Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2026:341 ECLI:NL:CRVB:2026:341 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:341 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2026:341
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/434 WLZ Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van9 januari 2024, 23/914 Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het CAK Datum uitspraak: 20 maart 2026 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De Raad heeft op 3 juli 2024 zonder zitting uitspraak gedaan en het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet (volledig) binnen de termijn was betaald.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:341 · Centrale Raad van Beroep: De Raad heeft op 3 juli 2024 zonder zitting uitspraak gedaan en het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet (volledig) binnen de termijn was betaald.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/434 WLZ Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van9 januari 2024, 23/914 Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het CAK Datum uitspraak: 20 maart 2026 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De Raad heeft op 3 juli 2024 zonder zitting uitspraak gedaan en het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet (volledig) binnen de termijn was betaald.

Tegen de uitspraak van 3 juli 2024 heeft appellant verzet gedaan. De Raad heeft met de uitspraak van 16 april 2025 (kenmerk 24/434 WLZ-V) het verzet gegrond verklaard. De correspondentie over de verschuldigde betaling van het griffierecht is namelijk per (aangetekende) post naar appellant gestuurd, terwijl appellant vooraf al direct te kennen had gegeven slecht bereikbaar te zijn per post. Daarom achtte de Raad aannemelijk dat appellant de brieven en nota’s in deze procedure niet tijdig heeft ontvangen. Nu het verzet van appellant gegrond is verklaard, komt de uitspraak van de Raad van3 juli 2024 te vervallen en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

OVERWEGINGEN In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Via e-mailbericht van 26 juni 2025 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van€ 138,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.

Op 7 juli 2025 heeft de Raad van appellant een betaling ontvangen van € 25,-. Via een bij e-mailbericht van 2 september 2025 verzonden brief is appellant gewezen op de verschuldigdheid van het resterende griffierecht van € 113,- en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven. Daarbij is erop gewezen dat als het resterende griffierecht niet tijdig wordt betaald, het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Op 8 september heeft de Raad van appellant een betaling ontvangen van € 67,50 waarna appellant nog een resterend griffierecht is verschuldigd van € 45,50.

De termijn is inmiddels verstreken en de Raad heeft geen nieuwe betalingen meer ontvangen van appellant. Dat betekent dat niet het volledige griffierecht binnen de termijn is betaald. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid vanA.

Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) A. Giesen Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.