Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2025:862 ECLI:NL:CRVB:2025:862 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:862 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2025:862
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

24337 NIOAW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 januari 2024, 22/2408 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) Datum uitspraak: 20 mei 2025 Zitting heeft: K.M.P. Jacobs Griffier: A.M.J. van Erkel De Raad heeft de zaak aan de orde gesteld op een zitting van 20 mei 2025. Partijen zijn niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:862 · Centrale Raad van Beroep: Het verwijt dat het college aan appellant maakte was dat hij de telefoon niet heeft beantwoord en dat hij daardoor niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen juridische grondslag was voor deze maatregelen. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de besluiten van 3 juni 2021 en 28 juni 2021 herroepen en bepaald dat het college aan appellant het betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt. De rechtbank heeft verder overwogen dat de vraag of appellant kan worden verweten dat hij de telefoon niet heeft beantwoord, geen bespreking behoeft, omdat er geen grond is voor de maatregelen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2014:4265
13/3777 AKW Datum uitspraak: 12 december 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 juni 2013, 12/1346 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2014. Voor appellant is verschenen J.Y. van den Berg. Betrokkene is niet verschenen. OVERWEGINGEN 1.1. Aan de uitspraak van de Raad van 4 mei 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6288) wordt het volgende ontleend, waarbij voor appellant betrokkene moet worden gelezen. “1. Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft de Svb bepaald dat appellant ingaande het eerste kwartaal van 2007 geen recht heeft op kinderbijslag. Aan dit besluit is ten gronde gelegd dat appellant niet meer kan worden beschouwd als woonachtig in Nederland.
ECLI:NL:CRVB:2021:244
195303 WMO15, 20/4435 WMO15 Datum uitspraak: 20 januari 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 november 2019, 18/5312 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A. Mokamsingh hoger beroep ingesteld en verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van schade.
ECLI:NL:CRVB:2019:1674
18 68 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Datum uitspraak: 21 mei 2019 Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2017, 17/1769 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Almere (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R. Zwiers, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

24337 NIOAW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 januari 2024, 22/2408 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) Datum uitspraak: 20 mei 2025 Zitting heeft: K.M.P. Jacobs Griffier: A.M.J. van Erkel De Raad heeft de zaak aan de orde gesteld op een zitting van 20 mei 2025. Partijen zijn niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemer (IOAW). Het college heeft met de besluiten van 3 juni 2021 en 28 juni 2021 maatregelen opgelegd aan appellant. Het college heeft de bezwaren tegen die besluiten ongegrond verklaard met het besluit van 24 januari 2022 (bestreden besluit). Appellant heeft daardoor in de maand juni 2021 30% minder IOAW ontvangen en in de maand augustus 2021 100% minder IOAW.

Het verwijt dat het college aan appellant maakte was dat hij de telefoon niet heeft beantwoord en dat hij daardoor niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen juridische grondslag was voor deze maatregelen. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de besluiten van 3 juni 2021 en 28 juni 2021 herroepen en bepaald dat het college aan appellant het betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt. De rechtbank heeft verder overwogen dat de vraag of appellant kan worden verweten dat hij de telefoon niet heeft beantwoord, geen bespreking behoeft, omdat er geen grond is voor de maatregelen.

In hoger beroep stelt appellant dat hij het niet eens is met de aangevallen uitspraak. Appellant stelt in zijn hoger beroepschrift dat hij ziek was, dat hij machteloos is om iets te doen tegen de gemeente, omdat hij steeds door het college wordt gebeld met anonieme telefoonnummers. Appellant eist een schadevergoeding van € 1.500,- vanwege het alsmaar korten en straffen. Verder verzoekt hij om terugbetaling van het griffierecht dat hij in hoger beroep betaalde. De Raad komt tot het oordeel dat appellant geen procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep.

Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.Nu de rechtbank de besluiten van 3 juni 2021 en 28 juni 2021 heeft herroepen, kan een beoordeling van het hoger beroep voor hem geen feitelijke betekenis meer hebben. Dat de rechtbank volgens appellant zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de werkwijze van het college waarbij wordt gebeld met anonieme telefoonnummers, doet niet af aan het rechtsgevolg van het oordeel van de rechtbank.

Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven als de betrokkene een uitspraak wenst met het oog op een toekomstig verzoek om schadevergoeding. Dan is wel vereist dat het bestaan van schade als gevolg van de besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is.In het geval van appellant is niet aan dit criterium voldaan. Het college heeft zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat appellant schade heeft geleden, omdat hij een nabetaling heeft ontvangen naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank. Appellant heeft niet duidelijk gemaakt, laat staan onderbouwd, hoe de door hem gestelde schade het gevolg is van het bestreden besluit.

Bij gebreke van enig concreet gegeven over mogelijke schade, wordt op voorhand onaannemelijk geacht dat appellant als gevolg van het bestreden besluit schade heeft geleden. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant het betaalde griffierecht niet terug. Van proceskosten is niet gebleken. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) A.M.J van Erkel (getekend) K.M.P. Jacobs Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4265. Zie onder meer de uitspraak van 20 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:244.

Vergelijk de uitspraak van 21 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1674.