Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2026:125 ECLI:NL:CRVB:2026:125 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2026:125 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2026:125
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

24/1886 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2024, 22/7552 en 23/4375 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college) Datum uitspraak: 27 januari 2026 SAMENVATTING In deze zaak heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op een verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over een na een ingebrekestelling aan hem toegekende dwangsom.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:100 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2026:125 · Centrale Raad van Beroep: Er zijn immers geen aanknopingspunten dat de wetgever heeft beoogd de ingebrekestelling aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestuursorgaan kan om die reden niet krachtens die bepaling een dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de aangevallen uitspraak van de rechtbank in stand kan blijven aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

Keywords

AI generated
artikel 4:100 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:100 van de Awb
Op grond van artikel 4:100 van de Awb is de wettelijke rente op laatstgenoemde datum gaan lopen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2014:4448
201400947/1/A3. Datum uitspraak: 10 december 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 januari 2014 in zaak nr. 13/200 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 4 september 2012 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom heeft verbeurd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een door [appellant] ingediend verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna:
ECLI:NL:RVS:2014:1290
201302645/1/A3. Datum uitspraak: 16 april 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Bedum, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 februari 2013 in zaak nr. 12/869 in het geding tussen: [appellant] (lees: [appellant A]) en [appellant B] en de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. Procesverloop Bij besluit van 18 januari 2012 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat hij een dwangsom van € 550,00 aan [appellanten] is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een beschikking als bedoeld in artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:
ECLI:NL:CRVB:2024:1962
21/4023 PW Datum uitspraak: 15 oktober 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 27 juli 2021, zoals gerectificeerd bij uitspraak van 1 oktober 2021, 21/83 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) SAMENVATTING Deze zaak gaat over de vraag of het college meer dwangsommen heeft verbeurd dan dat het college al heeft toegekend.
ECLI:NL:CRVB:2022:2602
21 1230 WMO15 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 april 2021, 19/2807 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 30 november 2022 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

24/1886 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2024, 22/7552 en 23/4375 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college) Datum uitspraak: 27 januari 2026 SAMENVATTING In deze zaak heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op een verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over een na een ingebrekestelling aan hem toegekende dwangsom.

Ook had de rechtbank het college moeten veroordelen tot vergoeding van griffierecht en reiskosten. Hierin krijgt appellant gelijk. Appellant heeft verder aangevoerd dat het college een dwangsom, inclusief wettelijke rente, verschuldigd was omdat het college niet tijdig heeft beslist op het bezwaar tegen het naar aanleiding van de ingebrekestelling genomen dwangsombesluit. Hierin krijgt appellant geen gelijk. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

De Raad heeft partijen met een regiebrief van 9 juli 2025 laten weten hoe de Raad het geschil voorshands ziet en partijen meegedeeld dat het dossier voldoende informatie bevat om zonder zitting tot een uitspraak te komen. Appellant heeft de Raad in reactie op de regiebrief laten weten dat hij op een zitting wil worden gehoord. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 december 2025. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.V. Silva de Jesus. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1.

Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. 1.2. Met een besluit van 14 april 2022 heeft het college een aanvraag van appellant om een individuele inkomenstoeslag afgewezen. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. Het college heeft met een besluit van 14 juni 2022 het besluit van 14 april 2022 herzien en appellant alsnog een individuele inkomenstoeslag toegekend. 1.3. Met een besluit van 27 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.

Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld. 1.4. Op 27 oktober 2022 heeft appellant het college in gebreke gesteld wegens het niet verstrekken van het besluit van 14 juni 2022. Met een besluit van 23 november 2022 heeft het college te kennen gegeven niet in verzuim te zijn en geweigerd om een dwangsom toe te kennen. Hiertegen heeft appellant op 29 november 2022 bezwaar gemaakt. 1.5. Appellant heeft het college op 3 maart 2023 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022. 1.6. Appellant heeft op 9 juni 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig verstrekken van het besluit van 14 juni 2022 en tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022. 1.7.

Met een besluit van 27 juni 2023 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022 gegrond verklaard en appellant een dwangsom toegekend van € 1.442,-. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen de beslissing op het bezwaar van 27 oktober 2022 (22/7552) en het beroep tegen het niet verstrekken van het besluit van 14 juni 2022 en tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022 (23/4375) niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft in de procedure met zaaknummer 23/4375 overwogen dat het college appellant met de beslissing op het bezwaar van 27 juni 2023 de volledige dwangsom heeft toegekend en dat geen dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit of het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar tegen een dwangsombesluit.

Er zijn immers geen aanknopingspunten dat de wetgever heeft beoogd de ingebrekestelling aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestuursorgaan kan om die reden niet krachtens die bepaling een dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de aangevallen uitspraak van de rechtbank in stand kan blijven aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. Zoals ter zitting is besproken, is het hoger beroep van appellant alleen gericht tegen de uitspraak op het beroep tegen het niet tijdig verstrekken van het besluit van 14 juni 2022 en tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022 (23/4375). 4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de aan hem toegekende dwangsom. Ook had de rechtbank het college moeten veroordelen tot vergoeding van het griffierecht en de door hem gemaakte reiskosten. De Raad zal appellant alsnog de door hem gevraagde schadevergoeding toekennen. Daartoe is het volgende van belang. 4.2.1. De rechtbank heeft ten onrechte niet beslist op het in beroep door appellant gedane verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat, nu hij op 27 juni 2023 alsnog een dwangsom heeft toegekend, wettelijke rente verschuldigd is omdat de dwangsom al eerder betaald had moeten worden. Het verzoek om schadevergoeding moet daarom volgens het college worden toegewezen. Omdat het college zich op het standpunt stelt dat de schade voor vergoeding in aanmerking komt, zal het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente worden toegewezen. 4.2.2. Zoals ter zitting met partijen is vastgesteld, is het belang bij het beroep niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom komen te ontvallen met het alsnog toekennen van de dwangsom met het besluit van 27 juni 2023.

Gelet op het feit dat het college pas in beroep tegemoetgekomen is aan het bezwaar van appellant, had de rechtbank het college moeten veroordelen tot vergoeding van het griffierecht en de gemaakte reiskosten. De Raad zal dat alsnog doen en daarbij aansluiten bij het besluit tot toekenning van de dwangsom, op grond waarvan – gelet op de ingebrekestelling van 27 oktober 2022 – het college per 11 november 2022 een dwangsom verschuldigd is. Daarvan uitgaande is de laatste dag waarover een dwangsom verschuldigd was 22 december 2022. Het college dient binnen twee weken na die laatste dag de hoogte van de dwangsom vast te stellen.

Dat was uiterlijk op 5 januari 2023. De betalingstermijn bedroeg zes weken. Indien het besluit op de dwangsom op de laatste dag van de beslistermijn zou zijn genomen, zou dus op 16 februari 2023 verzuim zijn ingetreden. Op grond van artikel 4:100 van de Awb is de wettelijke rente op laatstgenoemde datum gaan lopen. 4.3. Appellant heeft verder aangevoerd dat het college ook een dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2022 en dat er over die dwangsom wettelijke rente verschuldigd is.

Deze beroepsgrond slaagt niet. 4.3.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is geen dwangsom verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar tegen een dwangsombesluit. Dat komt omdat de ingebrekestelling niet is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb. Dit is vaste rechtspraak. Conclusie en gevolgen 4.4. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

De Raad zal alsnog bepalen dat het college wettelijke rente moet betalen over het bedrag van € 1.142,- vanaf 16 februari 2023 tot de dag van de algehele voldoening daarvan. Hierbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente moet worden berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 29,40 aan in beroep en hoger beroep gemaakte reiskosten. Appellant krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover niet is beslist op het verzoek om schadevergoeding; veroordeelt het college tot vergoeding aan appellant van schade in de vorm van wettelijke rente zoals onder 4.4 van deze uitspraak is vermeld; bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor het overige; veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 29,40,-; bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van M. Ramanand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026. (getekend) P.W. van Straalen De griffier is verhinderd te ondertekenen Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:17, eerste lid Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

Zie de uitspraken van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4448, van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290 en van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1962. Vergelijk de uitspraak van 30 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2602.