Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2025:935 ECLI:NL:CRVB:2025:935 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:935 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2025:935
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

24/793 WLZ Datum uitspraak: 18 juni 2025 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2024, 23/3159 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het CIZ SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de vraag of het CIZ mocht beslissen het bezwaarschrift van appellant niet inhoudelijk te behandelen omdat dat te laat was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. De Raad is het in deze zaak eens met het oordeel van de rechtbank.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CRVB:2025:935 · Centrale Raad van Beroep: Dit betoog slaagt niet. Het CIZ heeft het besluit op de juiste wijze bekendgemaakt door het toe te zenden aan de curator als wettelijk vertegenwoordiger van appellant. Dat het hier gaat om een voor appellant ingrijpend besluit maakt dat niet anders. Met de bekendmaking van het besluit is de termijn voor het maken van bezwaar aangevangen. Het bezwaarschrift is buiten de bezwaartermijn ingediend. Nieuwe beoordeling termijnoverschrijdingen 4.2.1. In de uitspraken van 30 januari 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in bestuursrechtelijke procedures.

Keywords

AI generated
artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht
In de uitspraken van 30 januari 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in bestuursrechtelijke procedures.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2024:31
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1049 uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de grote kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen Black Label Hotel Valkenburg B.V., te Maastricht (de onderneming) (gemachtigde: mr. F.M.C. van Helmond) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. E. Slot) Procesverloop Met het besluit van 5 januari 2022 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister de aan de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) verleende subsidie voor het eerste kwartaal van 2021 vastgesteld op € 45.514,10,- en een bedrag van € 47.950,82 aan teveel betaalde voorschotten teruggevorderd.
ECLI:NL:CBB:2024:32
beslissing COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/182 beslissing van de grote kamer van 30 januari 2024 tot heropening van het onderzoek in de zaak tussen Trichter B.V., te Maastricht (de onderneming) (gemachtigden: mr. L.C. van Kasteren en mr. J. van Weerden) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. E. Slot) Procesverloop Met het besluit van 30 juni 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Tijdelijke regeling aanvullende subsidie evenementen COVID-19 afgewezen.
ECLI:NL:CBB:2024:33
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/2531 uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de grote kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen Markant Recreatie B.V., te Braamt (de onderneming) (gemachtigde: J.G.H. Kelderman RA) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. E. Slot) Procesverloop Met het besluit van 17 mei 2022 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister de aan de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) verleende subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 34.733,32 teruggevorderd.
ECLI:NL:CBB:2024:34
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1193 uitspraak van de grote kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen Greenboats B.V., te Amsterdam (de onderneming) (gemachtigden: mr.
ECLI:NL:CRVB:2024:932
23/2366 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2023, 22/6332 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 8 mei 2024 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de vraag of het college mocht beslissen dat het bezwaarschrift van appellant niet inhoudelijk hoefde te worden behandeld omdat dat te laat was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
ECLI:NL:CRVB:2024:935
23/2117 WSF Datum uitspraak: 8 mei 2024 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 mei 2023, 22/5906 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de vraag of de minister mocht beslissen dat het bezwaarschrift van appellant niet inhoudelijk hoefde te worden behandeld omdat dat te laat was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

24/793 WLZ Datum uitspraak: 18 juni 2025 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2024, 23/3159 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het CIZ SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de vraag of het CIZ mocht beslissen het bezwaarschrift van appellant niet inhoudelijk te behandelen omdat dat te laat was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. De Raad is het in deze zaak eens met het oordeel van de rechtbank.

PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D.J. Ladrak, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ladrak. Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt en mr. S. Kersjes-van Bussel. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Met een beschikking van 6 augustus 2021 heeft de kantonrechter appellant op verzoek wegens lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele gesteld. 1.2.

Het CIZ heeft appellant met een besluit van 23 februari 2023 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz) voor onbepaalde tijd voor zorg op grond van de Wlz geïndiceerd. Tegen dit besluit heeft appellant op 13 april 2023 bezwaar gemaakt. 1.3. Met een besluit van 14 april 2023 (bestreden besluit) heeft het CIZ het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant te laat bezwaar heeft gemaakt en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit, waarbij het bezwaar nietontvankelijk is verklaard, in stand heeft gelaten, aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. Appellant heeft betoogd dat het besluit van 23 februari 2023 niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, omdat het besluit alleen naar de curator en niet ook naar hem is gezonden.

Dit betoog slaagt niet. Het CIZ heeft het besluit op de juiste wijze bekendgemaakt door het toe te zenden aan de curator als wettelijk vertegenwoordiger van appellant. Dat het hier gaat om een voor appellant ingrijpend besluit maakt dat niet anders. Met de bekendmaking van het besluit is de termijn voor het maken van bezwaar aangevangen. Het bezwaarschrift is buiten de bezwaartermijn ingediend. Nieuwe beoordeling termijnoverschrijdingen 4.2.1. In de uitspraken van 30 januari 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in bestuursrechtelijke procedures.

Voor de inhoud van het nieuwe beoordelingskader, in korte vorm weergegeven en toegespitst op zijn eigen zaken, verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 8 mei 2024. Beoordeling in het voorliggende geval 4.2.2. De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden die maken dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daartoe wordt als volgt overwogen. 4.2.3. Appellant heeft gesteld dat de curator hem niet op de hoogte heeft gesteld van de ontvangst van het besluit van 23 februari 2023. Dit laat onverlet dat appellant in ieder geval op 31 maart 2023, door tussenkomst van zijn gemachtigde, van dat besluit heeft kennisgenomen.

Niet valt in te zien waarom toen niet tijdig bezwaar is gemaakt. Daarbij geldt dat als de indiener gedurende (een deel van) de overschreden bezwaar- of beroepstermijn werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener, diens handelen in beginsel voor risico van de indiener komt. Van een professionele rechtshulpverlener mag immers onder meer worden verwacht dat deze de termijnen bewaakt en eventueel gebruik maakt van de mogelijkheid om een pro-formabezwaarschrift in te dienen. Een termijnoverschrijding zal om die reden doorgaans niet verschoonbaar zijn.

Uitzondering op dit uitgangspunt kunnen zijn (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de professionele rechtshulpverlener zelf. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken. 4.3. Dit betekent dat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat het CIZ het bezwaar van appellant op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Conclusie en gevolgen 4.4. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Het bestreden besluit blijft in stand.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en B. Serno en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2025 (getekend) D. Hardonk-Prins (getekend) H. de Brabander ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34. ECLI:NL:CRVB:2024:932, ECLI:NL:CRVB:2024:935 en ECLI:NL:CRVB:2024:972. Zie ECLI:NL:CBB:2024:31, onder 5.1.