Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2025:702 ECLI:NL:CRVB:2025:702 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:702 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2025:702
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

24/2855 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, in verbinding met de artikelen 8:108 en 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 januari 2022, 20/1731 WAO Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 mei 2025 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of er aanleiding bestaat terug te komen van een eerdere uitspraak van de Raad.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:119 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2025:702 · Centrale Raad van Beroep: De Raad ziet geen aanleiding anders te oordelen dan hij in de uitspraken van 19 oktober 2022 en 4 december 2024 heeft gedaan. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden genoemd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, dat wil zeggen feiten of omstandigheden die hem vóór de uitspraak van 27 januari 2022 niet bekend waren en hem voorafgaand aan die uitspraak ook niet redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening. Het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 januari 2022 is kennelijk ongegrond, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Keywords

AI generated
artikel 8:119 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:119 van de Awb
Op grond van artikel 8:119 van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2022:281
20 1731 WAO Datum uitspraak: 27 januari 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 april 2020, 19/1265 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2021. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door P. Hermans.
ECLI:NL:CRVB:2022:2257
22750 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 januari 2022, 20/1731 WAO Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 19 oktober 2022 PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om de uitspraak van de Raad van 27 januari 2022, 20/1731 WAO, te herzien. Verzoeker heeft bij brieven van 10 en 23 augustus 2022 zijn verzoek aanvullend onderbouwd. Het Uwv heeft een reactie gegeven op het verzoek. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2022. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN 1. Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraak van 27 januari 2022.
ECLI:NL:CRVB:2024:2288
23/1287 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 januari 2022, 20/1731 WAO Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 4 december 2024 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of er aanleiding bestaat terug te komen van een eerdere uitspraak van de Raad. PROCESVERLOOP Verzoeker heeft eerder verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad in de zaak, geregistreerd onder nummer 20/1731 WAO, van 27 januari 2022.
ECLI:NL:CRVB:2020:2056
18 5451 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Datum uitspraak: 1 september 2020 Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 juni 2016, 16/2109, 16/2434 en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) het bestuur van het samenwerkingsverband Meerinzicht (bestuur) PROCESVERLOOP Als gevolg van de opheffing van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand en de vaststelling van een nieuwe gemeenschappelijke regeling per 1 januari 2018 treedt in dit geding het bestuur in de plaats van het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

24/2855 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, in verbinding met de artikelen 8:108 en 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 januari 2022, 20/1731 WAO Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 mei 2025 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of er aanleiding bestaat terug te komen van een eerdere uitspraak van de Raad.

PROCESVERLOOP Verzoeker heeft tweemaal eerder verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad in de zaak, geregistreerd onder nummer 20/1731 WAO, van 27 januari 2022. Bij uitspraken van 19 oktober 2022 en 4 december 2024 heeft de Raad deze verzoeken afgewezen. Verzoeker heeft bij brief van 9 december 2024 opnieuw verzocht om herziening van de door de Raad op 27 januari 2022 tussen partijen gewezen uitspraak. Het Uwv heeft bij brief van 21 januari 2025 een reactie gegeven op het verzoek. Verzoeker heeft bij brief van 25 februari 2025 gereageerd en zijn verzoek aanvullend onderbouwd.

OVERWEGINGEN Inleiding 1. Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraak van 27 januari 2022.

2. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht stond in de eerste plaats de vraag centraal of de vordering van verzoeker om schadevergoeding vanwege in het verleden door de rechtsvoorgangers van het Uwv gemaakte fouten bij het vaststellen van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering verjaard is. De Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartoe heeft de Raad, kort gezegd, overwogen dat verzoeker niet heeft aangetoond dat na 16 oktober 2008 tijdig stuitingshandelingen hebben plaatsgevonden en dat hij daarom niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de verjaring is gestuit.

3. Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening, kort samengevat, aangevoerd dat de door hem gestelde pensioenschade ten onrechte niet is behandeld. Verzoeker heeft ter onderbouwing daarvan gewezen op onder meer hetgeen eerder door hem is aangevoerd en eerder door hem ingediende stukken van het Ministerie van Defensie, het ABP en USZO. Het oordeel van de Raad 4.1. Op grond van artikel 8:119 van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 4.2.

Volgens vaste rechtspraak is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. 4.3. Wat verzoeker heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij aan zijn eerdere twee herzieningsverzoeken ten grondslag heeft gelegd en komt erop neer dat hij vindt dat de Raad in de uitspraak van 27 januari 2022 de feiten onjuist heeft vastgesteld en onjuist heeft geoordeeld.

De Raad ziet geen aanleiding anders te oordelen dan hij in de uitspraken van 19 oktober 2022 en 4 december 2024 heeft gedaan. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden genoemd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, dat wil zeggen feiten of omstandigheden die hem vóór de uitspraak van 27 januari 2022 niet bekend waren en hem voorafgaand aan die uitspraak ook niet redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening. Het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 januari 2022 is kennelijk ongegrond, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Conclusie en gevolgen 5. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat niet van de uitspraak van de Raad van 27 januari 2022 wordt teruggekomen.

6. Omdat het verzoek wordt afgewezen krijgt verzoeker geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025. (getekend) C.F.E. van Olden-Smit (getekend) S.P.A. Elzer Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA, Utrecht. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord. CRvB 22 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:281. CRvB 19 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2257. CRvB 4 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2288. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2056. CRvB 19 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2257. CRvB 4 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2288.