Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2026:313 ECLI:NL:CRVB:2026:313 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:313 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2026:313
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het college heeft de bijstand van betrokkene met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.437,65 van betrokkene teruggevorderd. Met een besluit van 4 juli 2022 (bestreden besluit) heeft het college deze intrekking en terugvordering na bezwaar gehandhaafd. Daaraan ligt ten grondslag dat betrokkene niet zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven uitkeringsadres, dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door daarvan geen melding te maken bij het college en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college verwijst hiervoor onder meer naar het waterverbruik op het uitkeringsadres dat in 2021 slechts 1 m3 was en dus extreem laag.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:313 · Centrale Raad van Beroep: Vervolgens beoordeelt de Raad de door de rechtbank nog niet besproken beroepsgronden. Ten eerste ligt daarbij ter beoordeling voor of betrokkene erin is geslaagd om de hiervoor genoemde vooronderstelling te weerleggen. Dat is niet het geval. Betrokkene heeft voor het eerst op zitting in hoger beroep verklaard dat het extreem lage waterverbruik in 2021 komt door het feit dat hij de hoofdkraan had afgesloten, omdat de woning op het uitkeringsadres feitelijk een bouwval was. Zo waren volgens hem de waterleidingen en de riolering defect en was betrokkene als gevolg daarvan aangewezen op alternatieve voorzieningen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2018:1986
17379 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 december 2016, 16/2332 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college) Datum uitspraak: 3 juli 2018 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E.J. Luursema, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr.
ECLI:NL:CRVB:2024:2192
23/713 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2023, 22/3231 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 10 december 2024 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of de bijstand terecht is herzien en teruggevorderd, omdat appellante kon beschikken over de bedragen die op haar bankrekening zijn gestort en bijgeschreven.
ECLI:NL:CRVB:2024:2193
22/114 PW, 22/115 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 december 2021, 21/290 en 21/304 (aangevallen uitspraak) Partijen: het dagelijks bestuur van Werkplein Drentsche Aa (dagelijks bestuur) [betrokkene 1] (betrokkene 1) en [betrokkene 2] (betrokkene 2) beiden te [woonplaats] Datum uitspraak: 10 december 2024 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om een intrekking, terugvordering en medeterugvordering van bijstand. De rechtbank heeft net als het dagelijks bestuur geoordeeld dat betrokkene 1 in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat zij in de periode van 17 april 2009 tot 1 juli 2020 met betrokkene 2 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.
ECLI:NL:CRVB:2024:2194
22/370 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 december 2021, 20/2810 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad (college) Datum uitspraak: 10 december 2024 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van algemene en bijzondere bijstand. Het college stelt zich op het standpunt dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op zijn uitkeringsadres.
ECLI:NL:CRVB:2024:2195
22/3678 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 oktober 2022, 22/779 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 10 december 2024 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de intrekking en terugvordering van bijstand en een boete in verband met voertuigen die op naam van appellant stonden. De Raad oordeelt dat de bijstand van appellanten terecht is ingetrokken, omdat hen ten onrechte te veel bijstand is verleend doordat zij hun inlichtingenverplichting hebben geschonden.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer 23511 PW-PV Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2022, 22/1825 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college) [Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 3 maart 2026 Zitting heeft: E.C.E. Marechal als voorzitter, W.F. Claessens en C. Karman als leden Griffier: R.R. Olde Engberink Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.L.J. Stahl. Betrokkene is verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep: vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juli 2022 ongegrond. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Het college heeft de bijstand van betrokkene met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.437,65 van betrokkene teruggevorderd. Met een besluit van 4 juli 2022 (bestreden besluit) heeft het college deze intrekking en terugvordering na bezwaar gehandhaafd. Daaraan ligt ten grondslag dat betrokkene niet zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven uitkeringsadres, dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door daarvan geen melding te maken bij het college en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college verwijst hiervoor onder meer naar het waterverbruik op het uitkeringsadres dat in 2021 slechts 1 m3 was en dus extreem laag.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het intrekkings- en terugvorderingsbesluit herroepen. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, overwogen dat het waterverbruik van 1 m3 over 2021 is gebaseerd op een schatting en dat daaraan geen doorslaggevende betekenis toekomt bij de vaststelling van het hoofdverblijf van betrokkene.

3. Zoals ook ter zitting door betrokkene is erkend, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat ten aanzien van het waterverbruik over het jaar 2021 sprake was van een schatting. Uit de door het college van het waterbedrijf verkregen informatie blijkt dat het waterverbruik is gebaseerd op een opgave van betrokkene zelf. Vast staat dan ook dat op het uitkeringsadres in 2021 slechts 1 m3 water is verbruikt. Dat waterverbruik is extreem laag. Een extreem laag waterverbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de woning niet wordt bewoond en dat dus de betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Dit volgt uit vaste rechtspraak. Dat heeft de rechtbank, omdat het van verkeerde feiten is uitgegaan, niet onderkend. Alleen al hierom slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

4. Vervolgens beoordeelt de Raad de door de rechtbank nog niet besproken beroepsgronden. Ten eerste ligt daarbij ter beoordeling voor of betrokkene erin is geslaagd om de hiervoor genoemde vooronderstelling te weerleggen. Dat is niet het geval. Betrokkene heeft voor het eerst op zitting in hoger beroep verklaard dat het extreem lage waterverbruik in 2021 komt door het feit dat hij de hoofdkraan had afgesloten, omdat de woning op het uitkeringsadres feitelijk een bouwval was. Zo waren volgens hem de waterleidingen en de riolering defect en was betrokkene als gevolg daarvan aangewezen op alternatieve voorzieningen.

Zijn was deed betrokkene elders en hij kon ook niet thuis douchen en gebruik maken van een op het riool aangesloten toilet. Nog daargelaten dat betrokkene deze verklaring niet met controleerbare gegevens heeft onderbouwd, verklaren deze omstandigheden weliswaar het extreem lage waterverbruik, maar bevestigen deze – in samenhang bezien met wat betrokkene verder ter zitting heeft verklaard – juist ook dat hij in 2021 inderdaad niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Zo heeft betrokkene verklaard dat hij alleen in de weekenden in de woning op het uitkeringsadres sliep en daar nooit bezoek ontving, juist omdat die woning een bouwval betrof en de voorzieningen niet bruikbaar waren en ook omdat hij mantelzorg verleende aan verschillende mensen.

Doordeweeks verbleef betrokkene daardoor op andere adressen. Aldus bevond zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven van betrokkene niet op het uitkeringsadres. De omstandigheden dat betrokkene in de Basisregistratie Personen op het uitkeringsadres stond ingeschreven, in de woning op dat adres nog spullen had en voor die woning in 2021 een lopend internetabonnement had, zijn in dit geval onvoldoende voor een andersluidend oordeel.

5. Hieruit volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene in 2021 niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft gehad. Vaststaat dat betrokkene dat niet aan het college heeft gemeld en daarmee de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college was daarom verplicht om de bijstand van betrokkene vanaf 1 januari 2021 in te trekken en de over de periode van januari tot en met december 2021 gemaakte kosten van bijstand van betrokkene terug te vorderen.

6. Verder heeft betrokkene al in beroep aangevoerd dat de terugvordering niet in verhouding staat tot zijn aandeel. Als het college eerder onderzoek naar zijn waterverbruik had gedaan en op een eerder moment een huisbezoek had afgelegd, dan was het college eerder op de hoogte geweest van de feitelijke situatie en was de terugvordering niet zo hoog opgelopen. De Raad vat dit betoog van betrokkene op als een beroep op dringende redenen. Deze beroepsgrond slaagt om de volgende redenen niet.

7. Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid om wegens dringende redenen van terugvordering af te zien zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.

8. Het college heeft wat betrokkene heeft aangevoerd niet hoeven aanmerken als dringende redenen. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Allereerst is hierbij van belang dat de terugvordering niet is ontstaan of opgelopen door toedoen van het college, maar door schending van de inlichtingenverplichting door betrokkene. Betrokkene heeft immers onder meer niet bij het college gemeld dat hij doordeweeks op andere adressen verblijft en gebruik maakt van voorzieningen op andere adressen. Om die reden was er voor het college ook geen aanleiding om onderzoek te doen naar het hoofdverblijf van betrokkene. Wat betreft de financiële gevolgen van de terugvordering wijst de Raad op de regels over de beslagvrije voet die betrokkene bescherming bieden en op het beleid van het college waaruit volgt dat na een periode van tien jaar kan worden verzocht om kwijtschelding van de resterende vordering.

9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer (getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) E.C.E. Marechal Zie de uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1986. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.