Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2026:67 ECLI:NL:CRVB:2026:67 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:67 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2026:67
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Datum uitspraak: 20 januari 2026 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2024, 23/5977, 23/5978, 23/5980, 23/5982, 23/5993, 23/5995 en 23/5996 V (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal (dagelijks bestuur) SAMENVATTING In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank op het verzet van appellant. Tegen die uitspraak kan in beginsel geen hoger beroep worden ingesteld (appelverbod).

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CRVB:2026:67 · Centrale Raad van Beroep: Met een uitspraak van 28 november 2023 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de beroepen van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant – die niet was vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van het griffierecht – het griffierecht in die beroepsprocedures niet heeft betaald. Tegen deze uitspraak heeft appellant verzet gedaan. Op 23 mei 2024 heeft de verzetrechter van de rechtbank appellant op een zitting gehoord. Vervolgens heeft de rechtbank op 4 juli 2024 de aangevallen uitspraak gedaan.

Keywords

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2025:401
24/1796 PW-VV, 24/2182 PW-VV, 24/2183 PW-VV, 24/2184 PW-VV, 24/2185 PW-VV, 24/2186 PW-VV, 24/2187 PW-VV Datum uitspraak: 4 februari 2025 Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal (dagelijks bestuur) SAMENVATTING In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek hangt samen met een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank op het verzet van verzoeker tegen een uitspraak die de rechtbank had gedaan zonder verzoeker op een zitting te hebben gehoord.
ECLI:NL:RVS:2025:3447
202107683/1/A3, 202201038/1/A3, 202204890/1/A3, 202206142/1/A3, 202301109/1/A3, 202302243/1/A3, 202302528/1/A3, 202303556/1/A3, 202303902/1/A3, 202305270/1/A3, 202400576/1/A3, 202400582/1/A3, 202404154/1/A3, 202406229/1/A3, 202407346/1/A3, 202407350/1/A3 en 202501303/1/A3. Datum uitspraak: 23 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraken van (de voorzieningenrechter van) de rechtbank Rotterdam van 2 september 2021 in zaak nr. 20/5258, 2 augustus 2022 in zaak nr. 20/5935, 2 februari 2022 in zaak nr. 21/3497, 18 oktober 2022 in zaak nr. 22/737, 17 februari 2023 in zaak nr. 21/6224, 3 mei 2023 in zaak nrs. 20/3215, 20/4903, 20/5128, 20/6918, 20/6919, 20/6920, 20/6921, 21/603, 21/449, 21/2151, 21/2351, 21/3043, 21/3809, 21/3858, 21/4841, 21/4853, 21/6026, 22/771, 22/939, 22/1614, 22/4825, 22/4826, 22/2316, 22/3454 en 22/4411, 9 mei 2023 in zaak nr. 22/3883, 22 januari 2024 in zaak nr. 23/4554, 4 oktober 2024 in zaak nr. 23/2279, 15 november 2024 in zaak nrs. 22/801, 22/1032, 22/1921, 22/3504, 22/5208, 22/5209, 22/5395, 22/5414, 22/5480, 22/5593, 23/1268, 23/1269, 23/1292, 23/3116, 23/3117, 23/3118, 23/3119, 23/3120, 23/3121, 23/3122, 23/3295, 23/5108, 23/5473, 23/5517, 23/5519, 23/5520, 23/6915, 23/6994, 23/7025, 23/7314, 23/7881 en 24/101 en 21 november 2024 in zaak nrs. 24/7672 en 24/7673, de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 april 2023 in zaak nr. 22/4956, de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juli 2023 in zaak nr. 22/3421, 5 januari 2024 in zaak nr. 22/5736 en 25 juni 2024 in zaak nr. 23/5026 en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2025 in zaak nr. 24/4009 in de gedingen tussen: [appellant] en de korpschef, de minister (nu: de staatssecretaris) van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht, het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel, het Drechtstedenbestuur, de Commissie Werkelijke Schade, het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, de minister (nu: de staatssecretaris) voor Rechtsbescherming, de hoofdofficier van justitie, de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, VGZ Zorgkantoor BV, het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal, het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort, de raad van de gemeente Almere en de burgemeester van Amsterdam en uitspraak op het verzoek van [appellant], verzoeker, om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna:
ECLI:NL:RBOBR:2025:5569
Uw mailbericht van 3 april 10:53 uur: a.
ECLI:NL:CRVB:2022:105
21491 PW, 21/492 PW Datum uitspraak: 18 januari 2022 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 november 2020, 20/570 en 20/1728 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het Drechtstedenbestuur (bestuur) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2021. Appellant is verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Rombouts en J.W. van Marle.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Datum uitspraak: 20 januari 2026 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2024, 23/5977, 23/5978, 23/5980, 23/5982, 23/5993, 23/5995 en 23/5996 V (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal (dagelijks bestuur) SAMENVATTING In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank op het verzet van appellant. Tegen die uitspraak kan in beginsel geen hoger beroep worden ingesteld (appelverbod).

Voor doorbreking van het appelverbod ziet de Raad in deze zaak geen aanleiding, zodat hij onbevoegd is om van het hoger beroep kennis te nemen. Appellant krijgt dus geen gelijk. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Met een uitspraak van 4 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Raad dat verzoek afgewezen. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 november 2025. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Met een brief van 21 november 2025 heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat die keuze is gebaseerd op de wijze waarop appellant zijn medewerkers en gemachtigden bejegent en schoffeert. Volgens het dagelijks bestuur schroomt appellant niet om die medewerkers en gemachtigden digitaal in hun privéleven te benaderen en/of een tuchtzaak te beginnen, wat het dagelijks bestuur belemmert in de uitoefening van het werk en het verkrijgen van procesondersteuning. De handelswijze van appellant wordt daarnaast door diverse medewerkers als onveilig ervaren.

Deze zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaken met kenmerk 22/3981 BBZ en 23/2928 TONK. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant heeft op 27, 28 en 30 november 2022 en 3, 7, 9 en 14 december 2022 bij het dagelijks bestuur aanvragen ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand. Appellant heeft beroepen bij de rechtbank ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op die aanvragen door het dagelijks bestuur. 1.2.

Met een uitspraak van 28 november 2023 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de beroepen van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant – die niet was vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van het griffierecht – het griffierecht in die beroepsprocedures niet heeft betaald. Tegen deze uitspraak heeft appellant verzet gedaan. Op 23 mei 2024 heeft de verzetrechter van de rechtbank appellant op een zitting gehoord. Vervolgens heeft de rechtbank op 4 juli 2024 de aangevallen uitspraak gedaan.

Uitspraak van de rechtbank 2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de verzetrechter heeft de rechtbank op 28 november 2023 uitspraak kunnen doen zonder appellant te horen, omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk waren. Aan appellant is op goede gronden geen ontheffing van betaling van het griffierecht verleend wegens misbruik van recht en appellant heeft vervolgens het met die procedures gemoeide griffierecht niet betaald. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens.

Appellant heeft, samengevat weergegeven, aangevoerd dat sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen, dat de correspondentie door het dagelijks bestuur moedwillig naar een verkeerd adres wordt verstuurd, dat de naam van de behandelend rechter in de correspondentie van de rechtbank ten onrechte niet is genoemd, dat hij voor verletkosten ten onrechte geen vergoeding heeft gekregen en dat zijn verzoek om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht ten onrechte is afgewezen. Daarnaast heeft appellant, ook ter zitting, nog een aantal verzoeken gedaan, waaronder verplichte inschakeling van een mediator en om het horen van getuigen en het inschakelen van een deskundige.

Het oordeel van de Raad Verzoek om verplichte mediation 4.1. Appellant heeft tijdens de zitting te kennen gegeven dat hij veel procedures heeft lopen en dat daarmee grote financiële belangen voor hem zijn gemoeid. Appellant wil graag een oplossing voor alle geschillen, desnoods via een verplicht mediationtraject. De Raad begrijpt deze wens van appellant, alsook zijn frustratie dat het maar niet lukt om de geschillen met het dagelijks bestuur op te lossen. De Raad heeft daarbij kennisgenomen van het gegeven dat appellant vele procedures voert, zoals blijkt uit bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 juli 2025 en van de rechtbank Oost-Brabant van 4 september 2025.

De Raad wijst er echter op dat het dagelijks bestuur, zoals volgt uit zijn onder het procesverloop weergegeven handelswijze, kennelijk niet open staat voor een mediationtraject. Voor een verplicht mediationtraject ontbreekt daarnaast op dit moment een wettelijke grondslag. Doorbreking appelverbod 4.2. De aangevallen uitspraak is een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Daartegen kan op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb geen hoger beroep worden ingesteld. Voor doorbreking van dit zogenoemde appelverbod kan volgens vaste rechtspraak grond bestaan indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. 4.3.

Appellant heeft weliswaar gesteld dat sprake is van diverse schendingen van fundamentele rechtsbeginselen, maar hij heeft in dit verband alleen concreet het recht op toegang tot de rechter genoemd. Dat de verzetrechter van de rechtbank dat recht heeft geschonden, kan de Raad niet volgen. Appellant heeft in zowel de beroeps- als de verzetprocedure bij de rechtbank namelijk toegang gehad tot de rechter. En de verzetrechter van de rechtbank heeft appellant in de gelegenheid gesteld om op een zitting zijn standpunten naar voren te brengen alvorens uitspraak te doen.

Appellant heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzetrechter van de rechtbank de eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen niet heeft gerespecteerd. 4.4. De overige beroepsgronden zien, anders dan appellant meent, niet op een onderbouwing van het standpunt dat sprake is van een schending van fundamentele rechtsbeginselen, maar op de juistheid van de aangevallen uitspraak of de daaraan onderliggende uitspraak. Conclusie en gevolgen 5. Er is in dit geval geen grond voor doorbreking van het appelverbod.

De Raad zal zich daarom onbevoegd verklaren. Dat betekent dat de Raad niet kan oordelen over het hoger beroep en ook niet over de verzoeken van appellant, zoals genoemd aan het eind van 3.

6. Appellant krijgt geen vergoeding voor zijn proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal als voorzitter en A.M. Overbeeke en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026. (getekend) E.C.E. Marechal (getekend) M.S. van Veller ECLI:NL:CRVB:2025:401. ECLI:NL:RVS:2025:3447. ECLI:NL:RBOBR:2025:5569. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:105.