Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2026:379 ECLI:NL:CRVB:2026:379 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:379 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2026:379
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaak om besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand van appellante op grond van de Participatiewet. De bijstand is over de maanden april 2022 tot en met december 2022 en mei 2023 herzien en over de maand april 2023 ingetrokken. Het terugvorderingsbedrag bedraagt € 10.966,66. Het college heeft deze besluiten na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 25 maart 2024 (bestreden besluit). Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in de maanden waar het hier om gaat op twee bankrekeningen van appellante kasstortingen en bijschrijvingen van derden hebben plaatsgevonden die appellante niet aan het college heeft gemeld. Daarmee heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden waardoor zij in die maanden te veel of ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Er zijn geen dringende redenen gebleken om van terugvordering af te zien.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:379 · Centrale Raad van Beroep: Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2017:1570
15/385 WWB Datum uitspraak: 18 april 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2014, 14/6955 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft op verzoek een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2017.
ECLI:NL:CRVB:2017:2334
156152 WWB Datum uitspraak: 4 juli 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 juli 2015, 15/1199 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. S. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2017.
ECLI:NL:CRVB:2024:2192
23/713 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2023, 22/3231 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 10 december 2024 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of de bijstand terecht is herzien en teruggevorderd, omdat appellante kon beschikken over de bedragen die op haar bankrekening zijn gestort en bijgeschreven.
ECLI:NL:CRVB:2024:2193
22/114 PW, 22/115 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 december 2021, 21/290 en 21/304 (aangevallen uitspraak) Partijen: het dagelijks bestuur van Werkplein Drentsche Aa (dagelijks bestuur) [betrokkene 1] (betrokkene 1) en [betrokkene 2] (betrokkene 2) beiden te [woonplaats] Datum uitspraak: 10 december 2024 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om een intrekking, terugvordering en medeterugvordering van bijstand. De rechtbank heeft net als het dagelijks bestuur geoordeeld dat betrokkene 1 in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat zij in de periode van 17 april 2009 tot 1 juli 2020 met betrokkene 2 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.
ECLI:NL:CRVB:2024:2194
22/370 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 december 2021, 20/2810 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad (college) Datum uitspraak: 10 december 2024 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van algemene en bijzondere bijstand. Het college stelt zich op het standpunt dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op zijn uitkeringsadres.
ECLI:NL:CRVB:2024:2195
22/3678 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 oktober 2022, 22/779 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 10 december 2024 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de intrekking en terugvordering van bijstand en een boete in verband met voertuigen die op naam van appellant stonden. De Raad oordeelt dat de bijstand van appellanten terecht is ingetrokken, omdat hen ten onrechte te veel bijstand is verleend doordat zij hun inlichtingenverplichting hebben geschonden.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

24/2623 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 oktober 2024, 24/1998 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college) Datum uitspraak: 17 maart 2026 Zitting heeft: E.C.E. Marechal Griffier: C.E.A. Tessemaker Partijen zijn niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

1. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

2. Het gaat in deze zaak om besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand van appellante op grond van de Participatiewet. De bijstand is over de maanden april 2022 tot en met december 2022 en mei 2023 herzien en over de maand april 2023 ingetrokken. Het terugvorderingsbedrag bedraagt € 10.966,66. Het college heeft deze besluiten na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 25 maart 2024 (bestreden besluit). Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in de maanden waar het hier om gaat op twee bankrekeningen van appellante kasstortingen en bijschrijvingen van derden hebben plaatsgevonden die appellante niet aan het college heeft gemeld. Daarmee heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden waardoor zij in die maanden te veel of ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Er zijn geen dringende redenen gebleken om van terugvordering af te zien.

3. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Appellante heeft in hoger beroep de beroepsgronden herhaald dat de bijschrijvingen en stortingen geldbedragen zijn die toebehoren aan haar broer, dan wel dat het terugbetalingen betreffen van geldleningen of dat het geldbedragen zijn afkomstig van vrienden en bestemd om voor hen boodschappen te doen. Ook heeft appellante de beroepsgrond herhaald dat het college van terugvordering had moeten afzien in verband met dringende redenen, die gelegen zijn in haar persoonlijke omstandigheden. Deze beroepsgronden slagen om de navolgende redenen niet.

5. Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat brengt – behoudens tegenbewijs – mee dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Met de enkele stelling van appellante dat het voor een deel zou gaan om gelden die aan haar broer toebehoren en waarover hij enkel kan beschikken, heeft appellante geen tegenbewijs geleverd.

6. Kasstortingen en bijschrijvingen door derden op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen. Als deze een terugkerend of periodiek karakter hebben, aangewend kunnen worden voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, zoals in het geval van appellante, is voorts sprake van inkomsten die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Het ligt dan op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen. Ook hierin is appellante niet geslaagd. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bijschrijvingen terugbetalingen zijn van gelden die zij zou hebben uitgeleend aan haar twee vrienden of dat deze bijschrijvingen bestemd waren voor boodschappen die zij voor drie vrienden deed. Hiervoor zijn de in bezwaar overgelegde verklaringen van deze vrienden ontoereikend omdat ze achteraf zijn opgesteld, niet zijn ondertekend en onvoldoende specifiek zijn nu daarin geen bedragen en data zijn genoemd.

7. Verder heeft de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking gebracht dat een besluit om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid om wegens dringende redenen van terugvordering af te zien, moet zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan. Het is aan een betrokkene om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat – volgens hem – sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.

8. Appellante heeft ook in hoger beroep niet concreet gemaakt met welke persoonlijke omstandigheden het college rekening had moeten houden en waarom sprake is van dringende redenen. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat het college blijk heeft gegeven van een onevenwichtige belangenafweging.

9. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) C.E.A. Tessemaker (getekend) E.C.E. Marechal Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1570. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2334. ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194 en ECLI:NL:CRVB:2024:2195.