Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CRVB:2025:382 ECLI:NL:CRVB:2025:382 AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:382 · Centrale Raad van Beroep

Case Number ECLI:NL:CRVB:2025:382
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

23/1215-S Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college) de Staatssecretaris Sociale Zaken en Werkgelegenheid, thans de Staatssecretaris Participatie en Integratie (staatssecretaris) Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Datum uitspraak: 18 februari 2025 PROCESVERLOOP Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2023, 20/3227.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CRVB:2025:382 · Centrale Raad van Beroep: De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de Hoge Raad dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM het in die bepaling neergelegde recht toekent aan een ieder, derhalve ook aan publiekrechtelijke lichamen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2005:AO9273
Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1994 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 1.192.457 aan enkelvoudige belasting, voor een gedeelte met een verhoging van de nageheven belasting van 100 percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding heeft verleend, deels tot op 50 percent en voor het restant tot op 25 percent. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar is bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot ƒ 1.062.912 aan enkelvoudige belasting, voor een gedeelte met een verhoging van 100 percent, en is deze verhoging kwijtgescholden tot op 25 percent ofwel ƒ 50.806.
ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009
05/1789 WAO 08/4026 WAO-S Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het verzoek om schadevergoeding van: [Betrokkene], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: betrokkene) met als partijen: betrokkene en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat) Datum uitspraak: 26 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2003, 03/3543, in het geding tussen betrokkene en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna:
ECLI:NL:CRVB:2019:2016
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 april 2016, 15/4788 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (appellant) de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris) PROCESVERLOOP Namens appellant hebben prof. mr. T. Barkhuysen en mr. M. Claessens, advocaten, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. De staatssecretaris heeft desgevraagd een nader standpunt ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken 16/3826, 16/3831, 16/4264 en 16/4265 en de zaken 16/2532, 16/6560 en 16/6561, plaatsgevonden op 15 november 2016.
ECLI:NL:CRVB:2019:2017
16/3826 PW, 16/3831 PW, 16/4264 PW, 16/4265 PW Datum uitspraak: 1 juli 2019 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 april 2016, 15/4151 (aangevallen uitspraak) Partijen: de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) PROCESVERLOOP De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld. Namens het college heeft mr. F.A. Mulder, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingezonden.
ECLI:NL:CRVB:2019:2018
162532 PW, 16/6560 PW, 16/6561 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 maart 2016, 15/2024 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (appellant) de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris) Datum uitspraak: 1 juli 2019 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.C.M. de Roover, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. De staatssecretaris heeft desgevraagd een nader standpunt ingezonden en nadere stukken ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2019:2019
16/4726 PW, 16/6562 PW, 16/6602 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juni 2016, 15/2422 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (appellant) de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris) Datum uitspraak: 1 juli 2019 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.J. Tunnissen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. De staatssecretaris heeft incidenteel hoger beroep ingesteld, een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

23/1215-S Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college) de Staatssecretaris Sociale Zaken en Werkgelegenheid, thans de Staatssecretaris Participatie en Integratie (staatssecretaris) Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Datum uitspraak: 18 februari 2025 PROCESVERLOOP Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2023, 20/3227.

Bij uitspraak van 18 februari 2025, met zaaknummers 23/1215 en 25/299 heeft de Raad op het hoger beroep beslist. Daarin is bepaald dat de Raad in een afzonderlijke uitspraak zal beslissen op het verzoek van het college om schadevergoeding als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn. OVERWEGINGEN 1. Het college heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van het college gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van het college.

3. De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de Hoge Raad dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM het in die bepaling neergelegde recht toekent aan een ieder, derhalve ook aan publiekrechtelijke lichamen.

4. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

5. Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het eerste bezwaarschrift van het college op 30 november 2016 tot de uitspraak van de Raad van 18 februari 2025 zijn meer dan acht jaar verstreken. De Raad ziet aanleiding om een langere redelijke termijn in aanmerking te nemen dan de termijn van vier jaar. De periode in bezwaar waarin de staatssecretaris, met instemming van het college, heeft gewacht op de uitspraken van de Raad van 1 juli 2019, moet bij de vaststelling van de redelijke termijn buiten beschouwing worden gelaten. Dat is de periode van 26 juni 2017, de datum van de brief met de kennisgeving aan het college van aanhouding van het bezwaar in verband met vergelijkbare aanhangige procedures bij de Raad, tot en met 1 juli 2019, de datum waarop de Raad in die procedures uitspraak heeft gedaan. Dit is twee jaar en zes dagen, zodat de redelijke termijn zes jaar en zes dagen is. Deze termijn is met meer dan twee jaar overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 2.500 (vijfmaal € 500,-).

6. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door de staatssecretaris, rekening houdend met de verlenging van de redelijke termijn, naar boven afgerond, achttien maanden langer geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 15 juni 2020 tot de uitspraak op 8 maart 2023 twee jaar en bijna negen maanden geduurd, en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 18 april 2023 tot de datum van deze uitspraak, een jaar en bijna negen maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.

7. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van de staatssecretaris onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 1.250,- (12/24e van € 2.500,-) en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 1.250,- (12/24e van € 2.500,-).

8. Aanleiding bestaat om de staatssecretaris en de Staat elk voor de helft te veroordelen in de proceskosten van het college voor verleende rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 453,50 (een punt voor het indienen van het schadeverzoek, met wegingsfactor 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de staatssecretaris tot betaling aan het college van vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.250,-; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan het college van vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.250,-; veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van het college tot een bedrag van € 226,75; veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van het college tot een bedrag van € 226,75.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en J.E. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van S. van Pelt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2025. (getekend) J.T.H. Zimmerman (getekend) S. van Pelt HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9273. CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009. ECLI:NL:CRVB:2019:2016, ECLI:NL:CRVB:2019:2017, ECLI:NL:CRVB:2019:2018 en ECLI:NL:CRVB:2019:2019. ECLI:NL:HR:2016:252.