzoekers zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen.

De redelijke termijn is dus met ruim een jaar overschreden. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Dat betekent dat de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan verzoekers van € 1.500,-. Verzoekers krijgen van de Staat ook een vergoeding van de kosten die zij hebben moeten maken voor het indienen van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Deze kosten worden vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om vergoeding van schade, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5). Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer (getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) P.W. van Straalen