ECLI:NL:CRVB:2026:427 · Centrale Raad van Beroep
Legislator summary
AI generated25/2430 WMO15 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/2430 WMO15 Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van11 september 2025, 23/3670 Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college) Datum uitspraak: 15 april 2026 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Legislator headnote
AI generatedartikel 6:24 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2026:427 · Centrale Raad van Beroep: De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
25/2430 WMO15 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/2430 WMO15 Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van11 september 2025, 23/3670 Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college) Datum uitspraak: 15 april 2026 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
OVERWEGINGEN In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden. Bij brief 27 januari 2026 is appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Bij aangetekende brief van 27 februari 2026 is aan appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen.
Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld. Appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. De aangetekende brief is op 20 maart 2026 retour gekomen bij de Raad. Bij brief van23 maart 2026 is deze opnieuw aan appellante verzonden. Daarbij is erop gewezen dat met de nieuwe toezending geen nieuwe termijn is gaan lopen. De Raad heeft geen gronden van het beroep ontvangen. Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026. (getekend) D. Hardonk-Prins (getekend) A. Giesen Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT.
De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.