Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2025:795 ECLI:NL:CRVB:2025:795 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:795 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2025:795
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Datum uitspraak: 15 mei 2025 23/2631 TOZO-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2023, 22/1434 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak van 4 juni 2024 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Namens appellant heeft [gemachtigde] verzet ingediend.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:795 · Centrale Raad van Beroep: Namens appellant heeft [gemachtigde] verzet ingediend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Datum uitspraak: 15 mei 2025 23/2631 TOZO-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2023, 22/1434 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht (college) PROCESVERLOOP Bij uitspraak van 4 juni 2024 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Namens appellant heeft [gemachtigde] verzet ingediend.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 17 april 2025, waar partijen – het college met voorafgaand bericht – niet zijn verschenen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 4 juni 2024 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet. De Raad heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 31 juli 2024 in de gelegenheid gesteld de gronden van het verzet in te dienen.

Bij – aangetekend verzonden – brief van 2 september 2024 is de gemachtigde van appellant nogmaals de gelegenheid geboden de gronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is erop gewezen dat de gemachtigde van appellant er rekening mee moet houden dat het verzet niet inhoudelijk zal worden behandeld, indien de gronden niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend. De Raad heeft na het door de gemachtigde van appellant gedane verzet geen gronden ontvangen. Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025. (getekend) J.C. Boeree (getekend) S. Pouw