Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2025:422 ECLI:NL:CRVB:2025:422 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:422 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2025:422
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Datum uitspraak: 11 maart 2025 23/1170 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 januari 2023, 21/2323 Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Namens betrokkene heeft mr. N. Talhaoui, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Het college heeft (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:118 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:75 van de Awb; ECLI:NL:CRVB:2025:422 · Centrale Raad van Beroep: N. Talhaoui, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Het college heeft (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld.

Keywords

AI generated
artikel 8:118 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:75 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:118 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten.
artikel 8:75 van de Awb
OVERWEGINGEN Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Datum uitspraak: 11 maart 2025 23/1170 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 januari 2023, 21/2323 Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Namens betrokkene heeft mr. N. Talhaoui, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Het college heeft (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. Talhaoui een zienswijze ingediend. Bij digitaal bericht van 4 juli 2024 heeft het college het incidenteel hoger beroep ingetrokken. Namens betrokkene heeft mr. Talhaoui verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft geen verweerschrift ingediend. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.

Gelet hierop wordt het college veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 453,50 (1 punt voor het indienen van de schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep met een wegingsfactor van 0,5). De Raad past een wegingsfactor licht toe omdat het incidenteel hoger beroep alleen betrekking had op vergoeding van proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 453,50.

Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2025. (getekend) M. Wolfrat (getekend) A. Giesen