Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2025:848 ECLI:NL:CRVB:2025:848 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:848 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2025:848
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

22/2762 WLZ Datum uitspraak: 25 april 2025 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2022, 21/4022 (aangevallen uitspraak) Partijen: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor) [betrokkene B.V.] (betrokkene) SAMENVATTING De Raad oordeelt in deze zaak dat het bezwaar van betrokkene niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. PROCESVERLOOP Namens het zorgkantoor heeft mr. H.J. Arnold, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:848 · Centrale Raad van Beroep: De Raad ziet aanleiding het zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep van betrokkene tot een bedrag van € 272,10. Betrokkene heeft in deze zaak en vier andere zaken een gelijkluidend verweerschrift ingediend (1 punt met een waarde van € 907,-). Deze zaken zijn door de Raad gelijktijdig behandeld, waarbij de rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Deze zaken zijn op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) aan te merken als met elkaar samenhangende zaken, zodat zij samen voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bpb in hoger beroep worden beschouwd als één zaak.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2022:2461
22 1834 WLZ, 22/1835 WLZ, 22/2823 WLZ, 22/2824 WLZ Datum uitspraak: 23 november 2022 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2022, 21/4016 en 21/4096 (aangevallen uitspraak) Partijen: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor) [Naam B.V. 1] Zorg B.V. (betrokkene 1) [Naam B.V. 2] Bewindvoering B.V. (betrokkene 2) PROCESVERLOOP Namens het zorgkantoor heeft mr. H.J. Arnold, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene 1 hebben mr. drs. F.P. Heijne en mr.
ECLI:NL:CRVB:2022:2462
221829 WLZ, 22/1830 WLZ, 22/1831 WLZ, 22/2821 WLZ, 22/2822 WLZ Datum uitspraak: 23 november 2022 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2022, 21/4021, 21/4102, 21/4036 (aangevallen uitspraak) Partijen: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor) [Naam B.V. 1] Zorg B.V. (betrokkene 1) [Naam B.V. 2] Bewindvoering B.V. (betrokkene 2) Stichting [Naam Stichting] (betrokkene 3) PROCESVERLOOP Namens het zorgkantoor heeft mr. H.J. Arnold, advocaat, hoger beroep ingesteld.
ECLI:NL:CRVB:2023:2127
22/2674 WLZ, 22/2675 WLZ Datum uitspraak: 15 november 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2022, 21/4025 en 21/4084 (aangevallen uitspraak) Partijen: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor) [naam B.V. Betrokkene 1] (betrokkene 1) [naam B.V. betrokkene 2] (betrokkene 2) PROCESVERLOOP Met een besluit van 25 augustus 2020 heeft het zorgkantoor de aan [naam budgethouder] (budgethouder) gerichte verleningsbeschikkingen voor de jaren 2019 en 2020 ingetrokken en van hem een bedrag van € 95.279,71 teruggevorderd.
ECLI:NL:CRVB:2023:2124
22/2208 WLZ, 22/2219 WLZ, 22/3283 WLZ Datum uitspraak: 15 november 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2022, 21/4018 en 21/4100 (aangevallen uitspraak) Partijen: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor) [naam B.V. betrokkene 1] (betrokkene 1) [naam B.V. betrokkene 2] (betrokkene 2) PROCESVERLOOP Met een besluit van 25 augustus 2020 heeft het zorgkantoor de aan [Budgethouder] (budgethouder) gerichte verleningsbeschikkingen voor de jaren 2019 en 2020 ingetrokken en van haar een bedrag van € 80.976,72 teruggevorderd.
ECLI:NL:RVS:2020:3139
202000151/1/R1. Datum uitspraak: 30 december 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Amsterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2019 in zaak nr. 18/4850 in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 21 december 2017 heeft het college aan [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B] een ligplaatsvergunning verleend voor het bedrijfsvaartuig "[vaartuig A]" en bijbehorende voorzieningen ten noorden van de [locatie 1] ten zuiden van de strekdam en een ontheffing voor het gedeeltelijk wonen op het bedrijfsvaartuig [vaartuig A].

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

22/2762 WLZ Datum uitspraak: 25 april 2025 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2022, 21/4022 (aangevallen uitspraak) Partijen: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor) [betrokkene B.V.] (betrokkene) SAMENVATTING De Raad oordeelt in deze zaak dat het bezwaar van betrokkene niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. PROCESVERLOOP Namens het zorgkantoor heeft mr. H.J. Arnold, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene hebben mr. V.S. van Brouwershaven en mr. H.A. Kivits, advocaten, een verweerschrift ingediend. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. [naam budgethouder] (budgethouder) is geïndiceerd voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz).

Het zorgkantoor heeft aan de budgethouder in verband hiermee voor de jaren 2019 en 2020 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend op grond van de Wlz. 1.2. Budgethouder kocht met het pgb de zorg in bij betrokkene. 1.3. Het zorgkantoor heeft naar aanleiding van fraudemeldingen onderzoek gedaan naar de besteding van het pgb door de budgethouder bij betrokkene. Met een besluit van 25 augustus 2020 heeft het zorgkantoor, onder verwijzing naar de resultaten van het onderzoek, het pgb van de budgethouder voor de jaren 2019 en 2020 ingetrokken en van hem een bedrag van € 45.364,06 teruggevorderd. 1.4.

Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. 1.5. Met een besluit van 1 juli 2021 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het bezwaar van de budgethouder en betrokkene tegen het besluit van 25 augustus 2020 ongegrond verklaard. 1.6. Betrokkene heeft het beroep na het nemen van het bestreden besluit gehandhaafd. De budgethouder heeft wel beroep ingesteld, maar heeft dit beroep op de zitting van de rechtbank ingetrokken. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en de door het zorgkantoor verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1.442,-.

Verder heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 25 augustus 2020 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft betrokkene aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit. De rechtbank heeft verder overwogen dat het zorgkantoor niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de budgethouder zich niet heeft gehouden aan de verplichtingen behorende bij het pgb. Het standpunt van het zorgkantoor 3.

Het zorgkantoor is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het zorgkantoor heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 23 november 2022, op het standpunt gesteld dat betrokkene achteraf gezien niet is aan te merken als belanghebbende. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. 4.1. Aan de orde is de vraag of betrokkene belanghebbende is bij het intrekkings- en terugvorderingsbesluit van 25 augustus 2020.

In de onder 3 genoemde uitspraken van 23 november 2022 en de uitspraken van 15 november 2023 heeft de Raad geoordeeld dat betrokkene geen belanghebbende is bij soortgelijke besluiten als het besluit dat hier aan de orde is. Er zijn in deze procedure geen argumenten of aanknopingspunten die leiden tot een ander oordeel dan het oordeel dat in die uitspraken is gegeven. Het zorgkantoor heeft het bezwaar van betrokkene daarom ten onrechte ontvankelijk geacht. 4.2. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer. 4.3. Omdat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, beoordeelt de Raad vervolgens de beroepen van betrokkene tegen het bestreden besluit en de beroepen tegen het niet tijdig beslissen. 4.4. Zoals is overwogen in 4.1 heeft het zorgkantoor het bezwaar van betrokkene ten onrechte ontvankelijk geacht. Het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit is daarom gegrond en dit besluit moet worden vernietigd voor zover dit het bezwaar van betrokkene betreft. De Raad zal dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. 4.5.

Het beroep van betrokkene tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar is eveneens niet-ontvankelijk, aangezien inmiddels een besluit is genomen en om die reden geen belang meer bestaat. In de toekenning van een eventuele dwangsom kan ook geen belang worden gevonden, omdat aan een niet-belanghebbende geen dwangsom toekomt. Conclusie en gevolgen 4.6. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover dit het bezwaar van betrokkene betreft.

Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 25 augustus 2020 wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van betrokkene tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard.

5. De Raad ziet aanleiding het zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep van betrokkene tot een bedrag van € 272,10. Betrokkene heeft in deze zaak en vier andere zaken een gelijkluidend verweerschrift ingediend (1 punt met een waarde van € 907,-). Deze zaken zijn door de Raad gelijktijdig behandeld, waarbij de rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Deze zaken zijn op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) aan te merken als met elkaar samenhangende zaken, zodat zij samen voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bpb in hoger beroep worden beschouwd als één zaak.

Verder is wegingsfactor 1,5 toegepast, die gehanteerd wordt bij vier of meer samenhangende zaken, en is het bedrag gedeeld door het aantal van vijf samenhangende zaken. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht; verklaart het beroep tegen het besluit van 1 juli 2021 gegrond en vernietigt dat besluit, voor zover het zorgkantoor het bezwaar van betrokkene ontvankelijk heeft geacht; verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar nietontvankelijk; verklaart het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 25 augustus 2020 nietontvankelijk; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 1 juli 2021; veroordeelt het zorgkantoor in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 272,10,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2025. (getekend) C.W.C.A. Bruggeman (getekend) M. Dafir ECLI:NL:CRVB:2022:2461 en ECLI:NL:CRVB:2022:2462. ECLI:NL:CRVB:2023:2127 en ECLI:NL:CRVB:2023:2124. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3139.