Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2026:579 ECLI:NL:CRVB:2026:579 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:579 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2026:579
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

20/3274 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 september 2020, 19/6098 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Datum uitspraak: 13 mei 2026 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2026:579 · Centrale Raad van Beroep: Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Proceskosten Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 15 januari 2026 aan haar bezwaren tegemoet is gekomen. Omdat het Uwv al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.

Keywords

AI generated
artikel 8:75 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2025:990
19/2748 WIA-T Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 juni 2019, 18/2291 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 17 juli 2025 SAMENVATTING Deze zaak gaat over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellante per 13 juni 2018 een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante heeft aangevoerd dat bij haar sprake is van ME/CVS.
ECLI:NL:CRVB:2025:991
20/4405 WIA-T Datum uitspraak: 17 juli 2025 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 december 2020, 19/1385 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Deze zaak gaat over de vraag of het Uwv de WIA-uitkering van appellante terecht met ingang van 31 juli 2019 heeft beëindigd. Appellante heeft aangevoerd dat bij haar niet alleen sprake is van een whiplash maar ook van ME/CVS.
ECLI:NL:CRVB:2025:992
22/3540 WIA-T Datum uitspraak: 17 juli 2025 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 oktober 2022, 21/2066 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Deze zaak gaat over de vraag of het Uwv terecht appellante geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat bij appellante met ingang van 14 september 2020 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 14 oktober 2015.
ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009
05/1789 WAO 08/4026 WAO-S Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het verzoek om schadevergoeding van: [Betrokkene], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: betrokkene) met als partijen: betrokkene en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat) Datum uitspraak: 26 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2003, 03/3543, in het geding tussen betrokkene en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna:
ECLI:NL:CRVB:2022:91
18 5288 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Datum uitspraak: 11 januari 2022 Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2018, 18/1196 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N. Aydogdu hoger beroep ingesteld.
ECLI:NL:HR:2016:252
19 februari 2016 nr. 14/03907 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenaam van [A] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 juli 2014, nr. BK-13/00675, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. AWB 10/2071‑isv) betreffende het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

20/3274 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 september 2020, 19/6098 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Datum uitspraak: 13 mei 2026 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De Raad heeft het Uwv gevraagd of de tussenuitspraken van 17 juli 2025 over de vaststelling van de belastbaarheid in arbeid van werknemers met ME/CVS aanleiding geven om in deze zaak tot een ander standpunt te komen. Het Uwv heeft op 15 januari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellante heeft tevens verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. Het Uwv heeft te kennen gegeven zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten, zoals door appellante is verzocht, en zich ten aanzien van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te refereren aan het oordeel van de Raad. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd.

Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Proceskosten Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 15 januari 2026 aan haar bezwaren tegemoet is gekomen. Omdat het Uwv al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.

Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, met een waarde van € 934,-), in totaal € 2.802,- voor verleende rechtsbijstand.

Ook de kosten die appellante heeft moeten maken voor de door haar ingediende rapporten van Cardiozorg, tot een bedrag van in totaal € 2.653,83 (inclusief omzetbelasting), komen voor vergoeding in aanmerking. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.

De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Als een tegemoetkomend besluit is genomen, eindigt de redelijke termijn op het moment dat dit besluit is bekendgemaakt. Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante op 12 april 2019 tot aan de bekendmaking van het besluit van 15 januari 2026 heeft de procedure zes jaar en ruim negen maanden geduurd.

In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en ruim negen maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.000,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv bijna zeven maanden geduurd en heeft de behandeling in de rechterlijke fase zes jaar en bijna twee maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.

Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 88,24 (1/34e deel van € 3.000,-) en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 2.911,76 (33/34e deel van € 3.000,-). Aanleiding bestaat het Uwv en de Staat ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellante ter zake van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt met een waarde per punt van € 934,-, met wegingsfactor 0,5) voor het indienen van het verzoek, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 233,50. Het totale bedrag aan proceskosten dat het Uwv moet betalen komt hiermee uit op € 5.689,33. Griffierecht Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.911,76; - veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 88,24; - veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50; - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 5.689,33; - bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026. (getekend) T. Dompeling (getekend) M.G.J. van Eck CRvB 17 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:990, ECLI:NL:CRVB:2025:991 en ECLI:NL:CRVB:2025:992. Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009. Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.