Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2026:267 ECLI:NL:CRVB:2026:267 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:267 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2026:267
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/1228 PW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 mei 2024, 23/3061 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Venray (college) Datum uitspraak: 3 maart 2026 SAMENVATTING Deze zaak gaat over een terugvordering van bijstand in verband met de ontvangst van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) over een periode waarover appellante al bijstand had ontvangen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:267 · Centrale Raad van Beroep: Het college heeft daarop niet tijdig en adequaat gereageerd. Evenredigheidsbeginsel 4.3. Bij de beoordeling van deze gronden stelt de Raad voorop dat de terugvordering wegens naderhand verkregen middelen (artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de PW) een discretionaire bevoegdheid is. Bij de terugvordering over de periode van 9 februari 2023 tot en met 31 maart 2023 in verband met de door appellante achteraf ontvangen WIA-uitkering moet het college dus een belangenafweging maken. De Raad zal daarom eerst ingaan op de grond dat appellante door de terugvordering onevenredig in haar belangen is geschaad.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2022:2207
211194 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 maart 2021, 20/2425 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college) Datum uitspraak: 11 oktober 2022 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft bij brief van 12 mei 2022 (regiebrief) aan partijen voorgehouden hoe de Raad het geschil tussen partijen ziet en heeft daarbij te kennen gegeven dat een zitting voor het verkrijgen van nadere informatie naar het oordeel van de Raad niet nodig is.
ECLI:NL:CRVB:2024:1696
21/4225 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 oktober 2021, 20/2241 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Westerwolde (college) Datum uitspraak: 31 juli 2024 SAMENVATTING Appellante ontving ten tijde hier van belang een kleine Wajong-uitkering van ongeveer € 15,- per maand en in aanvulling daarop bijstand. In geschil is of het college een door appellante ontvangen erfenis terecht als vermogen heeft aangemerkt en in verband daarmee haar bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd.
ECLI:NL:CRVB:2024:2192
23/713 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2023, 22/3231 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 10 december 2024 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of de bijstand terecht is herzien en teruggevorderd, omdat appellante kon beschikken over de bedragen die op haar bankrekening zijn gestort en bijgeschreven.
ECLI:NL:CRVB:2024:2193
22/114 PW, 22/115 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 december 2021, 21/290 en 21/304 (aangevallen uitspraak) Partijen: het dagelijks bestuur van Werkplein Drentsche Aa (dagelijks bestuur) [betrokkene 1] (betrokkene 1) en [betrokkene 2] (betrokkene 2) beiden te [woonplaats] Datum uitspraak: 10 december 2024 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om een intrekking, terugvordering en medeterugvordering van bijstand. De rechtbank heeft net als het dagelijks bestuur geoordeeld dat betrokkene 1 in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat zij in de periode van 17 april 2009 tot 1 juli 2020 met betrokkene 2 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.
ECLI:NL:CRVB:2024:2194
22/370 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 december 2021, 20/2810 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad (college) Datum uitspraak: 10 december 2024 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van algemene en bijzondere bijstand. Het college stelt zich op het standpunt dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op zijn uitkeringsadres.
ECLI:NL:CRVB:2024:2195
22/3678 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 oktober 2022, 22/779 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 10 december 2024 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de intrekking en terugvordering van bijstand en een boete in verband met voertuigen die op naam van appellant stonden. De Raad oordeelt dat de bijstand van appellanten terecht is ingetrokken, omdat hen ten onrechte te veel bijstand is verleend doordat zij hun inlichtingenverplichting hebben geschonden.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/1228 PW Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 mei 2024, 23/3061 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Venray (college) Datum uitspraak: 3 maart 2026 SAMENVATTING Deze zaak gaat over een terugvordering van bijstand in verband met de ontvangst van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) over een periode waarover appellante al bijstand had ontvangen.

Appellante heeft aangevoerd dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien en dat zij door de terugvordering onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Appellante krijgt geen gelijk. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 januari 2026. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.

A.E.M. van Santvoort. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de instellingsnorm. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft appellante met terugwerkende kracht over de periode van 9 februari 2023 tot en met 31 maart 2023 – toen appellante nog bijstand ontving – een WIA-uitkering toegekend van in totaal € 2.601,89 netto. Het college heeft het Uwv op 4 mei 2023 verzocht om deze uitkering te verrekenen met de aan appellante verstrekte algemene en bijzondere bijstand over die periode.

In dit verband wordt het Uwv verzocht het beschikbare bedrag van de WIA-uitkering tot een maximum van € 2.821,51 over te maken naar een bankrekening van de gemeente Venray. Het Uwv heeft dat bedrag per vergissing aan appellante betaald. 1.2. Met een besluit van 6 juni 2023, zoals na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 11 oktober 2023 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW de over de periode van 9 februari 2023 tot en met 31 maart 2023 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 2.451,22.

Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante achteraf, over een periode waarover zij bijstand ontving, een WIA-uitkering heeft ontvangen die hoger was dan de bijstand die zij in die periode ontving en dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de terugvordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW de over de periode van 9 februari 2023 tot en met 31 maart 2023 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 2.451,22. 4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien en dat zij door de terugvordering ook onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Daartoe heeft appellante het volgende naar voren gebracht. Haar financiële situatie is precair. Zij is gedupeerde van de toeslagenaffaire en heeft daardoor vele schulden gekregen. Het Uwv heeft om die reden, in een andere kwestie, afgezien van terugvordering, en dus wel rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. Appellante heeft de inlichtingenverplichting niet geschonden en heeft de betaling van het Uwv tijdig gemeld aan het college.

Het college heeft daarop niet tijdig en adequaat gereageerd. Evenredigheidsbeginsel 4.3. Bij de beoordeling van deze gronden stelt de Raad voorop dat de terugvordering wegens naderhand verkregen middelen (artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de PW) een discretionaire bevoegdheid is. Bij de terugvordering over de periode van 9 februari 2023 tot en met 31 maart 2023 in verband met de door appellante achteraf ontvangen WIA-uitkering moet het college dus een belangenafweging maken. De Raad zal daarom eerst ingaan op de grond dat appellante door de terugvordering onevenredig in haar belangen is geschaad.

Deze grond, die moet worden opgevat als een beroep op het evenredigheidsbeginsel, slaagt niet. 4.3.1. Op grond van het evenredigheidsbeginsel mogen de voor betrokkene nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Dat volgt uit artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken overwogen. 4.3.2.

Bij de beoordeling van het evenredigheidsbeginsel in deze zaak gaat het om de vraag of sprake is van een evenwichtige belangenafweging. Het college heeft gesteld dat bij de uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering een belangenafweging is gemaakt en de evenredigheid in acht is genomen. Hierbij heeft het college gewezen op het volgende. Terugvordering van de teveel ontvangen bijstand is een noodzakelijk en geschikt middel om het gerechtvaardigde doel te bereiken, namelijk dat het gemeenschapsgeld goed wordt besteed. Appellante heeft haar precaire financiële positie niet geconcretiseerd, laat staan onderbouwd.

Het college heeft snel en adequaat aan het Uwv verzocht om de WIA-uitkering te verrekenen met de bijstand. De vordering is dus niet onnodig opgelopen. Appellante heeft zelf gevraagd om een betalingsregeling van € 100,- per maand om de vordering af te lossen en is daar nooit meer op teruggekomen. Inmiddels heeft zij de vordering volledig afgelost. 4.3.3. Hiermee heeft het college geen blijk gegeven van een onevenwichtige belangenafweging. Het college heeft een zwaarwegend belang om gemeenschapsgeld goed te besteden. Appellante heeft daar tegenover gesteld dat haar financiële situatie precair is en dat zij veel schulden heeft gekregen als gevolg van de toeslagenaffaire.

Maar zij heeft dit op geen enkele wijze toegelicht en onderbouwd. Daardoor kan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre en op welke wijze haar financiële situatie en haar schuldenpositie in de belangenafweging moeten worden meegewogen. Ditzelfde geldt voor de stelling van appellante dat het Uwv heeft afgezien van terugvordering in een andere kwestie wegens haar persoonlijke omstandigheden. De stelling dat het college niet tijdig en adequaat heeft gehandeld, en kennelijk ook dat de vordering onnodig is opgelopen, mist feitelijke grondslag.

Het college heeft namelijk direct actie ondernomen nadat bekend was dat het Uwv een WIA-uitkering had toegekend aan appellante en dat een nabetaling zou volgen. Dringende redenen om van terugvordering af te zien 4.4. Artikel 58, achtste lid, van de PW biedt de mogelijkheid om wegens dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging.

Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan. 4.5. Zoals volgt uit 4.3.2 en 4.3.3 zijn in het kader van de evenredigheidstoets alle belangen en alle relevante feiten en omstandigheid betrokken.

De verruimde uitleg in de rechtspraak van de dringende redenen, zoals weergegeven in 4.4, gaat niet verder dan deze toets op de evenredigheid. Wat appellante heeft aangevoerd ter onderbouwing van de beroepsgrond dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, heeft de Raad al betrokken bij de beoordeling van het beroep op het evenredigheidsbeginsel en heeft geleid tot het oordeel dat het college geen blijk heeft gegeven van een onevenredige belangenafweging. De belangenafweging en de toetsing daarvan in het kader van de dringende redenentoets kunnen daarom niet tot een ander resultaat leiden dan waartoe de evenredigheidstoets heeft geleid.

Dit betekent dat de mogelijkheid om wegens dringende redenen van terugvordering af te zien hier geen functie heeft. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. De grond dat er in het geval van appellante dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien hoeft daarom niet afzonderlijk te worden besproken. Conclusie en gevolgen 4.6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de terugvordering in stand blijft.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026. (getekend) W.F. Claessens (getekend) F.M. Gerritsen Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel Participatiewet Artikel 58, tweede lid 2. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand: [...] f anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat: 1e. de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken; [...] Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2207 en 31 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1696.

ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195. Uitspraak van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, r.o. 4:12.