Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2025:467 ECLI:NL:CRVB:2025:467 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:467 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2025:467
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

24/1300 ZW Datum uitspraak: 26 maart 2025 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 mei 2024, 23/440 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 14 november 2017, waarbij de uitkering van appellante op grond van de ZW is beëindigd. Volgens appellante zijn de gestelde diagnoses een nieuw feit en vormt dit reden om terug te komen van dat besluit.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 4:6 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2025:467 · Centrale Raad van Beroep: Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat geen sprake is van rechtens relevante nieuwe feiten en omstandigheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit uitgebreid en overtuigend gemotiveerd in haar rapport van 29 december 2022. Hierin is opgemerkt dat uit het rapport van de verzekeringsarts uit 2017 blijkt dat er destijds al kennis is genomen van de diagnose sclerodermie. Deze diagnose is dus meegenomen bij de eerdere beoordeling. Verder geven diverse betrokken specialisten aan dat appellante klachten van vermoeidheid ervaart.

Keywords

AI generated
artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 4:6 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht
Daarnaast heeft de rechtbank erop gewezen dat uit vaste rechtspraak volgt dat een diagnose op zichzelf geen nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) oplevert.
artikel 4:6 van de Awb
Het is vaste rechtspraak dat een nieuwe diagnose als zodanig niet wordt aangemerkt als een nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2020:1838
185148 ZW Datum uitspraak: 12 augustus 2020 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 augustus 2018, 18/559 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.J.E. Fleurkens, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten.
ECLI:NL:CRVB:2017:2476
16/938 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 december 2015, 15/4385 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 5 juli 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Houweling, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2017.
ECLI:NL:CRVB:2016:4872
16/1880 PW-T Datum uitspraak: 20 december 2016 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 februari 2016, 15/2788 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] , zonder vaste woon- of verblijfplaats (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2016.
ECLI:NL:CRVB:2016:5115
16/700 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 januari 2016, 15/2001 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 14 november 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
ECLI:NL:CRVB:2023:932
222780 ZW Datum uitspraak: 17 mei 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 juli 2022, 21/5106 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L.M. van Rooij-Houweling, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere gronden ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

24/1300 ZW Datum uitspraak: 26 maart 2025 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 mei 2024, 23/440 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 14 november 2017, waarbij de uitkering van appellante op grond van de ZW is beëindigd. Volgens appellante zijn de gestelde diagnoses een nieuw feit en vormt dit reden om terug te komen van dat besluit.

De Raad volgt dit standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de beëindiging terecht in stand heeft gelaten. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. Y. Kayabasi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 februari 2025. Appellante is verschenen, vergezeld van haar echtgenoot [naam echtgenoot] en bijgestaan door mr. Kayabasi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1.

Appellante is werkzaam geweest als medewerkster bediening voor 20,96 uur per week. Zij heeft zich op 1 september 2012 voor dat werk ziekgemeld. Na afloop van de zogeheten wachttijd heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per die datum geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is te achten. 1.2. Appellante heeft zich op 5 oktober 2017 (opnieuw) ziekgemeld. Bij besluit van 14 november 2017 heeft het Uwv beslist dat appellante vanaf 15 november 2017 weer arbeidsgeschikt is in de zin van de Ziektewet (ZW).

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en informatie van de behandelende sector ingebracht. Bij besluit van 30 januari 2018 is dit bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 augustus 2018 (zaaknummer 18/559) heeft de rechtbank Limburg het beroep van appellante tegen het besluit van 30 januari 2018 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 augustus 2020 heeft de Raad de uitspraak van 23 augustus 2018 bevestigd. 1.3. Bij brief van 31 mei 2022 heeft appellante het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 14 november 2017. Daarbij heeft zij verzocht de ZW-uitkering alsnog voort te zetten en haar na einde wachttijd een WIA-uitkering toe te kennen. 1.4.

Bij besluit van 6 september 2022 heeft het Uwv het besluit van 14 november 2017 gehandhaafd, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts van 1 september 2022. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 september 2022 heeft het Uwv bij besluit van 4 januari 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 december 2022 ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat geen sprake is van rechtens relevante nieuwe feiten en omstandigheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit uitgebreid en overtuigend gemotiveerd in haar rapport van 29 december 2022. Hierin is opgemerkt dat uit het rapport van de verzekeringsarts uit 2017 blijkt dat er destijds al kennis is genomen van de diagnose sclerodermie. Deze diagnose is dus meegenomen bij de eerdere beoordeling. Verder geven diverse betrokken specialisten aan dat appellante klachten van vermoeidheid ervaart.

De psychologen Harnas en Steur spreken van chronische vermoeidheid bij chronische ziektes. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geschreven dat dit geen nieuw ziektebeeld is maar enkel een beschrijving van de problematiek van appellante. De klachten zijn volgens haar duidelijk toegenomen in de loop van de jaren. De term chronische vermoeidheid geeft niet automatisch aanleiding tot een medische urenbeperking. Overigens werd de term chronische vermoeidheid al genoemd in informatie van de huisarts van 11 januari 2017. Daarnaast heeft de rechtbank erop gewezen dat uit vaste rechtspraak volgt dat een diagnose op zichzelf geen nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) oplevert.

Het gaat om de beperkingen die van invloed zijn op het verrichten van arbeid. Tot slot heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 14 november 2017 evident onredelijk is. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft (kort samengevat) tegen die uitspraak aangevoerd dat de gestelde diagnose wel degelijk een nieuw feit oplevert. Appellante heeft gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten.

Zo is ten onrechte geen urenbeperking aangenomen. Appellante heeft toegelicht dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar klachten en de effecten die de klachten en met name de vermoeidheid hebben op haar leven. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten, aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 14 november 2017 niet inhoudelijk heeft beoordeeld, maar zich heeft beperkt tot de vraag of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Wat appellante hierover in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen.

De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. De Raad voegt hier het volgende aan toe. 4.2. Op het verzoek van appellante heeft het Uwv beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. 4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. 4.4. Het is vaste rechtspraak dat een nieuwe diagnose als zodanig niet wordt aangemerkt als een nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

Dat na de beoordeling een diagnose bekend is geworden, maakt op zichzelf geen verschil. Het gaat ten slotte om de beperkingen die zijn vastgesteld. Appellante wil met wat zij heeft aangevoerd in feite opnieuw een discussie voeren over de juistheid van het besluit van 14 november 2017. Daarvoor is echter geen plaats omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Dat betekent dat de verwijzing naar het oorspronkelijke besluit de afwijzing van het verzoek van appellante in beginsel kan dragen. Aan een inhoudelijke beoordeling van de beperkingen van appellante wordt dan ook niet toegekomen. 4.5.

Nu de onjuistheid van het oorspronkelijke besluit niet is komen vast te staan, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van dat besluit evident onredelijk is. Conclusie en gevolgen 5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2025. (getekend) D.S. de Vries (getekend) S. Pouw Zie de uitspraak van de Raad van 12 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1838. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2476. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:932.