Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2026:368 ECLI:NL:CRVB:2026:368 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:368 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2026:368
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/830 WAJONG Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 maart 2025, 23/1575 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 1 april 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 10 november 2014, waarin het Uwv de aanvraag van appellant om een Wajong-uitkering heeft afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 4:6 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2026:368 · Centrale Raad van Beroep: De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Het Uwv heeft op de herhaalde aanvraag van appellant beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. 5.2.

Keywords

AI generated
artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 4:6 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank heeft hierbij vooropgesteld dat het Uwv op de aanvraag van appellante heeft beslist met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
artikel 4:6 van de Awb
Hiermee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, die maken dat het Uwv had moeten terugkomen van het besluit van 10 november 2014.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2020:3482
18/6253 WAJONG en 18/6279 WAJONG Datum uitspraak: 31 december 2020 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 oktober 2018, 17/5126 (aangevallen uitspraak) Partijen: [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens betrokkene heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat, hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep is bij de Raad geregistreerd onder nummer 18/6253 Wajong. Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld.
ECLI:NL:CRVB:2016:4872
16/1880 PW-T Datum uitspraak: 20 december 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 februari 2016, 15/2788 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] , zonder vaste woon- of verblijfplaats (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2016.
ECLI:NL:CRVB:2016:5115
16/700 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 januari 2016, 15/2001 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 14 november 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/830 WAJONG Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 maart 2025, 23/1575 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 1 april 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 10 november 2014, waarin het Uwv de aanvraag van appellant om een Wajong-uitkering heeft afgewezen.

Volgens appellant blijkt uit de door hem overgelegde medische gegevens dat hij nu wel recht heeft op een Wajong-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 10 november 2014. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 februari 2026. Voor appellant is mr. Gans verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.

D.W.C. Jacobs. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant, geboren op [geboortedatum] 1991 , heeft op 5 september 2014 verzocht om toekenning van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 10 november 2014 heeft het Uwv geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen omdat appellant ten minste het minimumloon kan verdienen en omdat vanaf zijn zeventiende verjaardag er geen periode van 52 weken was waarin hij minder dan het minimumloon verdiende. 1.2.

Met een door het Uwv op 18 juli 2022 ontvangen formulier heeft appellant opnieuw om een Wajong-uitkering verzocht. Bij besluit van 7 november 2022 heeft het Uwv appellant te kennen gegeven dat geen aanleiding bestaat om terug te komen van het besluit van 10 november 2014 omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv met het besluit van 1 mei 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. 2.1.

De rechtbank heeft hierbij vooropgesteld dat het Uwv op de aanvraag van appellante heeft beslist met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat door appellant is erkend dat de zogeheten Amber-beoordeling al bij het besluit van 10 november 2014 is verricht, zodat de daartegen gerichte beroepsgronden verder onbesproken kunnen blijven. 2.2. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig onderzoek gedaan. Appellant is gezien op het spreekuur op 8 mei 2023 en de door hem ingebrachte medische informatie is kenbaar bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het standpunt van de verzekeringsarts gevolgd dat de nu door appellant aangeleverde medische informatie in essentie dezelfde problematiek beschrijft als waarmee appellant destijds, ten tijde van de beoordeling in 2014, van doen had.

Deze gegevens vormen volgens de verzekeringsartsen dan ook geen nieuwe medische feiten. Volgens de rechtbank is dit inzichtelijk gemotiveerd en betekent dit dat geen aanleiding bestaat om voor het verleden terug te komen van het besluit van 10 november 2014. Evenmin geven de door appellant overgelegde gegevens aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 10 november 2014 alsnog voor onjuist moet worden gehouden, zodat ook geen aanleiding bestaat om van dat besluit terug te komen voor de toekomst. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat de afwijzing van de aanvraag van 18 juli 2022 evident onredelijk is. 2.3.

Voor zover appellant heeft aangevoerd dat ten onrechte niet is getoetst aan de bepalingen van de Wajong 2015 heeft de rechtbank overwogen dat het ervoor moet worden gehouden dat appellant op zeventien- en achttienjarige leeftijd in staat was de hem door de arbeidsdeskundige bij de beoordeling in 2014 voorgehouden functies te verrichten. Dit staat in rechte vast en geen aanleiding bestaat om daarvan terug te komen. Daarmee is volgens de rechtbank gegeven dat appellant op die leeftijd ook beschikte over arbeidsvermogen in de zin van de Wajong 2015.

Hierbij heeft de rechtbank gewezen op de uitspraak van deze Raad van 13 december 2020. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft herhaald dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat ten onrechte is geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe medische feiten, waarbij hij opnieuw heeft gewezen op het door hem overgelegde volledige dossier van PsyQ. Hij heeft erop gewezen dat hij feitelijk niet beschikt over een arbeidsverleden en dat hij nimmer in staat is geweest een duurzaam dienstverband in een arbeidsverhouding te verkrijgen noch te behouden.

Verder heeft appellant aangevoerd dat, ook als de conclusie zou zijn dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, dat er niet aan in de weg staat te beoordelen of per latere datum mogelijk sprake is van een wijziging in de belastbaarheid. Van een dergelijke toename is volgens appellant sprake. Er heeft volgens appellant dan ook ten onrechte geen inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering terug te komen van de afwijzing van de eerdere Wajong-aanvraag terecht in stand heeft gelaten.

De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Het Uwv heeft op de herhaalde aanvraag van appellant beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. 5.2.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de stukken die appellant bij zijn aanvraag van 7 november 2022 en in bezwaar heeft overgelegd, geen nieuwe informatie bevatten over de (medische) situatie van appellant op zijn zeventiende en achttiende jaar en de vijf jaar daarna.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 23 oktober 2023 terecht opgemerkt dat bij de beoordeling in 2014 is vastgesteld dat bij appellant sprake was van ADHD, depressieve klachten, een Oppositionele Opstandige Gedragsstoornis en persoonlijkheidsproblematiek in ontwikkeling. In deze procedure heeft appellant informatie overgelegd waarin een depressie, ADHD en een persoonlijkheidsstoornis worden beschreven. Hieruit blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat nog steeds wordt uitgegaan van de oorspronkelijke psychische problematiek, die al was beschreven door de verzekeringsarts die de beoordeling in 2014 heeft gedaan.

Hiermee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, die maken dat het Uwv had moeten terugkomen van het besluit van 10 november 2014. Omdat de onjuistheid van het oorspronkelijke besluit niet is komen vast te staan, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van dat besluit evident onredelijk is. 5.3. Uit 5.2 volgt dat, anders dan appellant heeft betoogd, geen aanleiding bestaat voor een inhoudelijke beoordeling van zijn herhaalde Wajong-aanvraag.

Wat appellant in dit verband heeft aangevoerd, blijft daarom onbesproken. Conclusie en gevolgen 5.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 10 november 2014 in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026. (getekend) F.M. Rijnbeek (getekend) S.P.A. Elzer CRvB 13 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3482. Zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.