Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2025:511 ECLI:NL:CRVB:2025:511 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:511 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2025:511
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

22/3401 WSF-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 september 2022, 21/2487 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) Datum uitspraak: 20 maart 2025 Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum Griffier: S. Ploum Appellant is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Bouhuys. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:511 · Centrale Raad van Beroep: Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 leidt tot een verboden indirecte discriminatie in de zin van het Unierecht. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij op de peildatum van 1 juli 2021 reeds een migrerend werknemer was op basis van een payrollovereenkomst met Payroll Select, welke overeenkomst is ingegaan op 29 juni 2021. Het feit dat hij via Payroll Select niet heeft gewerkt omdat hij niet is opgeroepen, doet hier niet aan af. Het oordeel van de Raad 4.1. De grond dat het hanteren van de peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 een verboden indirecte discriminatie in de zin van het Unierecht oplevert, wordt verworpen onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad hierover. 4.2.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2022:1592
201804 WSF Datum uitspraak: 7 juli 2022 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31 maart 2020, 19/3488 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.S. Folsche, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr.
ECLI:NL:CRVB:2023:700
21/217 WSF Datum uitspraak: 14 april 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 november 2020, 20/2265 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (Portugal) (appellante) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. G. Gabrelian, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2022.
ECLI:NL:CRVB:2024:724
23/1917 WSF Datum uitspraak: 12 april 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 mei 2023, 22/1946 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) SAMENVATTING De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de minister aan appellant geen studiefinanciering hoefde toe te kennen over de maand september 2021, omdat appellant op de eerste dag van die maand nog niet kon worden beschouwd als (migrerend) werknemer.
ECLI:NL:CRVB:2024:725
22/1227 WSF Datum uitspraak: 12 april 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2022, 21/4386 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) SAMENVATTING De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de minister aan appellante geen studiefinanciering hoefde toe te kennen over de maand maart 2021, omdat zij op de eerste dag van die maand nog geen migrerend werknemer was.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

22/3401 WSF-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 september 2022, 21/2487 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) Datum uitspraak: 20 maart 2025 Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum Griffier: S. Ploum Appellant is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Bouhuys. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. OVERWEGINGEN 1. Appellant heeft de Spaanse nationaliteit. Hij heeft een aanvraag ingediend voor een reisvoorziening op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) met ingang van 1 juli 2021. Bij de aanvraag heeft appellant een arbeidsovereenkomst met [naam B.V.] overgelegd. De ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst is 5 juli 2021. Bij besluit van 21 juli 2021 is de aanvraag afgewezen voor de maand juli 2021. Het bezwaar daartegen heeft de minister bij besluit van 3 september 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Omdat appellant op de peildatum 1 juli 2021 nog geen (migrerend) werknemer was heeft hij over die maand geen recht op een reisvoorziening. Van indirecte discriminatie naar nationaliteit is geen sprake.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 leidt tot een verboden indirecte discriminatie in de zin van het Unierecht. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij op de peildatum van 1 juli 2021 reeds een migrerend werknemer was op basis van een payrollovereenkomst met Payroll Select, welke overeenkomst is ingegaan op 29 juni 2021. Het feit dat hij via Payroll Select niet heeft gewerkt omdat hij niet is opgeroepen, doet hier niet aan af. Het oordeel van de Raad 4.1. De grond dat het hanteren van de peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 een verboden indirecte discriminatie in de zin van het Unierecht oplevert, wordt verworpen onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad hierover. 4.2.

De grond dat appellant al op de peildatum 1 juli 2021 een migrerend werknemer was wordt ook verworpen. Op 1 juli 2021 bestond er weliswaar een oproepovereenkomst maar op basis van die oproepovereenkomst heeft appellant in het geheel geen arbeid verricht. Pas per 5 juli 2021 gold een arbeidsovereenkomst op basis waarvan feitelijk is gewerkt. Hieruit wordt afgeleid dat appellant op 1 juli 2021 nog geen migrerend werknemer was. Conclusie en gevolgen 5.1. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dat betekent dat appellant voor de maand juli 2021 geen recht heeft op de reisvoorziening. 5.2.

Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) S. Ploum (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep Zie de uitspraken van 7 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1592; van 14 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:700 en van 12 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:724 en ECLI:NL:CRVB:2024:725.