Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2026:337 ECLI:NL:CRVB:2026:337 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:337 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2026:337
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/2082 TBSH Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van22 augustus 2025, 24/9175 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister) Datum uitspraak: 20 maart 2026 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. OVERWEGINGEN In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:8 van de Awb, artikel 6:9 van de Awb, artikel 6:24 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2026:337 · Centrale Raad van Beroep: OVERWEGINGEN In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt.

Keywords

AI generated
artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 6:8 van de Awb artikel 6:9 van de Awb artikel 6:24 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
OVERWEGINGEN In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt.
artikel 6:8 van de Awb
Dat volgt uit artikel 6:8 van de Awb.
artikel 6:9 van de Awb
Deze regels staan in artikel 6:9 van de Awb.
artikel 6:24 van de Awb
Uit artikel 6:24 van de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 25/2082 TBSH Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van22 augustus 2025, 24/9175 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister) Datum uitspraak: 20 maart 2026 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. OVERWEGINGEN In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt.

Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van de Awb. Uit artikel 6:24 van de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep. Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als die overschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid.

Bij de beoordeling of hiervan sprake is worden alle omstandigheden van het geval in hun samenhang bezien. Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant. De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 22 augustus 2025 in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 23 augustus 2025 en, met inachtneming van artikel 1, eerste lid van de Algemene Termijnenwet, is geëindigd op 6 oktober 2025.

Het beroepschrift is op 9 oktober 2025 digitaal ontvangen en is dus na afloop van de beroepstermijn ingediend. Bij bericht van 23 december 2025 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding. Appellant heeft niet op het bericht gereageerd. Er is dan ook geen bijzondere omstandigheid aangevoerd die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum in tegenwoordigheid vanA. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) A. Giesen Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.