ECLI:NL:CRVB:2026:682 · Centrale Raad van Beroep
Legislator summary
AI generatedCentrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 maart 2025, 24/4868 Partijen: [appellant] en de erven van [naam] te [woonplaats] (appellanten) het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren (college) Datum uitspraak: 26 mei 2026 PROCESVERLOOP Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. OVERWEGINGEN In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten.
Legislator headnote
AI generatedartikel 6:24 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2026:682 · Centrale Raad van Beroep: OVERWEGINGEN In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 maart 2025, 24/4868 Partijen: [appellant] en de erven van [naam] te [woonplaats] (appellanten) het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren (college) Datum uitspraak: 26 mei 2026 PROCESVERLOOP Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. OVERWEGINGEN In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten.
Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Het ingediende beroepschrift van 23 april 2025 bevat geen gronden. Bij brief van 5 juni 2025 zijn appellanten in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Appellanten hebben deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Bij aangetekende brief van 7 juli 2025 is aan appellanten nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en zijn appellanten erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Appellanten hebben ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026. (getekend) C.F.E. van Olden-Smit (getekend) A.
Giesen Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.