Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2025:412 ECLI:NL:CRVB:2025:412 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:412 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2025:412
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

24/610 WSF Datum uitspraak: 7 maart 2025 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 januari 2024, 23/3446 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] , Duitsland (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) SAMENVATTING In deze uitspraak onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank. De minister heeft het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit blijft in stand. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CRVB:2025:412 · Centrale Raad van Beroep: In vervolg op deze correspondentie heeft appellant bij formulier van 14 juli 2022 een bezwaarschrift bij de minister ingediend. 1.3. Bij besluit van 19 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaar van appellant niet is gericht tegen een voor bezwaar vatbaar besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Keywords

AI generated
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaar van appellant niet is gericht tegen een voor bezwaar vatbaar besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

24/610 WSF Datum uitspraak: 7 maart 2025 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 januari 2024, 23/3446 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] , Duitsland (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) SAMENVATTING In deze uitspraak onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank. De minister heeft het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit blijft in stand. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 januari 2025. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Fazli. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten van belang. 1.1. Appellant heeft studiefinanciering ontvangen. Hierdoor heeft hij een studieschuld opgebouwd. De aflosfase begon voor appellant op 1 januari 2005. 1.2. Partijen hebben elkaar in juli 2022 diverse e-mails gestuurd over de studieschuld van appellant.

In vervolg op deze correspondentie heeft appellant bij formulier van 14 juli 2022 een bezwaarschrift bij de minister ingediend. 1.3. Bij besluit van 19 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaar van appellant niet is gericht tegen een voor bezwaar vatbaar besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

De standpunten van partijen in hoger beroep 3.1. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken. 3.2. De minister heeft de Raad verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4.1. De Raad beoordeelt of de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Hij doet dit aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.2. Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe gronden naar voren gebracht of deugdelijke redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen.

Appellant heeft zich grotendeels beperkt tot het herhalen van gronden die hij eerder heeft aangevoerd. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak goed uitgelegd waarom deze gronden niet slagen. De Raad is het met de overwegingen en het oordeel van de rechtbank eens en neemt deze daarom over. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe. 4.3. De e-mails met informatie over de studieschuld van appellant die hij in juli 2022 ontving, zijn niet gericht op enig rechtsgevolg en volgens al lang geldende rechtspraak daarom geen besluit. Daartegen kan dus geen bezwaar worden gemaakt.

Dat de minister verder pas na negen maanden heeft beslist op het bezwaarschrift van appellant kan, wat daarvan verder ook zij, in dit geding niet leiden tot een voor appellant gunstige beslissing. Conclusie en gevolgen 5.1. Uit rubriek 4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd en dat het bestreden besluit in stand blijft. 5.2. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2025. (getekend) Y. Sneevliet De griffier is verhinderd te ondertekenen