Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2026:151 ECLI:NL:CRVB:2026:151 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:151 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2026:151
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

24/1748 AW Datum uitspraak: 12 februari 2026 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/1748 AW Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, 12/906 AW en 12/907 AW Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) de Minister van Justitie en Veiligheid (Minister) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om het vijfde verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad. Dit verzoek wordt afgewezen, omdat opnieuw niet is voldaan aan de vereisten die aan een verzoek om herziening worden gesteld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:151 · Centrale Raad van Beroep: Dat handelen heeft uiteindelijk ernstige schade opgeleverd en leidt al bijna 20 jaar tot schade in haar carrière en medische behandelingen, aldus verzoekster. Het oordeel van de Raad 3.1. Herziening van een uitspraak op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb is alleen mogelijk op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden als zij bij de bestuursrechter eerder bekend waren geweest. 3.2.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2013:2185
12/906 AW, 12/907 AW Datum uitspraak: 17 oktober 2013 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 5 januari 2012, 11/258 en 11/1829 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Minister van Veiligheid en Justitie (minister) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. T.G.M. Gersjes, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2013.
ECLI:NL:RBSHE:2012:BV0949
RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 11/258 en AWB 11/1829 Uitspraak van de meervoudige kamer van 5 januari 2012 inzake [eiseres] te Vught, eiseres, gemachtigde mr.
ECLI:NL:CRVB:2018:1556
176205 AW Datum uitspraak: 17 mei 2018 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, 12/906 AW en 12/907 AW Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) de Minister van Justitie en Veiligheid (minister) PROCESVERLOOP Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, 12/906 AW en 12/907 AW, ECLI:NL:CRVB:2013:2185. De minister heeft een reactie op het verzoek ingezonden. Verzoekster heeft hierop gereageerd en nadere stukken ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2019:375
183373 AW Datum uitspraak: 31 januari 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, 12/906 AW en 12/907 AW (uitspraak 1), en van de uitspraak van de Raad van 17 mei 2018, 17/6205 AW (uitspraak 2) Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) de Minister van Justitie en Veiligheid (minister) PROCESVERLOOP Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraken 1 en 2. De minister heeft een reactie op het verzoek ingezonden. Verzoekster heeft het verzoek nader aangevuld en nadere stukken ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2019:3958
192443 AW-PV Datum uitspraak: 2 december 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, 12/906 AW en 12/907 AW Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) de Minister van Justitie en Veiligheid (minister) Zitting heeft: C.H. Bangma, als lid van de enkelvoudige kamer Griffier: R.I.S. van Haaren Verzoekster is ter zitting verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Koene en P.C.A. van Breugel.
ECLI:NL:CRVB:2024:214
22/2085 AW Datum uitspraak: 26 januari 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, 12/906 AW Partijen: [Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) de Minister van Justitie en Veiligheid (minister) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om het vierde verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, ECLI:CRVB:2013:2185. Dit verzoek is afgewezen, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

24/1748 AW Datum uitspraak: 12 februari 2026 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer 24/1748 AW Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, 12/906 AW en 12/907 AW Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) de Minister van Justitie en Veiligheid (Minister) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak om het vijfde verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad. Dit verzoek wordt afgewezen, omdat opnieuw niet is voldaan aan de vereisten die aan een verzoek om herziening worden gesteld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

PROCESVERLOOP Verzoekster heeft met een brief van 17 juli 2024 opnieuw verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013. Verzoekster heeft nadien met regelmaat diverse stukken ingediend, waaronder uitgebreide aanvullingen op haar verzoek om herziening. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 december 2025. Verzoekster is verschenen vergezeld door [naam] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Verhagen. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Verzoekster was werkzaam bij de [penitentiaire inrichting] te [plaats] als [functie] .

Zij is op 26 mei 2005 tijdens de verplichte dienstsport in aanraking gekomen met een collega en heeft daarbij letsel aan haar linkerknie opgelopen. Het ongeval is aangemerkt als een dienstongeval. Met een besluit van 25 mei 2010, en na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 december 2010, heeft de minister geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor de schade die verzoekster als gevolg daarvan heeft geleden. 1.2. Met een besluit van 4 oktober 2010, en na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 april 2011, heeft de minister verzoekster op grond van artikel 69, eerste lid, van het ARAR een bedrag van € 10.000,- (bruto) toegekend, bij wijze van genoegdoening voor de eventueel uit haar re-integratietraject voortgevloeide schade.

De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat volgens een rapport van de Nationale ombudsman van 7 september 2009 (nr. 2009/186) sprake is geweest van enkele tekortkomingen in het re-integratietraject. Voor het overige heeft de minister de door verzoekster gevraagde schadevergoeding afgewezen. 1.3. Met een uitspraak van 5 januari 2012, heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de beroepen tegen de besluiten van 16 december 2010 en van 28 april 2011 ongegrond verklaard. 1.4.1. Met de uitspraak van 17 oktober 2013, waarvan herziening is gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank wat betreft het besluit van 16 december 2010 bevestigd.

De Raad heeft met de rechtbank geoordeeld dat de minister aan de op hem als werkgever rustende zorgplicht heeft voldaan. Daarbij is overwogen dat niet in geschil is dat in dit geval geen sprake was van gebreken in het spelmateriaal of de sportzaal die het ongeval zouden hebben kunnen veroorzaken. Verder heeft de Raad van betekenis geacht dat de minister gebruik heeft gemaakt van de diensten van een gekwalificeerde sportinstructeur, terwijl niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de instructeur daarbij fouten heeft gemaakt. Evenals als de rechtbank is de Raad daarom tot de conclusie gekomen dat in het geval van verzoekster tijdens de dienstsport op 26 mei 2005 sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. 1.4.2.

De uitspraak van de rechtbank is door de Raad vernietigd, maar alleen wat betreft de weigering van de minister om de buitengerechtelijke kosten te vergoeden. De Raad heeft aan verzoekster een vergoeding van € 1.000,- voor buitengerechtelijke kosten toegekend, het besluit van 4 oktober 2010 in zoverre herroepen en bepaald dat de uitspraak van de Raad in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 28 april 2011. 1.5. Verzoekster verzoekt de Raad nu voor de vijfde keer om zijn uitspraak van 17 oktober 2013 te herzien. De eerdere verzoeken zijn afgewezen met uitspraken van 17 mei 2018, 31 januari 2019, 2 december 2019 en 26 januari 2024.

Het standpunt van verzoekster 2. Aan dit vijfde verzoek om herziening legt verzoekster samengevat ten grondslag dat de uitspraak van 17 oktober 2013 gebaseerd zou zijn op niet waarheidsgetrouwe visies en percepties weergegeven uit de naam van de minister. Verzoekster ziet hiervoor steun in de stukken van een door haar gevoerde tuchtrechtelijke procedure tegen de advocaat van de minister. Het gaat om al het onrechtmatig handelen uit naam van de minister ter zake van het dienstongeval en de gevolgschade, welk handelen voor de uitspraak in 2013 heeft plaatsgevonden.

Dat handelen heeft uiteindelijk ernstige schade opgeleverd en leidt al bijna 20 jaar tot schade in haar carrière en medische behandelingen, aldus verzoekster. Het oordeel van de Raad 3.1. Herziening van een uitspraak op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb is alleen mogelijk op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak; b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden als zij bij de bestuursrechter eerder bekend waren geweest. 3.2.

De Raad maakt uit het inmiddels omvangrijke dossier op dat verzoekster ook nu weer de discussie wil openen over de punten van geschil waarover in de uitspraak van 17 oktober 2013 al is geoordeeld. De Raad herhaalt dat volgens zijn vaste rechtspraak het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Van nieuwe feiten of omstandigheden (nova) als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, die voldoen aan de criteria a, b en c is geen sprake.

Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen. 3.3. De Raad geeft verzoekster mee dat bij een eventueel nieuw (zesde) verzoek om herziening waarin geen nova als hierboven bedoeld worden aangevoerd, een oordeel dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht op de loer ligt. In zo’n geval kan verzoekster worden veroordeeld in de proceskosten aan de kant van de minister. Conclusie en gevolgen 4. Het verzoek om herziening moet worden afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van 17 oktober 2013 in stand blijft.

5. Verzoekster krijgt daarom haar proceskosten niet vergoed. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van B.F.C. Wiedenhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026. (getekend) H. Lagas (getekend) B.F.C. Wiedenhof Algemene wet bestuursrecht. ECLI:NL:CRVB:2013:2185. Algemeen Rijksambtenarenreglement. ECLI:NL:RBSHE:2012:BV0949. ECLI:NL:CRVB:2018:1556. ECLI:NL:CRVB:2019:375. ECLI:NL:CRVB:2019:3958. ECLI:NL:CRVB:2024:214.